Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU2759

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-09-2005
Datum publicatie
20-09-2005
Zaaknummer
AWB 05/1074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is, onder de gegeven omstandigheden, voor een herziening van de bij aangifte gekozen onderlinge verhoudingen op grond van artikel 2.17, lid 3, van de Wet IB 2001 een actieve handeling vereist. Nu eiser en haar echtgenoot bij aangifte een keuze hebben gemaakt die leidt tot een volkomen verdeling van de inkomsten uit aanmerkelijk belang en deze keuze naar het oordeel van de rechtbank nimmer expliciet is herzien, is de rechtbank van oordeel dat aan de toepassing van artikel 2.17, lid 4, ten eerste van de Wet IB 2001 niet wordt toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/55.10 met annotatie van Redactie
FutD 2005-1828
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1074

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser],

wonende

te '[woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. [V] te [B],

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder,

gemachtigde mr. [E.].

Betreft:

De uitspraak van verweerder van 24 februari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 22.689,=.

Onderzoek ter zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2005.

Partijen zijn daar verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept het primaire besluit en stelt de belastingaanslag nader vast op een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil, en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37,= vergoedt.

2. Gronden

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het inkomen uit aanmerkelijk belang terecht in het verzamelinkomen van eiser is begrepen. Eiser is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

2.2. Eiser is gehuwd geweest. Haar echtgenoot is op 29 mei 2003 overleden. Voor het jaar 2002 hebben eiser en haar echtgenoot een papieren aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ingediend. Volgens de kopieën van voornoemde papieren aangiften inkomstenbelasting 2002 is het inkomen uit aanmerkelijk belang ter hoogte van € 22.689,= volledig aangegeven in de aangifte van de echtgenoot van eiser.

2.3. De papieren aangiften zijn door de belastingdienst handmatig ingetoetst in het computersysteem. Vast staat dat bij het intoetsen van de papieren aangiften van eiser en haar echtgenoot door de belastingdienst een vergissing is gemaakt, waardoor het inkomen uit aanmerkelijk belang in het computersysteem abusievelijk in beide aangiften niet is opgenomen.

2.4. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 ten name van eisers echtgenoot is met dagtekening 18 maart 2004 opgelegd. In deze aanslag is, als gevolg van de in 2.3. vermelde intoetsfout, het inkomen uit aanmerkelijk belang abusievelijk niet opgenomen. Bij de vaststelling van de aanslag is wel rekening gehouden met een voorheffing dividendbelasting ter hoogte van € 5.736,=. Eisers echtgenoot, noch zijn erfgenamen namens hem, hebben tegen deze aanslag bezwaar aangetekend.

De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 ten name van eiser is opgelegd op 22 oktober 2004. In deze aanslag is het inkomen uit aanmerkelijk belang alsnog volledig in aanmerking genomen. Eiser is tegen deze aanslag in bezwaar gekomen, omdat zij het inkomen uit aanmerkelijk belang niet in haar aangifte had aangegeven. Vervolgens is door de belastingdienst aan eiser een brief verzonden waarin de belastingdienst aangeeft dat haar aanslag verminderd zou kunnen worden, maar dat er daarnaast een navorderingsaanslag ten name van wijlen haar echtgenoot zou moeten worden opgelegd, teneinde het inkomen uit aanmerkelijk belang volledig in de heffing te kunnen betrekken. Eiser heeft hierop gereageerd dat zij niet akkoord gaat met de navordering aangezien er geen sprake is van een nieuw feit.

2.5. Ter zitting heeft verweerder zijn primaire standpunt, namelijk dat de in geschil zijnde aanslag moet worden gehandhaafd, laten varen. Voorts heeft verweerder ter zitting zijn subsidiaire standpunt toegelicht. Verweerder is van mening dat, nu eiser geen bezwaar heeft aangetekend tegen de aan haar echtgenoot opgelegde aanslag, zij hiermee een keuzeherziening heeft gedaan als bedoeld in artikel 2.17, lid 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB2001). Verweerder is derhalve van mening dat de keuzeherziening vormvrij is en geen actieve handeling vereist.

Als gevolg van de keuzeherziening, die volgens verweerder heeft plaatsgevonden, is naar de mening van verweerder geen sprake van een volkomen verdeling en treedt artikel 2.17, lid 4, ten eerste van de Wet IB2001 in werking. Op grond van dit artikel wordt het inkomen uit aanmerkelijk belang geacht bij eiser en haar echtgenoot ieder voor de helft op te komen. Eiser heeft ter zitting verklaard dit standpunt van verweerder beslist niet te delen.

2.6. Op grond van artikel 2.17, lid 3 van de Wet IB2001 kunnen de gekozen onderlinge verhoudingen door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden herzien tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn partner onherroepelijk vaststaat. In de door eiser en haar echtgenoot ingediende aangiften is gekozen voor een onderlinge verhouding welke leidt tot een volkomen verdeling van de inkomsten uit aanmerkelijk belang. Als gevolg van een intoetsfout van de belastingdienst is deze volkomen verdeling echter niet tot stand gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is, onder voornoemde omstandigheden, voor een herziening van de bij aangifte gekozen onderlinge verhoudingen op grond van artikel 2.17, lid 3, van de Wet IB2001 een actieve handeling vereist. Nu eiser en haar echtgenoot bij aangifte een keuze hebben gemaakt die leidt tot een volkomen verdeling van de inkomsten uit aanmerkelijk belang en deze keuze naar het oordeel van de rechtbank door eiser nimmer expliciet is herzien, is de rechtbank van oordeel dat aan toepassing van artikel 2.17, lid 4, ten eerste van de Wet IB2001 niet wordt toegekomen.

2.7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, voor zover in het niet reageren van eiser op de aanslag van haar echtgenoot een herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 2.17, lid 3 van de Wet IB2001 kan worden gelezen, dit herzieningsverzoek gezamenlijk door belastingplichtige en haar partner dient te geschieden. Uit het niet reageren van de erfgenamen van eisers echtgenoot op zijn aanslag inkomstenbelasting kan naar het oordeel van het hof niet de conclusie worden getrokken dat daarmee vast is komen te staan dat eiser en haar echtgenoot een gezamenlijk verzoek tot keuzeherziening op grond van artikel 2.17, lid 3, Wet IB2001 hebben ingediend. Voorgaande zienswijze wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd nu eiser herhaaldelijk heeft aangegeven niet akkoord te gaan met de aan haar opgelegde aanslag waarin, in tegenstelling tot de door haar ingediende aangifte, 100% van het inkomen uit aanmerkelijk is begrepen. Aldus heeft de door eiser en haar echtgenoot bij aangifte gemaakte keuze geleid tot een volkomen verdeling, zodat aan artikel 2.17, lid 4, ten eerste van de Wet IB2001 niet wordt toegekomen.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,= (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.J. Kromhout. De beslissing is op 2 september 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.