Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT9796

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
40240-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het dossier is gebleken dat [naam vreemdeling] als prostitué in Nederland seksuele handelingen met derden heeft verricht. Het escortbureau [naam escortbureau], waarvan verdachte directeur is, heeft voor deze diensten bemiddeld. Tevens is gebleken dat [naam vreemdeling] de Poolse nationaliteit bezit. Niet is gebleken dat zij met een Nederlander is gehuwd. Zoals zij zelf bij de politie heeft verklaard woont zij in Polen samen met een nederlandse man.

Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 juli 2004 te Tilburg, als werkgever een vreemdeling, te weten [naam vreemdeling], van Poolse nationaliteit, arbeid heeft laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Voorwaardelijke geldboete van € 900,=

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 40240-04

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats],

heeft de economische politierechter van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De economische politierechter heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 12 juli 2004 te Tilburg, in elk geval in Nederland, als

werkgever (een) vreemdeling(en), te weten [naam vreemdeling], van Poolse

nationaliteit, arbeid heeft laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning;

art 2 lid 1 Wet arbeid vreemdelingen

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de economische politierechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de economische politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 12 juli 2004 te Tilburg, als werkgever een vreemdeling, te weten [naam vreemdeling], van Poolse nationaliteit, arbeid heeft laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat [naam vreemdeling] geen tewerkstellingsvergunning nodig had omdat Polen op 1 mei 2004 tot de Europese Gemeenschap is toegetreden en [naam vreemdeling], getrouwd met een Nederlandse man, als zelfstandig onderneemster werkzaam was.

De economische politierechter overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier is gebleken dat [naam vreemdeling] als prostitué in Nederland seksuele handelingen met derden heeft verricht. Het escortbureau [naam escortbureau], waarvan verdachte directeur is, heeft voor deze diensten bemiddeld. Tevens is gebleken dat [naam vreemdeling] de Poolse nationaliteit bezit. Niet is gebleken dat zij met een Nederlander is gehuwd. Zoals zij zelf bij de politie heeft verklaard woont zij in Polen samen met een nederlandse man.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten.

In de eerste plaats dient bezien te worden of [naam vreemdeling] een vreemdeling is als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wav.

Een vreemdeling is – gelet op de definitie bepalingen van de Wav in samenhang met de definitie bepalingen in de Vreemdelingenwet – ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Een dergelijke gelijkstelling zou kunnen gelden voor EU-onderdanen.

Op 1 mei 2004 is onder andere Polen tot de Europese Gemeenschap toegetreden. Door deze toetreding is per 1 mei 2004 het vrije verkeer van personen van het gemeenschapsrecht van toepassing. Dat laatste echter met uitzondering van de toegang tot de arbeidsmarkt. De oorspronkelijke lidstaten kunnen de toegang tot de arbeidsmarkt blijven reguleren door middel van nationale regelingen. Ook Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Ingevolge de betreffende Akten van toetreding zijn de artikelen 1 tot en met 6 van de Verordening 1612/68/EEG niet van toepassing. In de Vreemdelingencirculaire 2000 worden in paragraaf 8 van hoofdstuk B10 de gevolgen daarvan nader uitgewerkt.

Dit betekent dat ook de uitzonderingsbepaling, zoals geformuleerd in artikel 3 lid 1 onder a van de Wet arbeid vreemdelingen, niet van toepassing is. Verwezen zij in dit verband naar paragraaf 8 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op grond hiervan is [naam vreemdeling] als vreemdeling aan te merken in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen, ook al is zij een onderdaan van de Europese Gemeenschap.

In de tweede plaats moet de vraag beantwoord worden of er sprake is van een werkgevers- werknemersrelatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a van de Wav.

Daarbij moet in het oog worden gehouden dat de wetgever een ruim werkgeversbegrip voor ogen had. Of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een gezagsverhouding is daarbij niet van belang. Immers alleen het feit dat er in opdracht van een werkgever arbeid wordt verricht is het voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende. De economische politierechter verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Voorts moet bij de toets of er sprake is van een werkgevers-werknemersrelatie worden bedacht dat er, geen tewerkstellingsvergunning wordt verleend voor het in loondienst verrichten van seksuele handelingen met derden, gelet op artikel 3 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in samenhang met artikel 2 lid 1 van de Wav.

Op grond hiervan is de economische politierechter van oordeel dat ondubbelzinnig moet vaststaan dat betrokkene als zelfstandige werkzaam is.

Uit de wijze waarop verdachte een en ander heeft geregeld zijn sterke aanwijzingen af te leiden dat hij niet als feitelijk werkgever van [naam vreemdeling] op heeft willen treden, doch alleen als bemiddelaar.

[naam vreemdeling] heeft echter niet voldaan aan de vereisten die paragraaf 3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire stelt ten aanzien van het als zelfstandige verrichten van werkzaamheden. Daarin wordt de eis gesteld dat zij moet aantonen dat zij voor het verrichten van werkzaamheden anders dan in loondienst naar Nederland is gekomen. Van verdachte mag onder die omstandigheden worden verwacht dat hij - alvorens voor haar daadwerkelijk te bemiddelen- zich er van dient te vergewissen dat zij aan die voorwaarden heeft voldaan. De economische politierechter is dan ook van oordeel dat, nu [naam vreemdeling] hier niet aan heeft voldaan, terwijl verdachte haar wel bemiddeld heeft, er sprake is van het ten dienste van een werkgever verrichten van arbeid, zodat er sprake is van feitelijk werkgeverschap van verdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de economische politierechter het aan verdachte tenlaste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Overtreding van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een geldboete van Euro 900,-.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav.

De betrokken persoon die arbeid heeft verricht was als prostitué werkzaam. In deze branche werken doorgaans kwetsbare vrouwen die een grote mate van bescherming dienen te genieten. Deze bescherming heeft de wetgever dan ook proberen te bewerkstelligen door het laten verrichten van deze werkzaamheden in loondienst, te verbieden. Verdachte heeft dit systeem doorkruist door in juridische zin als werkgever voor de betrokken persoon op te treden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de economische politierechter van oordeel dan de door de officier van justitie geëiste geldboete in beginsel recht zou doen aan de ernst van het feit. De economische politierechter acht echter redenen aanwezig om de door de officier van justitie geëiste geldboete in geheel voorwaardelijke zin op te leggen. Hiertoe overweegt de politierechter het volgende.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is verdachte in juridische zin als werkgever voor de betrokken persoon opgetreden. Dat laatste is echter niet zijn bedoeling geweest, zo blijkt uit de verklaring van verdachte op het onderzoek ter terechtzitting. Verdachte heeft hiertoe informatie ingewonnen bij de belastingdienst. Ook blijkt uit de bedrijfsvoering van verdachte dat hij tracht om de vrouwen die namens zijn escortbureau werkzaam zijn, zoveel mogelijk bescherming te bieden.

Naar het oordeel van de economische politierechter dient verdachte echter in de toekomst ervoor zorg te dragen dat hij ook in juridische zin niet meer als werkgever van de personen die voor hem werken, is aan te merken.

Gelet hierop is de economische politierechter van oordeel dat in deze zaak volstaan kan worden met een voorwaardelijke geldboete.

12 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 30 van de Wet arbeid vreemdelingen en de artikelen 1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten.

13 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de economische politierechter als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 6 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 8 vermelde strafbare feit.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 900,= (zegge: negenhonderd Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen.

Zij beveelt dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, economische politierechter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van de Weijgert en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 juli 2005.