Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU4248

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
13-10-2005
Zaaknummer
004817-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevaarlijkheid als bedoed in art 174 Sr. van een stof na vermenging.

Geslaagd beroep op goede trouw bij douane aangifte.

Opmaken valse documenten in verband met BTW problematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 004817-02

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[naam bedrijf],

gevestigd [straatnaam], [verstiging[adres]]

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de vertegenwoordiger van verdachte [medeverdachte] en de raadslieden, mr. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, en mr. Von Bóné, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank beveelt dat de onderhavige zaak gelijktijdig doch niet gevoegd wordt behandeld met de zaak tegen de verdachte [medeverdachte], parketnummer 001144-03, en de verdachte [medeverdachte], parketnummer 004379-03.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 en 314a van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1.

[naam bedrijf] in of omstreeks de periode van 01 maart 1999 tot

en met 28 januari 2003 te [verstigingsplaats], althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) (een) geschrift(en), - (elk) zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft

opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft verdachte en/of haar mededader(s)

(telkens) valselijk

- (een) certifica(a)t(en) van oorsprong (met als oorsprong Nederland)

(document 3/D/1) en/of

- (een) factu(u)r(en) en/of (een) aan- en verkoopbevestiging(en) (m.b.t. in-

en verkoop van melkpoeder) (document 3/D/6 t/m 3/D/12)

- (een) factu(u)r(en) (m.b.t. (een) levering(en) vanuit het buitenland)

(document 3/D/17 t/m 3/D/21) opgemaakt of doen opmaken en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin – zakelijk weergegeven-

- dat op het/de certifica(a)t(en) als oorsprong ’Nederland’ staat vermeld, terwijl het in werkelijkheid gaat om een certificaat van oorsprong met als oorsprong ‘Frankrijk’ en/of

- dat op de factu(u)r(en) en/of op de aan- en verkoopbevestiging(en) een levering is vermeld van 50 mton melkpoeder, terwijl in werkelijkheid geen levering heeft plaatsgevonden en/of die factu(u)r(en) en/of die aan- en verkoopbevestiging(en) (m.b.t. in- en verkoop van melkpoeder) slechts tot doel heeft/hebben een ISO-certificering mogelijk te maken en/of

- dat op die factu(u)r(en) een levering is vermeld aan [naam bedrijf], terwijl in werkelijkheid die factu(u)r(en) (m.b.t. (een) levering vanuit het buitenland aan [naam bedrijf]) slechts tot doel heeft/hebben BTW-fraude mogelijk te maken en/of de BTW-problematiek te omzeilen en/of dat die levering(en) in werkelijkheid direct naar een ander land (te weten Spanje en/of België) is/zijn vervoerd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

[naam bedrijf] in of omstreeks de periode van 01 december 2002

tot en met 28 januari 2003 in [verstigingsplaats], althans elders in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, waren, te weten ongeveer 2200 ton

(in containers opgeslagen) melkpoeder, waarin residuen van chlooramphenicol zijn aangetroffen, heeft/hebben verkocht en/of te koop

heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben

uitgedeeld, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), dat die

melkpoeder voor het leven of de gezondheid schadelijk is en dat schadelijke

karakter verzwijgende;

en/of

[naam bedrijf] in of omstreeks de periode van 01 december 2002

tot en met 28 januari 2003 in [verstigingsplaats], althans elders in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding

van het misdrijf van verkoop en/of te koop aanbieden en/of de aflevering van

ongeveer 2200 ton melkpoeder, waarin residuen van chlooramphenicol zijn aangetroffen, wetende dat die melkpoeder voor het leven of de gezondheid schadelijk is en verzwijgende dat schadelijke karkater van die melkpoeder (artikel 174 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

opzettelijk productiecertificaten en/of gezondheidscertificaten, althans certificaten

en/of (overige) voorwerpen en/of informatiedragers, kennelijk bestemd tot het in vereniging

begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven en/of vervaardigd en/of

ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft/hebben

gehad;

3.

[naam bedrijf] in of omstreeks de periode van 25 juni 2001 tot

en met 22 november 2001 te [verstigingsplaats] en/of te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

(al dan niet) opzettelijk een ingevolge de wettelijke bepalingen inzake de rechten

bij invoer en de rechten bij uitvoer vereiste aangifte, onjuist en/of

onvolledig heeft/hebben gedaan,

door in de gedane aangifte(n) voorzien van het nummer IM 4 3631600-01-10000275 de

goederencode 0402.1019.00.0000.0000.00.00 te vermelden, terwijl dit na

onderzoek door ambtenaren van de belastingdienst/douane, district Rotterdam,

goederencode 0402.2117.00.0000.0000.00.00 diende te zijn (bijlage 2/D/1) en/of

door in de gedane aangifte voorzien van het nummer IM 4 3631600-01-10000572 de

goederencode 0402.1019.00.0000.0000.0000 te vermelden, terwijl dit na

onderzoek door ambtenaren van de belastingdienst/douane, district Rotterdam,

goederencode 0402.2177.00.0000.0000.00.00 diende te zijn (bijlage 2/D/2) en/of

door in de gedane aangifte voorzien van het nummer IM 4 3631600-01-10000603 de

goederencode 0402.1019.00.0000.0000.0000 te vermelden, terwijl dit na

onderzoek door ambtenaren van de belastingdienst/douane, district Rotterdam,

goederencode 0402.2117.00.0000.0000.00.00 diende te zijn (bijlage 2/D/3),

terwijl het/de feit/feiten er (telkens) toe strekt/strekken dat te weinig

rechten bij invoer wordt/worden geheven.

De officier van justitie heeft in de vordering wijziging tenlastelegging onder feit 1 wijzigingen opgenomen die -naar de rechtbank begrijpt- zien op feit 2 op de tenlastelegging en, andersom, wijzigingen met betrekking tot feit 1 op de tenlastelegging in de vordering opgenomen onder feit 2. Omdat hier naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een kennelijke verschrijving, heeft de rechtbank de oorspronkelijke tenlastelegging overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de officier van justitie gewijzigd zoals hierboven weergegeven.

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 op de tenlastelegging betwist de verdediging primair de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om de onderhavige zaak te berechten. Zij heeft daartoe –kort weergegeven- het volgende gesteld. In casu is sprake van:

1. een buitenlandse, te weten Canadese, leverancier;

2. een partij welke vanuit Chili verscheept is naar België;

3. welke partij te koop zou zijn aangeboden aan Japanse en Oekraïense klanten om aldaar te worden bestemd voor de diervoederindustrie.

Aan verdachte wordt verweten, feitelijk, dat door haar traders namens haar telefoongesprekken vanuit Nederland zijn gevoerd. Bezien naar de vraag met welke rechtssfeer deze zaak de meeste aanknopingspunten heeft, komt de verdediging, gelet op het voorgaande, niet tot de Nederlandse rechtssfeer.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Aan verdachte is –kort samengevat- tenlastegelegd dat zij in de periode van 1 december 2002 tot en met 28 januari 2003 in Nederland 2.200 mton melkpoeder, waarin sporen van chlooramphenicol zijn aangetroffen, te koop heeft aangeboden, terwijl zij wist dat die melkpoeder schadelijk is voor het leven of de gezondheid, maar dat schadelijke karakter heeft verzwegen. Deze gedraging is in Nederland strafbaar gesteld in artikel 174 van het wetboek van strafrecht.

Uit het strafdossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer dat de verdachte kantoor houdt te [adres] alwaar twee van haar traders namens haar met een aantal zakenrelaties telefoongesprekken hebben gevoerd met als doel in ieder geval duidelijkheid te verkrijgen omtrent de mogelijkheid de in de tenlastelegging omschreven partij melkpoeder door te verkopen aan die zakenrelaties. Het vermeende schadelijke karakter van die melkpoeder laat de rechtbank hierbij voorshands in het midden evenals de vraag of hier sprake is van het te koop aanbieden.

De inhoud van het strafdossier in aanmerking genomen komt de rechtbank ten aanzien van artikel 2 van het wetboek van strafrecht tot het oordeel dat met betrekking tot de vermeende schadelijke waren in Nederland, te weten in [adres], gedragingen zijn verricht.

Voor zover de gedragingen behalve in Nederland ook in het buitenland zijn verricht, geldt naar het oordeel van de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 2 van het wetboek van strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar het strafbaar feit is gepleegd is, op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank zich bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van haar bevoegdheid heeft overwogen, dient het subsidiaire verweer van de verdediging, gedaan voor het geval de rechtbank zich bevoegd acht van het ten laste gelegde kennis te nemen en inhoudend dat het openbaar ministerie zich in deze zaak had dienen te onthouden van vervolging, nu deze zaak zo duidelijk zo weinig aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer, te worden verworpen.

In dit verband overweegt de rechtbank nog dat het belang dat de wetgever met artikel 174 van het wetboek van strafrecht beoogt te beschermen zich niet beperkt tot zaken die enkel effect in Nederland hebben.

Nu bij het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, kan zij in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Onder feit 2 is aan verdachte –kort samengevat- tenlastegelegd dat zij in de periode van 1 december 2002 tot en met 28 januari 2003 2.200 mton melkpoeder, waarin sporen van chlooramphenicol zijn aangetroffen, te koop heeft aangeboden, terwijl zij wist dat die melkpoeder schadelijk is voor het leven of de gezondheid, maar dat schadelijke karakter heeft verzwegen.

Op grond van de wetsgeschiedenis, met name hetgeen in artikel 174 van het wetboek van strafrecht naar aanleiding van opmerkingen van de Commissie van rapporteurs omtrent het aspect van vermenging bij gevaarlijke stoffen, moet worden geoordeeld dat de wetgever met artikel 174 van het wetboek van strafrecht –voor zover thans van belang- heeft beoogd de strafbaarstelling van bepaalde gedragingen met betrekking tot waren, die voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, onverschillig hoe zij schadelijk zijn geworden.

Nu in de onderhavige zaak chlooramphenicol is aangetroffen in een partij melkpoeder, dient de vaststelling van het schadelijke karakter van de waren betrekking te hebben op de partij melkpoeder waarop de tenlastelegging doelt.

Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat beoordeeld dient te worden in hoeverre die partij melkpoeder met de daarin aangetroffen hoeveelheden chlooramphenicol schadelijk is voor het leven en de gezondheid.

Door het Rijks-en Kwaliteitsinstituut voor de Land- en Tuinbouwproducten te Wageningen zijn vijf monsters van de desbetreffende partij melkpoeder geanalyseerd. Uit de tot het strafdossier behorende analyserapporten d.d. 17 februari 2003 en 20 februari 2003 blijkt dat alle vijf de monsters positief bevonden zijn op de aanwezigheid van chlooramphenicol. De aangetroffen hoeveelheden bedragen 0.8 µg/kg, 1.2 µg/kg, 0.6 µg/kg, 23 µg/kg en 5.7µg/kg.

Tot het strafdossier behoort tevens een samenvattend rapport opgesteld door de Commissie voor Veeartsenijkundige Geneesmiddelen, een onderdeel van het Europese Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling, inzake chlooramphenicol. (Bijlage 1/D/1) Het samenvattend rapport luidt –voor zover thans van belang- als volgt:

“3. Enkelvoudige intraveneuse doseringen van chloramphenicol bleken middelmatig toxisch bij muizen. Er waren geen herhalingsdoseringen van toxiciteitsonderzoeken beschikbaar.

5. Uitgevoerde teratogene onderzoeken = [misvormingsonderzoeken] in de rat en het konijn wezen uit dat chloramphenicol geen teratogene uitwerkingen vertoonde maar een hoge mate van foetale sterfte veroorzaakte, zelfs bij de laagst uitgeteste doseringsgehalten.

6. Bijna alle in vitro = [reageerbuis] mutagene testen uitgevoerd met chloramphenicol vertoonden positieve resultaten.

Chloramphenicol veroorzaakte DNA fragmentatie in zowel V79 cellen als in ratten hepatocyten. Positieve resultaten werden ook verkregen in DNA herstel testen in gekweekte menselijke en ratten hepatocyten. Een aanmerkelijk verhoogde frequentie van 6-thioguanine resistente klonen van V79 cellen werd waargenomen.

Chloramphenicol veroorzaakte chromosome afwijkingen in een kweek van menselijke lymfocyten = [lymfcellen]. Chloramphenicol vermeerderde de zuster chromatide uitwisselingen in een kweek van menselijke lymfocyten = [lymfcellen], in V79 cellen van Chinese hamsters en in runderachtige fibroblasten.

8. Drie metabolieten van chloramphenicol: nitroso-chloramphenicol, dehydro-chloramphenicol en dehydro-chloramphenicol-basis bleken mutageen in een in vitro test.

10. Historische epidemiologische data suggereerde dat het behandelen van mensen met chloramphenicol samenhing met het veroorzaken van bloed dyscrasias, vooral aplastische anemia. Recente epidemiologische data met betrekking tot oculair gebruik van chloramphenicol in mensen suggereert nu dat deze vorm van behandeling niet samenhangt met het veroorzaken van aplastische anemia. Het was echter niet mogelijk de systematische [=van het hele lichaam] blootstelling resulterend van oculair gebruik te meten. Ofschoon de totale mate van chloramphenicol –gerelateerde aplastische anemia in mensen erg laag was, was het dientengevolge niet mogelijk een drempel niveau te identificeren waaronder het effect niet plaats zou vinden.“

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit rapport zonder meer worden opgemaakt dat chlooramphenicol een schadelijk karakter heeft. Uit dit rapport kan echter -in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting heeft betoogd- niet worden opgemaakt dat de partij melkpoeder met de daarin aangetroffen concentraties van chlooramphenicol, waar de tenlastelegging op doelt, een schadelijk karakter heeft als bedoeld in artikel 174 van het wetboek van strafrecht. Het schadelijke karakter van deze partij melkpoeder kan naar het oordeel van de rechtbank ook overigens niet uit het strafdossier worden afgeleid.

Gelet op de duur van de strafrechtelijke procedure, heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank voldoende de tijd gehad om het vermeende schadelijke karakter van de partij melkpoeder, waar de tenlastelegging op doelt, te laten onderzoeken. De rechtbank zal het openbaar ministerie dan ook niet als nog in de gelegenheid stellen om een en ander nader te onderzoeken en zich baseren op het strafdossier zoals dit thans aan haar is voorgelegd.

Door de rechter-commissaris is in dit verband op verzoek van de verdediging als deskundige gehoord J.C. Hanekamp, chemicus en tevens directeur onderzoek van de Stichting Heidelberg Appeal Nederland. Hanekamp heeft desgevraagd verklaard dat de kans dat een individu gedurende zijn natuurlijke leven, binnen een populatie van 1 miljoen mensen, kanker zal krijgen als gevolg van blootstelling aan chlooramphenicol een dagelijkse dosis behoeft van

1-5 µg per kg lichaamsgewicht. Voor een volwassenen met een lichaamsgewicht van 70 kilo houdt dat een chloorampenicol-blootstelling vanuit voedsel in van 70-350 µg per dag gedurende het hele leven. Piet Borst, voormalig directeur van het Nederlands Kanker Instituut, heeft dit vertaald naar een consumptie van 40 kg garnalen per dag een leven lang.

In het licht van deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat de thans in de melkpoeder aangetroffen hoeveelheden chlooramphenicol, te weten 0.8 µg/kg, 1.2 µg/kg, 0.6 µg/kg, 23 µg/kg en 5.7µg/kg, onvoldoende lijken om daaraan de vaststelling te verbinden dat de melkpoeder een schadelijk karakter heeft.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank verdachte, bij gebrek aan bewijs van het schadelijke karakter van de melkpoeder waar de tenlastelegging op doelt, vrijspreken van het hem tenlastegelegde. De rechtbank merkt daarbij wel op dat, gelet op EEG-Verordening 2377/90, waarin een algeheel verbod van verkoop van producten met chlooramphenicol is neergelegd, grote vraagtekens kunnen worden gesteld bij de wijze waarop verdachte en haar mededaders met deze partij melkpoeder hebben gehandeld, namelijk dat verdachte en haar mededaders kennelijk bereid waren om deze partij te verkopen, zelfs indien die partij zou worden gebruikt voor de menselijke consumptie.

1.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

1.

[naam bedrijf] in de periode van 01 maart 1999 tot

en met 28 januari 2003 te [verstigingsplaats], tezamen en in

vereniging met anderen, meermalen, geschrift(en), - (elk) zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft

opgemaakt , immers hebben verdachte en/of haar mededader(s)

(telkens) valselijk (m.b.t. levering(en) vanuit het buitenland)

opgemaakt of doen opmaken en bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven-

- dat op die factur(en) een levering is vermeld aan [naam bedrijf], terwijl in werkelijkheid die factur(en) (m.b.t. leveringen vanuit het buitenland aan [naam bedrijf]) slechts tot doel hebben de BTW-problematiek te omzeilen en dat die levering(en) in werkelijkheid direct naar een ander land (te weten onder andere België) zijn vervoerd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

[naam bedrijf] in de periode van 25 juni 2001 tot

en met 22 november 2001 te Rotterdam, (telkens)

een ingevolge de wettelijke bepalingen inzake de rechten

bij invoer vereiste aangifte, onjuist gedaan,

door in de gedane aangifte(n) voorzien van het nummer IM 4 3631600-01-10000275 de

goederencode 0402.1019.00.0000.0000.00.00 te vermelden, terwijl dit na

onderzoek door ambtenaren van de belastingdienst/douane, district Rotterdam,

goederencode 0402.2117.00.0000.0000.00.00 diende te zijn

door in de gedane aangifte voorzien van het nummer IM 4 3631600-01-10000572 de

goederencode 0402.1019.00.0000.0000.0000 te vermelden, terwijl dit na

onderzoek door ambtenaren van de belastingdienst/douane, district Rotterdam,

goederencode 0402.2177.00.0000.0000.00.00 diende te zijn

door in de gedane aangifte voorzien van het nummer IM 4 3631600-01-10000603 de

goederencode 0402.1019.00.0000.0000.0000 te vermelden, terwijl dit na

onderzoek door ambtenaren van de belastingdienst/douane, district Rotterdam,

goederencode 0402.2117.00.0000.0000.00.00 diende te zijn

terwijl de feiten er (telkens) toe strekken dat te weinig

rechten bij invoer worden geheven.

Hetgeen onder feit 1 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van het opzettelijk vervalsen van een certificaat van oorsprong (3/D/1). Uit de overige bij de verkoop van de betreffende partij melkpoeder gevoegde documenten blijkt duidelijk dat de origine van de melkpoeder niet Nederland maar Frankrijk was, zodat hier naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake is van een vergissing.

Voorts acht de rechtbank niet bewezen het vervalsen van de facturen en de aan-en verkoopbevestigingen 3/D/6 tot en met 3/D/12 met als doel een GMP-certificering mogelijk te maken. Immers niet gebleken is dat de documenten nodig waren om een certificering te krijgen, terwijl verdachte [medeverdachte] dienaangaande ter terechtzitting heeft verklaard dat de documenten enkel tot doel hadden om een audit van het systeem mogelijk te maken en de bewijsmiddelen dat niet weerleggen.

2 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

2.1 De bewijsmiddelen.

2.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn om een verdenking als vereist in artikel 126m van het wetboek van strafvordering aan te kunnen nemen, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er op grond van het controlerapport en de fraudeaanmelding voldoende verdenking tegen verdachte om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en een beslissing als bedoeld in artikel 126m van het wetboek van strafvordering te nemen. Dat de aanvankelijke verdenking niet is neergelegd in de tenlastegelegde feiten doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

De verdediging heeft met betrekking tot feit 2 onder meer het verweer gevoerd dat de documenten 3/D/17 tot en met 3/D/21 niet valselijk zijn opgemaakt. Zij heeft daartoe –kort weergegeven- aangevoerd dat de documenten transacties betreffen die in werkelijk hebben plaatsgevonden en die ook in werkelijkheid zo zijn afgesproken, betaald en vervoerd. De documenten geven niets anders weer dan de werkelijkheid en zijn dus in geen geval valselijk opgemaakt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit de getuigenverklaringen, in het bijzonder van [getuige], en de telefoontaps tussen [medewerker], een medewerker van [naam bedrijf], en [medewerker] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het doel van het opstellen van de document 3/D/17 op de wijze zoals dat thans gebeurd is enkel tot doel had om de BTW-problematiek in Spanje te omzeilen. De rechtbank stelt deze bewijsmiddelen boven het document zoals dat door verdachte wordt gepresenteerd. De vermelding op het betreffende document dat de melkpoeder in Nederland is geleverd, acht de rechtbank dan ook vals. De door de verdediging overgelegde rittenstaten, waaruit zou moeten blijken dat de melkpoeder daadwerkelijk in Nederland is geleverd, acht de rechtbank van onvoldoende betekenis, gelet op het ontbreken van de tachograafschijven, om voornoemde getuigenverklaring en telefoontaps te kunnen weerleggen.

Uit de getuigenverklaringen, in het bijzonder van [medewerker], en de telefoontaps tussen Ton van Dongen, een medewerker van [naam bedrijf], en [medewerker] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ook het doel van het opstellen van de documenten 3/D/18 tot en met 3/D/21, op de wijze zoals dat thans is gebeurd, enkel tot doel had om de BTW-problematiek in Engeland te omzeilen. In dit verband merkt de rechtbank op dat naar haar oordeel de vier facturen die door Geest aan de FIOD zijn verstrekt ter zake van de desbetreffende leveringen bij die vier leveringen horen. De vermelding op de betreffende documenten dat de melkpoeder in Nederland is geleverd, acht de rechtbank dan ook vals.

3 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Feit 1 Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende overtredingen op:

Feit 3 Een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, driemaal gepleegd.

4 De strafbaarheid van verdachte.

Van de zijde van de verdachte is – naar de rechtbank begrijpt – primair betoogd dat het onder feit 3 tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft daartoe –kort samengevat- het volgende aangevoerd. Op het moment dat de aangiften namens [naam bedrijf] werden gedaan, was er geen sprake van het doen van onjuiste aangiften. De aangiften waren immers gebaseerd op de analyse van het Centraal Orgaan Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (hierna: het COKZ) dat de onderhavige partijen melkpoeder een vetpercentage van minder dan 1,5% hadden. Dat achteraf een andere uitslag van de douane komt, doet hier niet aan af.

Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de uitslagen van het douanelaboratorium onjuist zijn en niet die van het COKZ. Meer subsidiair doet de verdediging een beroep op afwezigheid van alle schuld en pleit voor ontslag van rechtsvervolging wegens verschoonbare dwaling omtrent de feiten.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Vaststaat dat [naam bedrijf] drie partijen melkpoeder ten invoer heeft aangeboden. Volgens de invoeraangiften betreft het melkpoeder met een vetgehalte van niet meer dan 1,5%. Monsters van die partijen melkpoeder zijn door het douanelaboratorium geanalyseerd. De uitslag van die analyse luidt dat de melkpoeder een hoger vetpercentage heeft dan de toegestane 1,5%.

Tot de gedingstukken behoren drie analyserapporten van het COKZ, waaruit kan worden opgemaakt dat de partijen melkpoeder een vetgehalte van respectievelijk 1,2%, 1,3% en 1,3% hebben. De analyses zijn in opdracht van [naam bedrijf] gemaakt. Ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat van de drie partijen waarvan de monsters door het COKZ zijn geanalyseerd in ieder geval twee monsters behoren bij de desbetreffende partijen melkpoeder. Door de rechtbank kan echter niet worden vastgesteld dat de monsterneming door de douane en door of namens [naam bedrijf] ten behoeve van het COKZ van die twee partijen op dezelfde wijze is geschied. Mitsdien kan niet worden beoordeeld of aan die monsters gelijke waarde kan worden toegekend. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen daarover duidelijkheid te verschaffen, nu in beginsel op een analyse van het COKZ, een gecertificeerd en geaccrediteerd bedrijf voor laboratoriumonderzoeken en inspectie, mag worden afgegaan bij de beoordeling van de vraag of te goeder trouw aangifte is gedaan. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden dat opzettelijk onjuiste aangiften zijn gedaan.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de analyse van het COKZ, bij verdachte ter zake van de onder feit 3 bewezenverklaarde overtreding alle schuld afwezig is, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De straffen en maatregelen.

5.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

1.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde op te leggen een geldboete van € 500.000,-.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte met als doel om de BTW-problematiek in Spanje en Engeland te omzeilen en daarmee de financiering van die BTW voor een zakenrelatie te vergemakkelijken. Verdachte heeft daartoe facturen opgemaakt ter zake van de levering van partijen melkpoeder en karnemelkpoeder in Nederland, terwijl die partijen niet als zodanig in Nederland aan de betreffende zakenrelatie zijn geleverd.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte om de afwikkeling van de BTW ten behoeve van haarzelf en haar cliënt te vergemakkelijken, transacties, waarbij het Nederlandse BTW-stelsel in het geheel niet is betrokken, toch onder dat stelsel brengt. Om dat te kunnen realiseren, zijn transportbedrijven benaderd en facturen valselijk opgemaakt. Ondanks hetgeen daarover ter terechtzitting naar voren is gebracht, plaatst de rechtbank vraagtekens bij de verantwoordelijkheid die verdachte betracht in haar bedrijfsvoering.

De belastingdienst moet – met name in het kader van de omzetbelasting – erop kunnen vertrouwen dat bij de aangiften omzetbelasting betrokken facturen correct zijn. Het omzetbelastingstelsel kan nagenoeg uitsluitend functioneren op basis van voornoemd vertrouwen en ondermijning van dit vertrouwen ondergraaft in ernstige mate het ingevoerde stelsel.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte passend is. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de draagkracht van verdachte en de omstandigheid dat verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld geweest.

6 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 51, 57, 91 en 225 van het wetboek van strafrecht.

7 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart zich bevoegd kennis te nemen van deze strafzaak.

Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in haar vordering.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Zij verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde en ontslaat haar van alle rechtsvervolging.

Zij verklaart verdachte strafbaar ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde.

Zij veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend).

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Vos en mr. Pick, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van Balkom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 oktober 2005.