Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU1705

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
30-08-2005
Zaaknummer
336961-CV-05/79
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres en gedaagde hebben een overeenkomst gesloten op basis van "no cure no pay". Gedaagde betwist thans de hoogte en de inhoud van de factuur daar die volgens haar enerzijds niet in overeenstemming is met de initiële overeenkomst en anderzijds prestaties omvat die niet gepresteerd zijn of niet gepresteerd hadden mogen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

SECTOR KANTON LOCATIE TILBURG

Kenmerk: 336961-CV-05/79

Vonnis d.d. 29 juni 2005

Typ. 555

Coll.

VONNIS inzake:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P.J. Support B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,

eisende partij bij exploot van dagvaarding d.d. 24 november 2004,

gemachtigde de heer H.W.M. Lammers, juridisch medewerker bij eiseres.

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] te [land];

gedaagde partij bij voormeld exploot,

procederende in persoon.

Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

a. de inleidende dagvaarding,

b. de conclusie van antwoord,

c. de conclusie van repliek,

d. de conclusie van dupliek.

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij overgelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. Eiseres vordert samengevat dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van €3.450,15, vermeerderd met rente en kosten.

Zij legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Eiseres is met gedaagde een opdrachtovereenkomst voor juridische bijstand aangegaan op 12 februari 2004. Partijen kwamen overeen dat eiseres door gedaagde gemachtigd zou worden, gedaagde van advies zou dienen, zonodig haar in rechte zou vertegenwoordigen en haar zou bijstaan met betrekking tot de juridische procedure strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van gedaagde met haar toenmalige werkgeefster. Gedaagde is een betalingsverplichting aangegaan voor het honorarium van eiseres, schriftelijk vastgelegd op maximaal 5 maal € 140,00 exclusief BTW en bureau kosten alsmede voor 15 procent van een eventueel door de werkgever aan gedaagde te betalen bruto ontbindingsvergoeding. Ten tijde van het afsluiten van bovengenoemde overeenkomst had de toenmalige werkgeefster reeds een verzoekschrift ingediend bij het CWI te Breda teneinde gedaagde ontslag aan te mogen zeggen.

Eiseres heeft de overeengekomen werkzaamheden verricht en gedaagde na afronding van de bedongen werkzaamheden een factuur gestuurd voor de somma van € 2927,58 inclusief BTW.

2. Gedaagde heeft, verkort weergegeven, als volgt verweer gevoerd.

Op 12 februari 2004 gaat zij een overeenkomst aan met eiseres voor juridische ondersteuning inzake de Nederlandse ontslagwetgeving. In een dergelijke relatie staat het vertrouwen tussen raadsman en cliënt centraal. Naarmate het dossier vorderde, raakte dit vertrouwen compleet zoek wat maakt dat dit dossier een totaal andere bestemming heeft gekregen en dit volledig buiten de wil van gedaagde om. Toen zij om die reden om de stopzetting van verdere handelingen verzocht, ontving zij een factuur die niet in overeenstemming is met de eerder gemaakte afspraken en prestaties omvat die niet gepresteerd zijn of niet gepresteerd hadden moeten worden.

Door eiseres zijn twee verweerschriften zijn opgemaakt. Intussen vond gedaagde een nieuwe functie die contractueel zijn aanvang zou vinden op 1 april 2004. Met deze nieuwe functie in het vooruitzicht had gedaagde alle belang bij een snelle en vlotte beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij haar toenmalige werkgeefster. Eiseres had dit steeds aangemoedigd en zou de onderhandelingen met de werkgeefster overnemen. Deze onderhandelingen hebben nooit plaatsgevonden. Eiseres heeft geen contact opgenomen met de werkgeefster hoewel dit wel in rekening wordt gebracht op de factuur. In plaats van de beloofde onderhandelingen kreeg gedaagde op 9 maart 2004 een e-mail waarin tot ondertekening verzocht werd over te gaan tot machtiging voor een rechtszaak. Deze machtiging heeft gedaagde geweigerd te ondertekenen en stelde haar in het vermoeden dat men zonder deze machtiging niet kon overgaan tot een rechtszaak ongeacht de initiële overeenkomst van 12 februari 2004. Er waren dus handelingen gesteld die niet hadden mogen plaatsvinden.

Toen eiseres er gedaagde in het eerstvolgend telefonisch gesprek van wilde overtuigen dat een ontbinding op 15 maart 2004 of zelfs op 1 april 2004 toch niet mogelijk was kreeg gedaagde argwaan. Toen haar aangeraden werd zich blijvend ziek te melden en zo zonder probleem de nieuwe functie kon aanvangen bij de nieuwe werkgever, had gedaagde niet langer het gevoel nog juridisch bijgestaan te worden. Zij had de indruk gekregen dat eiseres doelbewust aanstuurde op een harde confrontatie met haar toenmalige werkgeefster via de rechtbank, om op die manier een hoge ontslagpremie te kunnen vorderen. Op dat moment was eiseres niet langer bezig met de juridische belangen van gedaagde maar met haar financiële belangen en dit zonder rekening te houden met de wensen van gedaagde.

Op dat moment was gedaagde nog steeds niet op de hoogte dat eiseres zonder ondertekening van de machtiging, reeds op 8 maart 2004 (vóór dat haar om een machtiging is verzocht) overgegaan was tot het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Pas op 12 maart 2004 was zij voor het eerst op de hoogte van het verzoekschrift en realiseerde zij zich dat er van overleg in dit dossier geen sprake meer was. Gezien het vertrouwen dat reeds eerder beschaamd werd en ondanks herhaalde pogingen om eiseres te laten weten dat zij niet wou overgaan tot het indienen van een dergelijk verzoekschrift heeft gedaagde dat eigenhandig ingetrokken bij de rechtbank. De beëindiging van de overeenkomst is vervolgens niet betwist door eiseres en er volgde een factuur voor prestaties die echter het onbetwiste gedeelte ruimschoots overschreed.

Bij brief van 7 mei 2004 van eiseres aan gedaagde wordt verwezen naar: een vertrouwensbasis, de op 15 maart 2004 voor hem onbekende redenen van indiening eigen ontslag (ondanks verscheidene mails in bijlagen), torpedering van kansen, schade van belangen, eigenzinnig en wispelturig handelen en tal van andere verwijten; de brief eindigt met de zin: “tenslotte deel ik u mede dit schrijven als het sluitstuk van deze discussie te beschouwen en ik zal hierover met u geen verdere correspondentie meer onderhouden”. Elke mogelijke vorm van discussie werd aldus definitief afgebroken.

Gedaagde betwist de hoogte en de inhoud van de factuur daar die volgens haar enerzijds niet in overeenstemming is met de initiële overeenkomst en anderzijds prestaties omvat die niet gepresteerd zijn of niet gepresteerd hadden mogen worden, voorzover zij het onbetwiste gedeelte van € 887,15(zijnde € 140 ,= x 5 vermeerderd met 6,5 % en 19% BTW) overschrijden.

3. Eiseres heeft als volgt gerepliceerd.

De overeenkomst wordt gesloten indien cliënt via eiseres een ontslagvergoeding wil bewerkstelligen. De daadwerkelijke beloning ligt in de 15 procent van de door werkgever aan cliënt te betalen afkoopsom. Indien eiseres geen ontslagvergoeding weet te bewerkstelligen, valt dit onder het ondernemersrisico en betaalt cliënt niets. De gemachtigde van gedaagde heeft menigmaal contact met haar gehad over de te ondernemen processtappen. Daar gedaagde hem had aangegeven letterlijk "ziek te zijn” van de gehele situatie, heeft hij haar aangeraden zichzelf bij de werkgever ziek te melden, situationele arbeidsongeschiktheid. Per e-mail van 3 maart 2004 is gedaagde medegedeeld dat de gemachtigde zou proberen te onderhandelen met de werkgeefster om de ontslagvergoeding te regelen en de zaak in der minne te schikken; indien dit niet zou kunnen zou de noodzaak bestaan een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen. Daar de onderhandeling met de werkgeefster op niets uitliep heeft de gemachtigde zich gewend tot de kantonrechter met het verzoek de arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en haar werkgeefster te ontbinden.

Gedaagde heeft eigenhandig besloten om de procedure bij de kantonrechter te beëindigen geheel buiten medeweten van de gemachtigde om. Hierdoor pleegt zij wanprestatie ten opzichte van eiseres. Door het contract met eiseres op de zeggen, kan eiseres niet aan haar inspanningsverplichting voldoen en krijgt zij niet de kans om de door gedaagde gevraagde ontslagvergoeding te regelen. Dit valt niet onder het ondernemersrisico, maar is geheel te wijten aan gedaagde. Dientengevolge is het alleszins redelijk dat eiseres alle gemaakte uren aan gedaagde doorrekent. De intrekking van de procedure bij de kantonrechter was onnodig en doet niets af aan de werkzaamheden die reeds door eiseres waren verricht.

4. Gedaagde heeft nog het volgende aangevoerd.

Het afsluiten van de overeenkomst met eiseres had niet als doel een juridische procedure te ontketenen maar het ondersteunende en adviserende aspect was van primair belang. Het feit dat de ”daadwerkelijke beloning van 15 %” waarvan sprake is niet ontvangen kon worden, geeft eiseres niet het recht deze vergoeding op een ongeoorloofde manier af te dwingen. Er is nooit sprake geweest van situationele arbeidsongeschiktheid. Ook heeft gedaagde nooit aangegeven :”letterlijk ziek te zijn”van de situatie. Gedaagde heeft herhaaldelijk medegedeeld niet akkoord te kunnen gaan met het advies om twee contracten tegelijkertijd uit te voeren, enerzijds door zichzelf ziek te melden bij de toenmalige werkgeefster en anderzijds door de werkzaamheden aan te vangen bij de nieuwe werkgever. Dit was noodzakelijk voor eiseres, omdat men niet tijdig tot de ontbinding kon overgaan en alsnog een ontslagvergoeding wou bewerkstelligen.

Waar wordt gesteld dat de onderhandelingen met werkgeefster op niets uitliepen blijkt, en daartoe was reeds bij antwoord een verklaring van de betreffende werkgeefster overgelegd, dat er geen enkele onderhandeling heeft plaatsgevonden. De mail van 3 maart 2004 waarmee men het geoorloofd indienen van het verzoekschrift tracht aan te tonen, doet dan ook niet meer ter zake.

Ondanks verscheidene correspondentie, waaronder tevens overgelegde mails, blijft eiseres volharden in het feit nooit weet te hebben gehad van de wens om het dossier stop te zetten. Dit is echter duidelijk en herhaaldelijk medegedeeld. Er is dus geen sprake van wanprestatie ten opzichte van eiseres.

Gezien het voorgaande en met het oog op een probleemloze voortzetting van de professionele carrière, was het noodzakelijk de procedure bij de kantonrechter terug te trekken. Het belemmeren van inspanningsverplichtingen kan gedaagde geenszins verweten worden.

5. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.1 De overeenkomst tussen partijen als vastgelegd in het contract van 12 februari 2004 houdt de volgende opdracht in: namens gedaagde zou eiseres als gemachtigde voor gedaagde optreden in de juridische zaak tegen de werkgeefster. “Daarbij zal ik u van advies dienen en zonodig in rechte vertegenwoordigen”.

De stelling van eiseres voor zover die moet worden opgevat als zou daarin begrepen of te lezen zijn, een machtiging om een ontbindingsprocedure te starten bij de kantonrechter moet van de hand worden gewezen. Waar onweersproken is dat een afzonderlijke machtiging daartoe aan gedaagde is toegezonden, wordt dat oordeel bevestigd door de praktische gang van zaken aan de kant van eiseres. Bedacht moet worden dat de ontbindingsprocedure niet gezien kan worden als de ‘juridische zaak” waarvan sprake is nu een dergelijke procedure niet aanhangig was doch wel een verzoek tot machtiging tot opzegging bij het CWI.

5.2 Het verwijzen naar de strekking van de overeenkomst als uit te zijn op het verkrijgen van een schadevergoeding kan evenmin worden aangenomen in dit geval. Dat dit de uitsluitende strekking is van de overeenkomst wordt overigens weersproken door de eigen tekst daarvan voorzover die luidt: ”indien als gevolg van mijn inspanningen de werkgever of de rechter van mening is dat de arbeidsovereenkomst niet beëindigd kan of mag worden, bent u mij een honorarium verschuldigd, gebaseerd op het werkelijk gemaakte aantal uren in uw zaak tegen het eerder vermeld tarief”. Voorts stelt eiseres wel dat de honorariumafspraak geënt is op een ontbindingsvergoeding, maar die term komt als zodanig helemaal niet voor in de overeenkomst; daarin is sprake van een afkoopsom. Verder wordt melding gemaakt van eventuele bijkomende kosten waarbij te denken valt aan dagvaardingskosten; dit past evenmin bij het karakter van de ontbindingsprocedure.

5.3 Onderkend moet ook worden dat het beloningsbelang ook met name als strekking gezien zou kunnen worden aan de kant van eiseres. Gedaagde heeft aangegeven slechts advies te willen hebben aangezien zij geheel onbekend was met het Nederlands ontslagrecht. Het van advies dienen is ook woordelijk aangegeven in de opdrachtbevestiging en is door gedaagde ook zo opgevat.

Overigens blijkt uit de overgelegde e-mail van 3 maart 2004 van gedaagde wel dat zij ervan uitgaat dat een schadevergoeding gevraagd zou worden. Zelfs loopt zij daarin vooruit op een eventuele ontbinding van de overeenkomst waar zij aangeeft deze graag vanaf 15 maart 2004 te willen. Een opdracht tot het indienen van een procedure ter zake kan daarin echter niet gelezen worden, zeker niet nu als onderwerp van het bericht wordt aangegeven: “vooraleer te onderhandelen”.

5.4 Het was er gedaagde duidelijk om te doen onderhandelingen te voeren met haar werkgeefster. Bij repliek heeft eiseres gesteld dat de onderhandeling met werkgeefster op niets uitliep, maar deze is daarbij niet ingegaan op het verweer van gedaagde dat geen enkel contact opgenomen was met de werkgeefster. Daartoe was zelfs een schriftelijke verklaring overgelegd van die werkgeefster. Door onvoldoende weerspreking daarvan moet worden uitgegaan van het niet voldaan hebben aan een van de prestaties die in het kader van de overeenkomst van eiseres konden worden verlangd. De overeenkomst is aldus niet uitgevoerd op de manier die gedaagde mocht verwachten.

5.5 Datzelfde geldt ten aanzien van het indienen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In de brief van 17 maart 2004 schrijft eiseres aan gedaagde dat de manier waarop zij - buiten eiseres om als gemachtigde - heeft gemeend te moeten handelen in de richting van haar werkgever en de rechtbank, niet de wijze is waarop men in Nederland met een gemachtigde omgaat. Dit wordt betiteld als het eenzijdig en zonder wederzijdse instemming afwijken van de overeenkomst en van het in rekening brengen van de bestede uren. Eiseres miskent in haar stellingname echter dat zij nu juist geen gemachtigde althans niet gemachtigd was in de ontbindingsprocedure en dat nu juist zij eenzijdig en zonder wederzijdse instemming die procedure was aangevangen. Het beëindigen daarvan kan gedaagde niet worden tegengeworpen.

5.6 Het belang van gedaagde lag ook niet zozeer bij een vergoeding als wel bij het kunnen aanvangen van de nieuw gevonden dienstbetrekking. In de overeenkomst tussen partijen is daarvoor geen voorziening getroffen. Het kan niet de bedoeling zijn en niet in het belang van gedaagde geacht worden te zijn, dat gedaagde ervan afziet een vervangende arbeidsovereenkomst af te sluiten of naar vervangende arbeid te zoeken als gevolg van de overeenkomst tussen partijen.

Van een onvoorziene omstandigheid in dit verband kan bezwaarlijk tussen partijen niet gesproken worden nu eiseres vanuit haar expertise en ervaring altijd rekening dient te houden met deze mogelijkheid en gedaagde in dit geval zelf initiatieven heeft ontwikkeld om ander werk te vinden.

5.7 Er is aldus, anders dan eiseres betoogt, daarmee geen reden om af te wijken van de tekst van de overeenkomst die erin voorziet dat “indien uw werkgever u geen afkoopsom hoeft te betalen, u aan mij geen honorarium verschuldigd wordt, met uitzonderling van de eerdergenoemde 5 uur”, vermeerderd met 6,5% kantoor en administratiekosten.

Volledigheidshalve is nog op de merken dat, zoals de omstandigheden waren, de kans op een ontbindingsvergoeding gering te achten was.

5.8 De vordering is daarom slechts toewijsbaar tot het niet betwiste gedeelte daarvan. Daar gedaagde al voor aanvang van de procedure, ondermeer in de overgelegde e-mails van 12 maart 2004 en 17 maart 2004, aangaf die kosten te willen voldoen, dient eiseres als de in het ongelijk gestelde partij aangemerkt te worden en dient zij verwezen te worden in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen de somma van € 890,87, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 24 november 2004 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verwijst eiseres in de kosten van het geding en veroordeelt die partij derhalve tot betaling van deze kosten aan de zijde van de gedaagde partij gevallen, welke kosten worden vastgesteld op nihil.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter te Tilburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.