Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT8229

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-06-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
02/800399-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van de officier van justitie: De raadsman heeft aan het vermeende verzuim geen conclusie verbonden. Het aangevoerde leidt derhalve niet tot één van de rechtsgevolgen, zoals bedoeld in artikel 359a WvSv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/800399-05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[naam verdachte],

geboren [geboortedatum en[woonplaats],

wonende [woonplaats],

thans gedetineerd te Vught, Nieuw Vosseveld 2 Huis van Bewaring Regulier,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. J.H.P.M. Verhagen, advocaat te Breda.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

feit 1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 maart

2005 te Breda opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer

gebruikershoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(OW 2 B/C)

art 2 ahf/ond B Opiumwet

feit 2.

hij op of omstreeks 29 maart 2005 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 251 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(OW 2ahf/onder C)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat met betrekking tot de doorzoeking van verdachte’s woning bij de verbalisanten geen sprake kon zijn geweest van een redelijkerwijs vermoeden dat een wapen aanwezig zou zijn, nu op basis van slechts één enkele aanwijzing van een rancuneuze ex-vriendin over een wapen in verdachte’s woning de politie de woning is binnengetreden en er uiteindelijk geen wapen is aangetroffen. Volgens de raadsman is hierbij mogelijk een schending van het beginsel van verbod van détournement de pouvoir aan de orde.

De raadsman heeft aan het vermeende verzuim geen conclusie verbonden en het aangevoerde kan alleen daarom reeds niet leiden tot één van de in artikel 359a Wetboek van Strafvordering bedoelde rechtsgevolgen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verbalisanten op 29 maart 2005 naar haar oordeel rechtmatig gebruik hebben gemaakt van de last tot binnentreden in de woning van verdachte. Immers de ex-vriendin van verdachte, [aangeefster], heeft in haar aangifte d.d. 27 januari 2005 specifiek en zeer gedetailleerd verklaard over een wapen dat onder een drempel van een deur in verdachte’s woning bewaard zou worden. Naar aanleiding van deze informatie is de last tot binnentreden verleend en zijn de verbalisanten de woning binnengetreden en op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie gaan doorzoeken, alwaar bij toeval onder een dorpel bolletjes cocaïne zijn aangetroffen. Daarnaast heeft verdachte, nadat verbalisanten rechtmatig waren binnengetreden, voor de doorzoeking schriftelijk toestemming gegeven. Ofschoon verdachte tijdens de terechtzitting op de door hem gegeven toestemming is teruggekomen, houdt de rechtbank hem aan de verklaringen afgelegd bij de politie (dossierpagina’s 10 en 17) en hecht zij geen waarde aan de verklaringen welke hieromtrent ter terechtzitting zijn gedaan.

De officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 maart

2005 te Breda opzettelijk heeft verkocht gebruikershoeveelheden, van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I

feit 2.

op 29 maart 2005 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 251 gram, van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft zich in periode van 1 januari 2004 tot en met 29 maart 2005 schuldig gemaakt aan de verkoop van gebruikershoeveelheden cocaïne. Op 29 maart 2005 is door de politie in de woning van verdachte 251 gram cocaïne aangetroffen.

Door de verkoop van harddrugs is verdachte naar het oordeel van de rechtbank mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die door de handel in- en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder is veroordeeld terzake van opiumdelicten.

De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van enige duur noodzakelijk is. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen de straffen die voor soortgelijke delicten doorgaans worden opgelegd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal dan ook verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

12.1 De overwegingen omtrent de verbeurdverklaring.

De volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring:

1 stuk mobiele telefoon, kleur rood

Nokia

telefoon stond nog aan

1 stuk mobiele telefoon, kleur zilver

Samsung

telefoon stond uitgeschakeld

geld euro's

48*5, 126*10, 104*20, 34*50, 5*100, 1*200 euro biljetten

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de bewezen verklaarde feiten

zijn begaan met behulp van de mobiele telefoons. De bankbiljetten zijn geheel of grotendeels door middel van de bewezen verklaarde feiten verkregen, gezien de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde naast de handel in drugs geen andere bron van inkomsten had.

12.2 De overwegingen omtrent de teruggave aan de rechthebbende.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de ex-vriendin van verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:

1 stuk mobiele telefoon, kleur grijs

Alcatel

telefoon stond uit, losse accu en deksel inclusief

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7. is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9. vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij verklaart verbeurd de onder 12.1 omschreven voorwerpen.

Zij gelast de teruggave van het onder 12.2 omschreven voorwerp aan de ex-vriendin van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Sutorius-Van Hees, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roebroeks en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 juni 2005, zijnde mr. Breeman buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.