Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT8545

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
01-07-2005
Zaaknummer
05 / 1458 BESLU VV, 05 / 1460 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen uitsluitend gebaseerd op § 10.2.2 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000. Daar is bepaald dat gebruik van psychostimulantia iemand ongeschikt maakt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Ook na de wijziging van de Regeling per 14-3-04 bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ruimte om rekening te houden met individuele factoren. In de inleidende § 10.1 is opgenomen dat voor de beoordeling ook van belang is te weten in hoeverre degene die een rijbewijs aanvraagt gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardig-heid nadelig kunnen beïnvloeden. De zinssneden “in hoeverre” en “kunnen” betekenen dat van belang is om te kijken naar de mate waarin gebruik wordt gemaakt van deze middelen en het effect van deze dosering op de rijvaardigheid van de persoon in kwestie, voor wat betreft de rijvaardigheid. Het enkele feit dàt iemand dergelijke medicijnen gebruikt, is daarom onvoldoende om te besluiten tot ongeschiktheid. De mogelijke discrepantie tussen de para-grafen 10.1 en 10.2.2 was er ook vóór de wijziging van maart 2004. Het gewijzigde hoofdstuk 10 is dan ook geen reden anders te oordelen dan de AbRS in de uitspraken van 27-8-03 (LJN: AI1464) en 10-4-02 (LJN: AE1241) deed.

Wetsverwijzingen
Reglement rijbewijzen
Reglement rijbewijzen 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05 / 1458 BESLU VV RECHTBANK BREDA

05 / 1460 BESLU Sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

in de zaak van

[Verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde mr. J.A. Wols,

en

de algemeen directeur van de stichting Centraal Bureau

Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

1. Het procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 maart 2005 (bestreden besluit), inzake de weigering tot afgifte van een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B. Tevens heeft zij op 11 mei 2005 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 juni 2005, waarbij aanwezig waren verzoekster en haar gemachtigde en namens verweerder S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voor-zieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft op 7 december 2004 een aanvraagformulier ter verkrijging van een Verklaring van geschiktheid voor de categorie B bij verweerder ingediend. Op dat formulier is onder meer aangegeven dat verzoekster in verband met narcolepsie het middel Modiodal gebruikt.

Vervolgens achtte verweerder een nader onderzoek door een specialist noodzakelijk, welk onderzoek heeft plaatsgevonden door zenuwarts C.A.E.H. van Oorschot. Zij heeft op 31 december 2004 aan verweerder geadviseerd om verzoekster onbeperkt goed te keuren voor rijbewijzen van groep I en ongeschikt te achten voor rijbewijzen van groep II.

Bij besluit van 17 januari 2005 (het primaire besluit) heeft verweerder niettemin een Verklaring van geschiktheid geweigerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekster hiertegen ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat bij verzoekster sprake is van toepasselijkheid van § 10.2.2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Regeling) nu zij psychostimulantia gebruikt, te weten Modiodal. Gelet op het bepaalde in deze paragraaf dient verzoekster ongeschikt te wor-den geacht voor alle categorieën. De hierbij aangegeven uitzondering is bij verzoekster niet aan de orde. Voorts is overwogen dat de omstandigheid dat de keurend arts concludeert dat verzoek-ster geschikt kan worden geacht, niet kan leiden tot een ander oordeel hieromtrent. Het oordeel of een aanvrager van een Verklaring van geschiktheid al dan niet geschikt is om motorrijtuigen te besturen is voorbehouden aan het CBR, dat zich bij haar oordeelsvorming moet houden aan het, door de Minister van Verkeer en Waterstaat, bepaalde in de Regeling. Verweerder heeft aangege-ven dat na wijziging van de Regeling in maart 2004 de door verzoekster aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 27 augustus 2003 inzake een individuele beoordeling niet meer opgaat.

2.2 Verzoekster heeft – samengevat – aangevoerd dat het recht op een keuring veronderstelt en de verwachting wekt dat in individuele gevallen op medische indicatie van de Regeling kan wor-den afgeweken. Naar de mening van verzoekster heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd het voor haar positieve advies van de zenuwarts, dat overeenstemt met het oordeel van behandelend arts prof. Groen, terzijde geschoven. Volgens verzoekster kan ver-weerder niet zonder meer voor-bijgaan aan de constatering van twee deskundigen dat Modiodal in deze bijzondere situatie de rijvaardigheid niet negatief zal beïnvloeden. Zij meent dat op grond van genoemde uitspraak van de AbRS ook in haar situatie afwijking van de al-gemene regel gerechtvaardigd is. Tevens heeft zij verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 10 april 2002. Zij is van mening dat de Regeling nog steeds ruimte laat voor een indi-viduele beoordeling. Zij heeft betoogd dat de Regeling geen grond biedt voor de veronderstelling dat gebruik van psychostimulantia bij ADHD de enige uitzondering is; de uitzondering vloeit immers voort uit specifiek onderzoek naar ADHD, andere mogelijke uitzonderingen zijn niet bekeken maar ook niet uitgesloten. De opstelling van het CBR heeft de ongewenste uitwer-king dat zij gedwongen wordt het gebruik van Modiodal te stoppen, terwijl is vastgesteld dat zij juist door het gebruik hiervan goed in het verkeer kan functioneren, aldus verzoekster. Daarbij geeft de bijsluiter van het middel Modiodal aan dat geen beperking in rijvaardigheid te verwachten is en is het doosje ook niet voorzien van een waarschuwingssticker.

Verzoekster heeft aangegeven dat zij groot belang heeft bij een rijbewijs. Zij volgt de opleiding voor grafisch ontwerper en zal binnenkort te maken krijgen met stageopdrachten, waarvoor zij een rijbewijs nodig heeft. Tevens heeft zij het rijbewijs nodig voor haar sociale contacten. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij inmiddels dure rijlessen heeft gevolgd. Het afwachten van een uit-spraak in de bodemzaak zou tot gevolg hebben dat de thans aanwezige kennis zal wegzakken en zij weer van voor af aan moet beginnen. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen althans een zodanige voorziening te treffen als hij juist acht.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voor-zieningenrechter van de recht-bank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddel-lijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

2.4 Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (Reglement), worden Verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschikt-heid tot het be-sturen van motorrijtui-gen zijn neergelegd in de bijlage die behoort bij (artikel 2 van) eerdergenoemde Regeling. Hoofdstuk 10 van die bijlage handelt over geneesmiddelen.

In § 10.1 (“Inleiding”) is bepaald dat voor de beoordeling van de geschiktheid het ook van belang is te weten in hoeverre degene die een rijbewijs aanvraagt gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden. Uit verschillende onderzoeken en publicaties komt naar voren dat bepaalde geneesmiddelen een nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid. Dit geldt met name voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel.

In § 10.2 (“Geneesmiddelen die de werking van het centrale zenuwstelsel beïnvloeden”) is onder 10.2.2 (“Psychostimulantia”) bepaald dat gebruik van deze middelen iemand ongeschikt maakt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Een uitzondering is mogelijk voor zover psycho-stimulantia gebruikt worden voor de behandeling van ADHD bij volwassenen.

2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat het middel dat verzoekster gebruikt, Modiodal, valt in de categorie psychostimulantia. Dit is de voorzieningenrechter genoegzaam gebleken uit het namens verweerder ter zitting aangehaalde en overgelegde uittreksel van het Farmacotherapeu-tisch Kompas van het College voor zorgverzekeringen. Verzoekster gebruikt dit middel ter behandeling van narcolepsie.

Uit voornoemde uitspraken van de AbRS van 10 april 2002 (nr. 200104466/1) en 27 augustus 2003 (nr. 200300378/1) volgt, dat onder de Regeling zoals die destijds gold er een zekere ruimte was om bij de beoordeling van de rijge-schiktheid van personen die psychostimulantia gebruiken, rekening te houden met individuele factoren.

Vergelijking van de tekst van § 10.2.2 zoals die tot en sinds 14 maart 2004 luidt, laat zien dat deze vóór de wijziging al net zo stellig was als nu. Ook voorheen was in de betreffende paragraaf opgenomen dat behandeling met psychostimulantia iemand ongeschikt maakt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Voorts is in de huidige tekst van de inleidende § 10.1 opgenomen dat het voor de beoordeling van de geschiktheid ook van belang is te weten in hoeverre degene die een rijbewijs aanvraagt gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardig-heid nadelig kunnen beïnvloeden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de zinssneden “in hoeverre” en “kunnen” in deze context bezien geen andere betekenis kunnen hebben dan dat van belang is om te kijken naar de mate waarin gebruik wordt gemaakt van deze middelen en het effect van deze dosering op de persoon in kwestie, voor wat betreft de rijvaardigheid. Het enkele feit dàt een persoon dergelijke medicijnen gebruikt, is daarom onvoldoende om te besluiten tot ongeschiktheid.

De voorzieningenrechter constateert een mogelijke discrepantie tussen de para-grafen 10.1 en 10.2.2, maar deze was er ook reeds vóór de wijziging van maart 2004. De voorzieningenrechter ziet in de gewijzigde Regeling dan ook geen reden om thans anders te oordelen dan de AbRS in de eerder vermelde uitspraken heeft gedaan. Naar het oordeel van de voorzienin-genrechter bestaat er in het onderhavige geval evenzeer een zekere ruimte om rekening te houden met individuele factoren. Het gebruik van het middel Modiodal op zich, ook al valt dat middel binnen de categorie psychostimulantia, maakt niet dat verzoekster zonder meer ongeschikt dient te worden geacht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmer-king dat met de wijziging van de Regeling een versoepeling is beoogd van de geschiktheidseisen voor mensen die lijden aan ADHD, zo blijkt ook uit de door de Minister gegeven toelichting bij de wijziging. Het in dat kader uitgebrachte advies was derhalve niet gericht op (het verzwaren van) de geschiktheidseisen voor personen met narcolepsie die in verband daarmede medicijnen gebruiken die behoren tot de categorie psychostimulantia.

Verweerder heeft de weigering om een Verklaring van geschiktheid aan verzoekster af te geven uitsluitend gebaseerd op de tekst van § 10.2.2 van de bijlage bij de Regeling. Een op de specifie-ke omstandigheden van dit geval toegespitste beoordeling van de situatie van verzoekster en een daaruit voortvloeiende onderbouwing van de afwijking van het - op verzoek van verweerder uitgebrachte - advies van de keurend arts, is niet gegeven. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de benadering van verweerder is gebaseerd op een onjuiste uitleg van de Regeling en dat het bestreden besluit daardoor een deugdelijke motivering ontbeert. Het be-streden besluit dient derhalve te worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht

2.6 Gezien de vernietiging van het bestreden besluit, behoeft het verzoek om schorsing van dat besluit geen nadere bespreking meer. Voorts strekt het naar het oordeel van de voorzieningen-rechter te ver om een andersluidende voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorzie-ning zal dan ook worden afgewezen.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht in die zaak aan verzoekster te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekster, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

gelast dat de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 138,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,00, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.J. Bakx, rechter, en in aanwezigheid van C.J.M. van der Veeken, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2005.

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij op het beroep is beslist, kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op 30 juni 2005