Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT8961

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
145793/KG ZA 05-254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing lijfsdwang in verband met het niet vrijwillig nakomen van door Rechtbank opgelegde verplichting tot betaling kosten levensonderhoud aan ex-echtgenote. Eiseres is niet in staat vermogensbestanddelen van gedaagde te traceren waarop haar vordering kan worden verhaald. Zij stelt dat gijzeling het enige executiemiddel is teneinde betaling te verkrijgen. Gedaagde heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij, zo hij stelt, niet aan het vonnis van de Rechtbank kan voldoen omdat zijn recent nog uit vele miljoenen bestaande vermogen inmiddels, door buiten zijn macht liggende omstandigheden, volledig verloren is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

145793/KG ZA 05-254 RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

Voorzieningenrechter

3 juni 2005

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s bij dagvaarding van 9 mei 2005,

procureur: mr.drs. E.C.M. Wagemakers,

advocaat : mr. P.J.W.M. Sliepenbeek,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

g e d a a g d e ,

advocaat : mr. R.M.H. Wagemans.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding en de door eiseres in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Wagemans en de door gedaagde in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht.

2. Het geschil.

Eiseres, verder te noemen [eiseres], vordert als voorlopige voorziening haar verlof te verlenen de hierna nader aan te duiden beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2005 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege gedaagde, verder te noemen [gedaagde], in gijzeling te doen stellen totdat het bedrag van de achterstand tot en met mei 2005 ad € 39.000,--, alsmede alle ten deze reeds gevallen en nog te vallen kosten zullen zijn voldaan, een en ander voor de tijd van ten hoogste 12 maanden en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure alsmede van het in gijzeling doen stellen van [gedaagde].

[gedaagde] heeft daartegen verweer gevoerd.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Partijen zijn ex-echtelieden. Zij zijn op 16 december 1975 op huwelijkse voorwaarden, houdend een periodiek verrekenbeding, met elkaar gehuwd. De beschikking van 13 september 2004, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, is op 27 januari 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Schipluiden.

- [gedaagde] is tegen voormelde uitspraak in beroep gekomen, met name voor zover bij die beschikking een viertal overeenkomsten tussen partijen van 29 juni respectievelijk van 2 april 2003 werden vernietigd. [eiseres] heeft incidenteel appèl ingesteld. De mondelinge behandeling bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage dient op 24 juni 2005.

- In de periode vanaf het feitelijke uiteengaan van partijen (medio 2003) en 1 december 2004 heeft [gedaagde] maandelijks een bijdrage ("huishoudgeld") voldaan aan [eiseres] ten bedrage van (aanvankelijk) € 4.500,-- en later (vanaf maart 2004) ongeveer € 2.000,--. Ook voldeed hij tot die datum de hypotheeklasten ad € 3.000,-- per maand voor de bij [eiseres] in gebruik zijnde woning, verzekeringen, ziektekosten (tot 1 oktober 2003) en de kosten van de door [eiseres] gebruikte auto.

- [gedaagde] heeft zijn betalingen aan [eiseres] per laatstgenoemde datum stopgezet; ook is hij gestopt met betaling van de hypotheeklasten.

- Bij haar beschikking van 25 januari 2005 heeft de rechtbank Rotterdam op vordering van [eiseres], bij wege van voorlopige voorziening, bepaald dat [gedaagde] met ingang van 1 december 2004 aan [eiseres] dient te voldoen een onderhoudsbijdrage van € 6.500,-- bruto per maand.

- Voormelde beschikking is op 23 februari 2005 aan het adres van [gedaagde] betekend.

- [gedaagde] voldoet niet aan voormelde betalingsverplichting jegens [eiseres].

3.2.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] weigerachtig is en blijft om enige bijdrage aan haar (en ook aan hun 2 dochters) te voldoen en dat zij daardoor in financiële problemen geraakt. In haar visie is er geen rechtvaardiging voor de non-betaling door [gedaagde] aangezien hij over een ruim inkomen beschikt en tot voor kort een vermogen had van enkele tientallen miljoenen euro's. Desondanks is [gedaagde] ongrijpbaar voor haar, in die zin dat er op dit moment geen privé vermogensbestanddelen van [gedaagde] in zicht zijn ten aanzien waarvan zij, teneinde haar financiële nood te ledigen, executoriale maatregelen kan (doen) treffen. [gedaagde] is daarentegen wel zakelijk actief en maakt geregeld verre reizen. [eiseres] stelt zelf geen inkomen en/of vermogen te hebben en aldus, nu [gedaagde] zijn verplichtingen jegens haar niet nakomt, al langere tijd aangewezen te zijn op financiële steun van familieleden.

Ook heeft zij zich inmiddels bij de Sociale Dienst moeten melden voor ondersteuning. In de visie van [eiseres] is op dit moment het enig werkende middel om [gedaagde] tot betaling van de vastgestelde bijdrage in het levens-onderhoud te bewegen, toepassing van lijfsdwang. [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een dergelijke maatregel.

3.3.

[gedaagde] stelt dat hij in het geheel niet in staat is enige betaling aan [eiseres] te doen. Door omstandigheden buiten zijn macht is zijn gehele vermogen verloren gegaan en heeft hij thans een schuldenlast van 22 miljoen euro. Ook beschikt hij thans niet meer over inkomsten aangezien hij heeft moeten toegeven aan de drang van de zijde van zijn voormalig werkgever Wagner & Partners om per 1 oktober 2004 uit dienst te treden van Wanu Beheer BV naar aanleiding van het financiële debacle dat, door toedoen van derden, is ontstaan rondom het zogeheten Vastgoed Mixfonds. [gedaagde] stelt thans te leven van de inkomsten van zijn partner en de steun van haar familie.

[gedaagde] stelt voorts dat [eiseres] de thans ontstane situatie aan zichzelf te wijten heeft aangezien zij, uitdrukkelijke waarschuwingen ten spijt, medio september 2004 heeft geweigerd een minnelijk (en gegeven de omstandigheden: vorstelijk) voorstel van hem te accepteren waarbij haar de garantie werd gegeven dat zij gedurende 12 jaar maandelijks een bedrag van € 4500,-- zou ontvangen. Door haar weigering én haar (proces)houding in de periode na oktober 2004, heeft [eiseres] zelf de kans op ontvangst van levensonderhoud voorbij laten gaan.

3.4.

In deze procedure staat vast dat [gedaagde] vanaf 1 december 2004 niet meer vrijwillig heeft voldaan, ook niet gedeeltelijk, aan zijn onderhoudsplicht jegens [eiseres], zoals de rechtbank Rotterdam die bij haar beschikking van 25 januari 2005 heeft opgelegd.

3.5.

Voorop moet worden gesteld dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank Rotterdam [gedaagde] veroordeeld om met ingang van 1 december 2004 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan [eiseres] te verstrekken van € 6.500,-- per maand. Dat de rechtbank, zoals uit de uitspraak blijkt, geen diepgaand onderzoek heeft kunnen doen naar de werkelijke financiële draagkracht van [gedaagde], doet daaraan niet af.

Uit de aard van de zaak vloeit voort dat [eiseres] belang heeft bij een onmiddellijke voorziening bij voorraad, nu gesteld noch gebleken is dat haar behoeftigheid geheel of gedeeltelijk zou zijn verminderd.

3.6.

Nu gebleken is dat [gedaagde] niet vrijwillig aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam zal voldoen en voorts aannemelijk is dat er geen vermogensbestand-delen door [eiseres] kunnen worden getraceerd waarop zij zich kan verhalen, vormt gijzeling nog het enige executiemiddel dat [eiseres] ten dienste staat.

3.7.

Gijzeling is in beginsel toewijsbaar, tenzij aannemelijk zou zijn dat [gedaagde], zoals hij betoogt, niet in staat is om aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam te voldoen.

3.8.

[gedaagde] stelt dat hij thans in het geheel geen vermogen meer heeft (sterker, zijn vermogen zou zelfs 22 miljoen negatief zijn) en dat hij ook niet beschikt over enige vorm van inkomen.

Waar, naar uit de stukken blijkt en ook onweersproken is gebleven, [gedaagde] nog zeer onlangs beschikte over een vermogen van tientallen miljoenen euro's, hij nog recent een vordering op de voetbalclub Fortuna Sittard ten bedrage van 8 miljoen euro heeft kwijtgescholden, hij recentelijk gedurende enige tijd de salariskosten van spelers van voormelde betaald voetbalorganisatie uit privémiddelen heeft voldaan en hij blijkens de correspondentie met Wagner & Partners in het kader van de beëindiging van zijn dienstverband met Wanu Beheer BV (waaraan hij een inkomen ontleende van ruim € 47.000,-- per maand) een vertrekvergoeding heeft ontvangen ten bedrage van € 236.345,--, mag van [gedaagde] worden verwacht dat hij - ook binnen het bestek van deze kort gedingprocedure - met justificatoire stukken aannemelijk maakt dat hij geen enkel bezit of inkomen meer heeft waarmee hij aan zijn onderhoudsverplichting jegens [eiseres] kan voldoen. Dit klemt temeer nu het omvangrijke vermogen van [gedaagde] werd gevormd door (directe en indirecte) belangen in een groot aantal onderling gelieerde vennootschappen en [gedaagde] stelt dat het merendeel van die vennootschappen onder druk van schuldeisers (banken) is geliquideerd. [gedaagde] heeft zijn verweer echter op geen enkele wijze gestaafd. Hij is blijven steken in nagenoeg blote beweringen dat hij niet aan zijn onderhoudsverplichting kan voldoen. De door [gedaagde] in het geding gebrachte brief van de Belastingdienst van 27 april 2005 is in dat opzicht volstrekt ontoereikend. Uit die brief blijkt niet meer dan dat [gedaagde] zich ook ten opzichte van de Belastingdienst op betalingsonmacht beroept. Een bevestiging van het mogelijk bestaan van betalingsonmacht valt uit die brief geenszins af te leiden.

3.9.

In het licht van de onder 3.8. genoemde omstandigheden acht de voorzieningen-rechter het aannemelijk dat [gedaagde] de door de rechtbank Rotterdam opgelegde bijdrage ter zake van levensonderhoud wel kàn doch niet wìl betalen.

In overeenstemming met de wettelijke bepalingen omtrent lijfsdwang in zaken betreffende levensonderhoud, zal [eiseres] daarom verlof worden verleend tot tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam door middel

van lijfsdwang.

Waar [gedaagde] er, zoals hiervoor overwogen, niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij niet in staat is te voldoen aan zijn verplichtingen jegens [eiseres], behoeft het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] de thans ontstane situatie aan

zichzelf heeft te wijten - voor welk verwijt ook geen althans vrijwel geen onderbouwing is gegeven - geen nadere bespreking meer.

4. De kosten.

De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om, hoewel partijen voormalige echtgenoten zijn, te bepalen dat [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure zal dienen te dragen. Datzelfde geldt voor de kosten die verbonden zullen zijn aan de tenuitvoerlegging van de lijfsdwang.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

verleent [eiseres] verlof om de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2005 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege [gedaagde] in gijzeling te doen stellen totdat het bedrag van de achterstand in de betaling van het aan haar ([eiseres]) toekomende levensonderhoud, alsmede alle ten deze reeds gevallen en nog te vallen kosten, zullen zijn voldaan, met dien verstande dat die gijzeling ten hoogste 12 maanden zal duren;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, voor zover aan de zijde van [eiseres] gevallen tot op heden begroot op € 1.145,60, waaronder begrepen een bedrag van € 816,00 aan procureurssalaris;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten die verband zullen houden met de tenuitvoerlegging van de lijfsdwang;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.G.M. Ides Peeters, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 3 juni 2005, in tegenwoordigheid van J.A.J. van den Boom, waarnemend griffier.