Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT7748

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
04 / 2429 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder op goede gronden de aanvraag voor een langdurigheidstoeslag heeft afgewezen. Detentie tijdens 60 maanden periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04 / 2429 WWB

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

1. Het procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 oktober 2004 (bestreden besluit), inzake de afwijzing van een langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2005, waarbij aanwezig waren eiser en namens verweerder mr. R.M. Mol.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 25 augustus 2004 een aanvraag langdurigheidstoeslag bij verweerder ingediend. Bij besluit van 27 augustus 2004 (primair besluit) heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen op minimumniveau heeft genoten, omdat eiser gedetineerd is geweest in de periode 12 maart 2001 tot en met 8 mei 2001.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder een gewijzigde motivering ten grondslag gelegd, die hierna zal worden besproken.

2.2 Eiser heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hij vindt dat hij wel in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag. Hij is voor een ononderbroken periode van langer dan 60 maanden aangewezen geweest op een inkomen dat niet hoger was dan de bijstandsnorm. Hij heeft daarbij opgemerkt, dat hij tijdens de detentie inkomsten heeft gehad uit arbeid, maar dat die inkomsten ook beneden het bijstandsniveau lagen. Bovendien heeft hij tijdens de detentie getracht om werk te verkrijgen en te aanvaarden.

2.3 Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wwb verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

2.4 In geschil is of verweerder op goede gronden de aanvraag voor een langdurigheidstoeslag heeft afgewezen. Verweerder heeft het bezwaarschrift voorgelegd aan de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften in het kader van de sociale zekerheid (de commissie). De commissie heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. De commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet gedurende het tijdvak van 60 maanden voldoende heeft getracht om werk te verkrijgen en te aanvaarden omdat hij gedurende de detentieperiode van 12 maart 2001 tot en met 8 mei 2001 niet voor werk beschikbaar was. Verweerder heeft dit advies overgenomen en in aanvulling op de motivering van de commissie overwogen, dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen moet hebben gehad. Gedurende de detentieperiode is van de ontvangst van een inkomen namelijk geen sprake geweest. De ontvangst van bijzondere bijstand maakt dit niet anders.

In het verweerschrift heeft verweerder nog opgemerkt, dat uit artikel 36, zesde lid, van de Wwb in samenhang met artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wwb volgt, dat tijdens detentie geen sociale zekerheidsrechten worden opgebouwd. Dit leidt volgens verweerder daarom tot onderbreking van de periode van 60 maanden als genoemd in artikel 36, eerste lid, onder a, van de Wwb.

2.5 De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij verzamelbrief van 29 januari 2004, nr. Intercom/2004/5020, verzonden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, het volgende geschreven:

“Bij onderbrekingen van de periode van 60 maanden (bijv. kort verblijf in het buitenland, of studieperiode (WSF)) is het aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten overgelaten of er dan aan de voorwaarden van de langdurigheidstoeslag is voldaan. Met name betreft het dan de beoordeling van de vraag of er in voldoende mate is getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Ten aanzien van een onderbreking in verband met detentie moet worden bedacht dat een periode van detentie niet kan worden gerekend tot een periode waarin sociale zekerheidsrechten worden opgebouwd.”

Tevens heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 7 december 2004 antwoord gegeven op enkele vragen die door de commissie voor de Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gesteld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 28 870, nr. 127). Voor zover hier van belang heeft de staatssecretaris onder andere het volgende opgemerkt:

“Bij onderbrekingen van de periode van 60 maanden, bijvoorbeeld kort verblijf in het buitenland waarbij geen inkomsten zijn genoten, dient de gemeente vast te stellen of er aan de voorwaarden voor de langdurigheidstoeslag is voldaan. Met name betreft het dan de beoordeling van de vraag of er, conform het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onderdeel c WWB, in voldoende mate is getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.”

In het licht van deze mededelingen van de staatssecretaris is de rechtbank van oordeel, dat het enkele feit dat een aanvrager in de genoemde periode van 60 maanden geen (ononderbroken) inkomen heeft gehad, op zichzelf onvoldoende grondslag biedt om de aanvraag af te wijzen. Doorslaggevend is of de aanvrager naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders (het college) niettemin over de gehele periode van 60 maanden voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Indien dit naar het oordeel van het college niet het geval is, zal dit in een afwijzend besluit deugdelijk gemotiveerd moeten worden.

De aanvullende motivering van verweerder is met het voorgaande in strijd, zodat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en reeds om die reden vernietigd moet worden.

De rechtbank zal bezien of er aanleiding is gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Daartoe zal worden getoetst of de overwegingen van de commissie, die onderdeel uitmaken van het bestreden besluit, wel in rechte stand kunnen houden.

2.6 De enkele omstandigheid dat eiser gedurende een relatief korte periode gedetineerd is geweest, leidt, anders dan verweerder met de commissie heeft aangenomen, in dit geval nog niet tot de conclusie dat eiser gedurende een volledige periode van 60 maanden voorafgaande aan de peildatum onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Weliswaar was eiser in de periode van 12 maart 2001 tot en met 8 mei 2001 wegens zijn detentie feitelijk niet beschikbaar voor arbeid, maar dit kan hem niet worden tegengeworpen als ook al vóór zijn detentie, ondanks inspanningen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, een arbeidsmarktperspectief ontbrak. Verweerder had dit nader dienen te onderzoeken, met name nu eiser al sinds 1995 een bijstandsuitkering ontving. Het bestreden besluit dient daarom tevens te worden vernietigd wegens strijd met de rechtsregel dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). De rechtbank zal dan ook geen gebruik van de bevoegdheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser dienen te nemen.

2.7 Met het oog op de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift overweegt de rechtbank - ten overvloede - nog het volgende.

In artikel 36, zesde lid, van de Wwb is onder andere artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze verwijzing heeft naar het oordeel van de rechtbank geen andere betekenis dan dat geen recht op een langdurigheidstoeslag bestaat zolang iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Dat eiser tijdens zijn detentie inkomsten uit arbeid heeft genoten vormt geen reden de langdurigheidstoeslag te weigeren. In artikel 36, eerste lid, onder b moet onder ‘arbeid’ worden verstaan ‘algemeen geaccepteerde arbeid’. Arbeid die tijdens detentie wordt verricht kan niet worden aangemerkt als algemeen geaccepteerde arbeid.

2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Bergen op Zoom aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G.M. Wouters, voorzitter, en mrs. J.P.M. Zeijen en P.H.J.G. Römers, rechters, en in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2005.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: