Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT8965

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
145160 / KG ZA 05-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. De huurovereenkomst tussen partijen is ontbonden wegens de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning. De huurder heeft hoger beroep ingesteld en verlangt schorsing van de executie. De vordering wordt toegewezen omdat niet gebleken is dat de problematische situatie van de kinderen bij de kantonrechter reeds ter sprake is gekomen. De huurder heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van nieuwe feiten die na het wijzen van het vonnis bekend zijn geworden en die tot schorsing van de executie nopen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2005/165

Uitspraak

145160 / KG ZA 05-214 RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

Voorzieningenrechter

11 mei 2005

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [Woonplaats],

e i s e r e s bij dagvaarding van 19 april 2005,

procureur: mr. Ch.M.C.J. van der Sprong,

t e g e n :

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING WONENBREBURG,

gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. F.J.G.M. de Hommel.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Van der Sprong en de door haar in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. De Hommel.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting van 28 april 2005 mondeling toegelicht.

2. Het geschil.

Eiseres, verder te noemen [eiseres], vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

1. gedaagde, verder te noemen WonenBreburg, te bevelen de executie van het vonnis van de Kantonrechter te Tilburg d.d. 9 maart 2005 met onmiddellijke ingang te staken en achterwege te laten totdat in hoogste instantie is beslist op de oorspronkelijke vordering van WonenBreburg op basis van het inleidend exploit van dagvaarding d.d. 9 november 2004;

2. WonenBreburg te veroordelen in de kosten van het geding.

WonenBreburg heeft daartegen verweer gevoerd.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter te Tilburg van 9 maart 2005, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, is, onder meer, het navolgende bepaald:

(…) Voor zover daarnaast nog plaats is voor een belangenafweging dan weegt het belang van [eiseres] bij huisvesting en voortgezet gebruik niet op tegen de belangen van WonenBreburg bij onder meer voorkoming van misbruik en gevaarzetting alsmede bij handhaving van een op ontmoediging gericht beleid. Dat [eiseres] bij ontruiming in een noodsituatie zal geraken c.q. dat anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot een ander oordeel is door [eiseres] niet gesteld en ook niet gebleken.

Vorenstaande voert tot de slotsom dat nu de ontbinding en ontruiming gerechtvaardigd worden geacht de vordering behoort te worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn niet op acht dagen maar op veertien dagen zal worden gesteld.

(…)

- Voormeld vonnis is op 31 maart 2005 aan [eiseres] betekend.

- [eiseres] heeft tegen voormeld vonnis bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.

- WonenBreburg heeft de ontruiming van de woning aangezegd tegen 19 april 2005, om 9.30 uur.

- De raadsman van WonenBreburg heeft toegezegd dat WonenBreburg de executie op zal schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan en bij brief van 14 april 2004 heeft de raadsvrouwe van [eiseres] dit bevestigd aan de rechtbank.

3.2.

[eiseres] legt in de eerste plaats aan haar vordering ten grondslag dat WonenBreburg geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de voorzetting van de executie. Tegenover het belang van WonenBreburg bij tenuitvoerlegging staat het belang van de vrouw en haar kinderen om in de woning te blijven wonen. De uitkomst van deze belangenafweging noopt tot het oordeel dat ontruiming misbruik van bevoegdheid oplevert. Bovendien vreest [eiseres] door de geplande ontruiming in een noodtoestand te komen.

3.3

WonenBreburg heeft zakelijk weergegeven het verweer gevoerd dat van misbruik van bevoegdheid tot executie geen sprake is, omdat niet is voldaan aan de in de jurisprudentie gehanteerde criteria voor schorsing c.q. staking van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis.

3.4

In een executiegeschil als het onderhavige kan de Voorzieningenrechter slechts schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis bevelen als hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid. Dit zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien zich nieuwe feiten na het wijzen van het vonnis hebben voorgedaan of bekend zijn geworden, die aannemelijk maken dat aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.5

[eiseres] stelt dat er sprake is van een onjuiste uitkomst van de belangenafweging, aangezien haar belangen en de belangen van haar twee minderjarige kinderen door de ontruiming ernstig worden geschaad.

De argumenten die [eiseres] aanvoert zijn inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter waarover het gerechtshof in hoger beroep dient te oordelen. De vraag of voormelde bezwaren door het gerechtshof zullen worden gehonoreerd is een kwestie van bewijswaardering. Daarop kan in kort geding niet worden geanticipeerd. Het kort geding is niet de geëigende weg om op te komen tegen een niet-welgevallige beslissing van de kantonrechter, zulks zou een verkapt appel betekenen.

3.6

Als nieuwe feiten die aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis in de weg staan, stelt [eiseres] de negatieve en verstrekkende gevolgen die de ontruiming zal hebben voor haar twee minderjarige kinderen. Met name als gevolg van de gebeurtenissen in het verleden is stabiliteit een belangrijke factor in het leven van de kinderen, aldus [eiseres]. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij brieven van het Instituut voor maatschappelijk werk, de huisarts en basisschool Don Sarto overlegd. Deze brieven bevestigen de moeilijke situatie die de kinderen achter de rug hebben. Voorts blijkt uit deze brieven dat het, door veel extra ondersteuning, begeleiding en hulp, weer langzaam beter gaat met de kinderen. Niet is gebleken dat deze problematische situatie van de kinderen bij de kantonrechter ter sprake is gekomen en in deze kort geding procedure is de inhoud van voormelde brieven niet betwist door WonenBreburg. De Voorzieningenrechter heeft daarom ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze brieven.

[eiseres] heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van nieuwe feiten die eerst na het wijzen van het vonnis bekend zijn geworden en die tot schorsing van de executie nopen.

De Voorzieningenrechter begrijpt dat WonenBreburg er met het oog op de precedentwerking belang bij heeft om hard op te treden wanneer het gaat om hennepkwekerijen in haar woningen. Echter, in het geval van een noodsituatie dient dat belang van WonenBreburg te wijken. In het geval van [eiseres] en haar twee minderjarige kinderen acht de Voorzieningenrechter een noodsituatie voldoende aannemelijk, en de gevraagde voorzieningen dienen dus te worden toegewezen.

3.7

De Voorzieningenrechter zal de veroordeling aldus aanpassen dat zij heeft te gelden voor de periode tot het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch eindarrest heeft gewezen, omdat alsdan in hoogste feitelijke instantie alle feiten en omstandigheden, waaronder die welke in dit geding door [eiseres] zijn gepresenteerd, zijn meegewogen.

4. De kosten.

WonenBreburg dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

beveelt gedaagde de executie van het vonnis van de Kantonrechter te Tilburg

d.d. 9 maart 2005 met onmiddellijke ingang te staken en achterwege te laten totdat in hoogste feitelijke instantie een eindbeslissing is genomen op de oorspronkelijke vordering van gedaagde op basis van het inleidend exploit van dagvaarding d.d. 9 november 2004;

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1145,60, waaronder begrepen een bedrag van € 816,- aan procureurssalaris;

bepaalt, nu die wederpartij met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening

A. aan de griffier van deze rechtbank, door middel van overschrijving op bankrekening-nummer 192325779, Rabobank Nederland N.V. ten name van DS 535 Breda

- wegens het in debet gestelde deel griffierecht € 183,-

- wegens exploitkosten € 85,60

- wegens procureurssalaris € 816,-

- met welke bedragen de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 243 Rv;

B. aan eiseres het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ad € 61,-

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.G.M. Ides Peeters, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 11 mei 2005, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Theuws, waarnemend griffier.