Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT7847

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-05-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
077589/04 + 016774/00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in haar vordering tot omzetting van een alternatieve straf en de vordering tenuitvoerlegging naar eerdere voorwaardelijke veroordeling, nu naar het oordeel van de kinderrechter het veroordelend vonnis, omdat gelet op de betekeningsvoorschriften in de artikelen 366 en 366a Sv dit verstekvonnis in persoon aan verdachte diende te worden betekend, eerst op 2 juli 2003, en niet zoals de raadsman stelt op 19 juli 2001 -14 dagen nadat de uitspraak aan de veroordeelde deels bekend was geworden-, in kracht van gewijsde is gegaan. Evenmin is er sprake van verjaring van executie omdat deze materie is geregeld in artikel 77d Sr en derhalve in casu de executie verjaart na ommekomst van 8 jaren, aan te vangen op 2 juli 2003. De opmerkingen van de kinderrechter in haar uitspraak dat de alternatieve straf binnen een 1 jaar na aanvang binnen 4 maanden dient te zijn voltooid, is niet aan te merken als een verjaringstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 077589/04 + 016774/00

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder het eerste vermelde parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda alsmede in de zaak onder parketnummer 016774/00 met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling en de vordering tot omzetting van een alternatieve sanctie en tenuitvoerlegging, tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres],

heeft de kinderrechter het volgende vonnis gewezen.

De kinderrechter heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting met gesloten deuren. Hij heeft de vorderingen van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

zij op of omstreeks 12 november 2004, te Tilburg (Heuvelstraat), tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening (uit een tas) heeft weggenomen een portemonnee,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte en/of haar

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

zij op of omstreeks 12 november 2004, te Tilburg, ter uitvoering van het door

haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in een aan de Heuvelstraat gelegen winkel/pand (Blokker) (uit een

tas) weg te nemen een portemonnee, in elk geval een goed van haar/hun gading,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan haar, verdachte en/of haar mededader(s), samen met

die ander of anderen, althans alleen, een portemonnee, in elk geval enig goed,

(uit die tas) heeft gepakt en/of gegrepen en/of (vervolgens) met die

portemonnee/dat goed die winkel/dat pand is uitgerend/heeft verlaten, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Tweede subsidiair:

zij op of omstreeks 12 november 2004, te Tilburg, in elk geval in Nederland,

een portemonnee heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl zij, verdachte, ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die portemonnee wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de kinderrechter.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie in haar vordering tot omzetting van een alternatieve straf en de vordering tenuitvoerlegging naar eerdere voorwaardelijke veroordeling niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Tot beide straffen is de verdachte door de kinderrechter op 19 april 2001 bij verstek veroordeeld.

Samengevat weergegeven betoogt de raadsman dat dit vonnis op 19 juli 2001 onherroepelijk is geworden, zodat de executie binnen 1 jaar nadien had dienen aan te vangen. Uiterlijk na verloop van 3 maanden nadien had het Openbaar Ministerie omzetting ter terechtzitting dienen te vorderen. Nu dit niet is geschied, kan het Openbaar Ministerie thans niet in de vordering worden ontvangen. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de vordering tot tenuitvoerlegging naar eerdere voorwaardelijke veroordeling, zo begrijpt de kinderrechter de

raadsman: de proeftijd is geëindigd 2 jaar na 19 juli 2001, derhalve op 19 juli 2003; de vermeende strafbare feiten zijn gepleegd op 12 november 2004, zodat bij bewezenverklaring van die feiten, de algemene voorwaarde zou zijn overtreden na verloop van de proeftijd.

De kinderrechter overweegt hieromtrent het navolgende.

Bij vonnis van de kinderrechter van 19 april 2001 is verdachte veroordeeld tot 120 uur onbetaalde arbeid ten algemene nutte en 2 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door of namens de jeugdreclassering. Gelet op de betekeningsvoorschriften in de artikelen 366 en 366a Sv diende dit vonnis in persoon aan verdachte te worden betekend. Getracht is dit vonnis aan verdachte te betekenen op 9 juni 2001, maar blijkens de akte heeft men toen de uitspraak niet kunnen uitreiken. Betekening geschiedde uiteindelijk in persoon op 20 maart 2003. Hierop heeft verdachte appel tegen dat vonnis ingesteld waarop zij bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 2 juli 2003 niet ontvankelijk is verklaard. Het Hof overwoog daarbij dat het veroordelend vonnis reeds op 4 juli 2001 aan verdachte bekend was geworden toen een medewerker van het bureau Taakstraffen haar mededeelde dat haar 120 uur taakstraf was opgelegd.

De kinderrechter gaat er daarom van uit dat het vonnis van 19 april 2001 eerst op 2 juli 2003 in kracht van gewijsde is gegaan en voor executie vatbaar is geworden. Dat de verdachte op 4 juli 2001 door een medewerker van het bureau Taakstraffen van de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte is gesteld van een deel van deze veroordeling, maakt dit naar het oordeel van de kinderrechter niet anders.

Het voorgaande brengt mede dat, zoals in het veroordelend vonnis van de kinderrechter is opgenomen, de alternatieve straf binnen een periode van een jaar na 4 maanden na onherroepelijk worden van het vonnis moet zijn verricht, derhalve op 2 november 2004. Bij brief van 17 december 2003 heeft de officier van justitie deze termijn verlengd tot 17 december 2004.

Omdat de inleidende dagvaarding is gedateerd op 5 december 2000 is, gelet op de overgangsbepalingen, het recht van toepassing is zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 september 2000 waarbij de regeling omtrent taakstraffen is gewijzigd (Staatsblad 2000, nr. 365). Derhalve geldt dat binnen 3 maanden na afloop van deze termijn waarbinnen de taakstraf dient te zijn verricht, het Openbaar Ministerie omzetting op voet van artikel 77q (oud) Sv kan vorderen. Ten aanzien van de proeftijd geldt dat deze is aangevangen op 2 juli 2003 en eindigt op 2 juli 2005.

De vorderingen tot omzetting en tenuitvoerlegging zijn respectievelijk op 29 november 2004 en derhalve binnen 3 maanden na afloop van de hiervoor genoemde termijn, en op 3 maart 2005 en derhalve binnen de proeftijd, gedaan.

Het verweer van de raadsman dient derhalve te worden verworpen.

Voor zover de raadsman of verdachte hebben willen betogen dat de executie van de taakstraf door verjaring is vervallen, merkt de kinderrechter nog op dat verjaring op dit punt geregeld is in artikel 77d Sr waarin de termijn voor vervolging, waaraan de termijn voor executieverjaring is gekoppeld, in jeugdzaken wordt gehalveerd. De termijnen die de kinderrechter destijds in het vonnis heeft genoemd: de taakstraf dient binnen een 1 jaar na

aanvang binnen 4 maanden te zijn voltooid, is naar het oordeel van de kinderrechter niet op te vatten als een verjaringstermijn. In casu is verdachte destijds veroordeeld voor (om.) diefstal in vereniging. Op dit feit staat een maximum straf van ten hoogste zes jaren. De executie voor een straf voor dit feit verjaart derhalve, zonder onderbreking, pas na 8 jaar. Overigens zou deze verjaring pas een aanvang hebben genomen op 2 juli 2003.

Nu overigens geen omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de kinderrechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair:

Op 12 november 2004, te Tilburg (Heuvelstraat), tezamen en in

vereniging met een ander, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening (uit een tas) heeft weggenomen een portemonnee,

toebehorende aan [slachtoffer],

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de kinderrechter, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Primair:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te harer laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die haar strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de kinderrechter van oordeel dat aan verdachte de straf dient te worden opgelegd, die hij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het primair tenlastegelegde op te leggen jeugddetentie voor de duur van één maand.

Verdachte heeft samen met een ander meisje zich schuldig gemaakt aan zakkenrollen door uit een tas een portemonnee weg te nemen van een winkelende vrouw. Samen zijn ze vervolgens uit de winkel gerend waarbij verdachte de portemonnee kreeg overhandigd van het andere meisje. Voordat verdachte werd aangehouden door een parkeerwachter die was gealarmeerd door aangeefster, heeft zij de portemonnee weggegooid.

Verdachte is in het verleden eerder veroordeeld wegens diefstal. Haar ontkennende verklaring is, gelet op het feit dat zij op heterdaad is betrapt, kennelijk afgelegd tegen beter weten in. De kinderrechter leidt daaruit af dat verdachte het laakbare van haar gedrag niet openlijk wil erkennen.

12 De overwegingen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging en omzetting van de alternatieve sanctie.

Verdachte is op 19 april 2001 veroordeeld door de kinderrechter te Breda tot een jeugddetentie voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 120 uur.

De kinderrechter stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd, zoals hiervoor onder 5 vastgesteld op 3 maart 2005, opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie ligt thans voor toewijzing gereed. De kinderrechter ziet evenwel aanleiding, gelet op het tijdsverloop na het vonnis van 19 april 2001, slechts van een deel van de opgelegde jeugddetentie de tenuitvoerlegging te gelasten.

Voorts stelt de kinderrechter vast dat de bij vonnis van 19 april 2001 aan verdachte opgelegde alternatieve straf door haar niet is voldaan. Blijkens de eindrapportage van de coördinator taakstraffen van 26 mei 2004 is verdachte op 10 mei 2004, zonder contact op te nemen met de coördinator, niet verschenen om nadere afspraken te maken omtrent de uitvoering van de alternatieve straf. Omdat de raadsman heeft gesteld dat verdachte op advies van hem om juridische redenen de werkstraf niet heeft voldaan, zal de kinderrechter verdachte thans in de gelegenheid stellen alsnog de taakstraf te volbrengen. De vordering van de officier van justitie zal derhalve worden afgewezen.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77dd, 310 en 311 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de kinderrechter als volgt.

Hij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7. is omschreven.

Hij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Hij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 9. vermelde strafbare feit.

Hij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot 2 weken jeugddetentie.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken en wijst de vordering voor het overige af.

Wijst af de vordering tot omzetting van de alternatieve straf in 60 dagen jeugddetentie en stelt verdachte alsnog in de gelegenheid de opgelegde alternatieve straf van 120 uur te voldoen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier Nouws en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 mei 2005.