Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT8231

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
02/800387-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De oplegging van een ISD-maatregel dient als veroordeling te worden beschouwd, zodat oplegging van een schademaatregel mogelijk is. Bewijsoverweging: geen eigendom, doch toebehoren in geval van twee (uit een auto) weggenomen tassen van een man en zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/800387-05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [geboertedatum en [woonplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te Breda, Huis van Bewaring ‘De Boschpoort’,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Goirle.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

feit 1.

primair.

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een personenauto (Renault Espace) heeft weggenomen

een tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slach[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

subsidiair.

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Tilburg, in elk geval in Nederland, een

tankpas (op naam van [slach[slachtoffer]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die tankpas wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

feit 2.

primair.

hij op of omstreeks 22 maart 2005 te Goirle tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een personenauto (Misubishi) heeft weggenomen

twee tassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtof[slachtoffer]] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

subsidiair.

hij in de periode van 22 maart 2005 tot en met 24 maart 2005 te Goirle en/of

Tilburg, in elk geval in Nederland, twee bankpasjes (op naam van [slachtoff[slachtoffer])

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bankpasjes

wist, althans redelijkerswijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1.

primair.

op 24 maart 2005 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een personenauto (Renault Espace) heeft weggenomen

een tas (met inhoud), toebehorende

aan [slach[slachtoffer], waarbij verdachte en/of zijn mededader weg te

nemen goed(eren) onder hun bereik hebben gebracht door middel van

braak

feit 2.

primair.

op 22 maart 2005 te Goirle met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een personenauto (Misubishi) heeft weggenomen

twee tassen toebehorende aan [slachtof[slachtoffer]] waarbij verdachte de weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Ten aanzien van feit 2 primair acht de rechtbank bewezen dat de twee weggenomen tassen aan de heer [slachtoff[slachtoffer] toebehoren. Weliswaar blijkt uit de aangifte dat de ene tas eigendom is van de heer [slachtoffer] en de andere tas eigendom is van de echtgenote van de heer [slachtoffer], maar het civielrechtelijke eigendom hoeft niet gelijk te zijn aan het toebehoren in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft met betrekking tot het toebehoren in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat de beide tassen op het tijdstip van de diefstal in de auto van de heer [slachtoffer] lagen en hij op dat moment de zeggenschap had over deze tassen, nu zijn vrouw, blijkens de aangifte, niet op de plaats delict is geweest.

8.2 De bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 primair:

De bekennende verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2005 en afgelegd bij de politie (pagina 37 van het eind-proces-verbaal) en de aangifte van [slach[slachtoffer] (pagina 29 van het eind proces-verbaal ). De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2 primair:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de maatregel.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de maatregel.

Verdachte heeft zich op 22 en 24 maart 2005 schuldig gemaakt aan twee auto-inbraken.

Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest. Niet alleen werden uit die auto's tassen (met inhoud) weggenomen, maar daarbij werden die auto's ook beschadigd doordat er ruiten werden ingeslagen. Dit heeft voor de slachtoffers tot gevolg gehad dat zij van deze feiten veel ergernis en ongemak hebben ondervonden.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde op te leggen de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.

De rechtbank is op grond van de bevindingen van de Reclassering Nederland, rapportdatum 7 juni 2005, van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers de op 22 en 24 maart 2005 door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De nieuwe feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er moet voorts ernstig rekening mede worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank acht een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na zes maanden geboden.

Aan verdachte wordt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Deze oplegging dient als een veroordeling te worden beschouwd, waardoor oplegging van de schademaatregel, die slechts kan worden opgelegd in geval van een veroordeling, mogelijk is.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [slach[slachtoffer] heeft materiële schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 483,20 terzake van hetgeen onder feit 1 primair is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Daarom kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd onder 1 primair, is toegebracht.

De benadeelde partij [slachtoff[slachtoffer] heeft materiële schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 1.904,33 terzake van hetgeen onder feit 2 primair is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 primair bewezen verklaarde rechtstreekse schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 1.104,33. Daarom kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen. Het overige gedeelte van deze vordering, bestaande uit de opgegeven valuta ad € 800,00, is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding, nu onvoldoende aannemelijk is dat dat bedrag is weggenomen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd onder 2 primair, is toegebracht.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38s, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7. is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9. vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de termijn van twee jaar.

Zij gelast een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na zes maanden.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [slach[slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 483,20 (zegge: vierhonderd drieëntachtig euro en twintig eurocent), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan. (BP.20)

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 483,20 (zegge: vierhonderd drieëntachtig euro en twintig eurocent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoff[slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.104,33 (zegge: eenduizend eenhonderd vier euro en drieëndertig eurocent), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij bepaalt dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. (BP.10)

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.104,33 (zegge: eenduizend eenhonderd vier euro en drieëndertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen ter zake van rechtsbijstand hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is -ewezen door mr. Sutorius-Van Hees, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roebroeks en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 juni 2005, zijnde mr. Sutorius-Van Hees en mr. Breeman buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.