Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT4494

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
144571/KG ZA 05-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf van tbs-passanten in huis van bewaring. langdurig uitblijven van plaatsing in tbs-inrichting.Termijn maximaal 6 maanden, behoudens bijzondere omstandigheden. Dit is niet het al tientallen jaren durend structureel tekort aan plaatsen. Geldelijke vergoeding neemt onrechtmatig karakter langdurig verblijf niet weg nu deze kennelijk onvoldoende prikkels geeft tot substantiële verkorting passantentermijn. Bij plaatsing op wachtlijst dient tijd die tbs-passant reeds in huis van bewaring heeft doorgebracht een rol te spelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

144571/KG ZA 05-187 RECHTBANK BREDA

Sector Handelsrecht

Voorzieningenrechter

20 april 2005

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Breda,

e i s e r e s bij dagvaarding

van 4 april 2005,

procureur: mr. R. Hörchner,

t e g e n :

STAAT DER NEDERLANDEN (Dienst Justitiële Inrichtingen, Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. drs. E.C.M. Wagemakers,

advocaat : mr. F.W. Bleichrodt te 's-Gravenhage.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Hörchner en de door hem in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Bleichrodt en de door hem in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht.

2. Het geschil.

[eiseres] vordert als voorlopige voorziening:

1. De Staat te bevelen haar onmiddellijk, althans binnen de kortst mogelijke door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, te plaatsen in een tbs-kliniek, alsmede

2. te bepalen dat indien De staat niet binnen de door de voorzieningenrechter te bepalen termijn in een tbs-kliniek is geplaatst, zij met onmiddellijke ingang in vrijheid dient te worden gesteld,

en zowel in geval van 1. als in geval van 2.

te bepalen dat indien en zolang De Staat niet voldoet aan het vonnis, De Staat een dwangsom verbeurt ten bedrage van € 250,=, per dag, althans een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen bedrag, alsmede

3. De Staat te veroordelen om

a. met ingang van 26 november 2004 (zijnde de datum waarop zij redelijkerwijs geplaatst kon en behoorde te zijn in een tbs-kliniek), althans

b. met ingang van 26 maart 2005 (zijnde de datum waarop [eiseres] meer dan vijf maanden sinds onherroepelijkheid van de strafzaak in afwach- ting is van plaatsing in een Tbs-kliniek)

aan [eiseres] een vergoeding te betalen van € 70,= te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de afzonderlijke dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, voor iedere dag dat zij in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek zal zijn gehecht in het huis van bewaring;

4. met veroordeling van De Staat in de kosten van het geding.

De Staat heeft daartegen verweer gevoerd.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Bij arrest van het gerechtshof Den Bosch van 24 oktober 2002 is [eiseres] veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf 180 dagen en tbs met dwangverpleging. Op 28 oktober 2003 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

- Bij vonnis van 20 december 2002 van de rechtbank Breda, bevestigd bij arrest van het Hof Den Bosch van 26 augustus 2003 is [eiseres] veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden en tbs met verpleging van overheidswege. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op 26 oktober 2004 verworpen.

- [eiseres] bevindt zich thans als tbs-passant in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek.

- Op 17 januari 2005 heeft [eiseres] De Staat -in het bijzonder de Dienst Justitiële Inrichtingen Sectordirectie TBS van het Ministerie van Justitie- verzocht om onmiddellijke plaatsing in een tbs-kliniek.

- Bij brief van 2 februari 2005 heeft De Staat het verzoek afgewezen en is aan [eiseres] medegedeeld dat de gemiddelde wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek 14 maanden bedraagt en dat haar geen voorrang zal worden verleend.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat De Staat jegens haar onrechtmatig handelt door haar niet onmiddellijk, althans met voorrang boven reguliere tbs-passanten, in een tbs-kliniek te plaatsen. Zij stelt daartoe dat haar in totaal 480 dagen gevangenisstraf is opgelegd, alsmede tbs en dat zij tot 15 maart 2005 reeds 1023 dagen in detentie heeft doorgebracht.

De Staat erkent dat plaatsing van [eiseres] in een tbs-kliniek zo spoedig mogelijk behoort te geschieden doch stelt dat daarvoor een lange wachtlijst bestaat. De Staat hanteert als beleid dat de volgorde van opname in beginsel wordt bepaald door de datum waarop de terbeschikkingstelling is aangevangen. De wachttijd bedraagt omstreeks 12 maanden, aldus De Staat.

3.3.

Ter beoordeling is als eerste de vraag of De Staat gehouden is [eiseres] onmiddellijk, dan wel op de kortst mogelijke termijn, te plaatsen in een tbs-kliniek danwel -bij gebreke daarvan- haar in vrijheid te stellen.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 38d, eerste lid Sr de duur van de tbs aanvangt op de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd onherroepelijk is geworden. Artikel 38f lid 1 Sr bepaalt dat de termijn van de tbs niet loopt gedurende de tijd dat aan de terbeschikking gestelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Op grond van art. 38l Sr vervalt een terbeschikking stelling bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter beschikking wordt gesteld. In casu betekent dit dat [eiseres] eerst vanaf 26 oktober 2004 (datum verwerping tweede cassatieberoep waardoor de eerste tbs is komen te vervallen) als tbs-passant wordt aangemerkt.

3.5.

Artikel 12 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden bepaalt dat de plaatsing van een ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van terbeschikkingstelling 6 maanden heeft gelopen en dat deze termijn, indien plaatsing niet binnen de gestelde termijn mogelijk is, met telkens 3 maanden kan worden verlengd.

3.6.

Op grond van de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 11 mei 2004 inzake Brand en Morsink (no. 49902/99 respectievelijk no. 48865/99) alsmede de daaropvolgende uitspraken van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, moet het ervoor worden gehouden dat een termijn van zes maanden of meer voor tbs-passanten onrechtmatig is in het licht van artikel 5 lid 1 EVRM. Dit betekent dat plaatsing van [eiseres] in een tbs-kliniek in elk geval uiterlijk 26 april 2005 zou dienen plaats te vinden. Hoewel die termijn nog niet is verstreken heeft [eiseres] reeds thans belang bij haar vordering nu vast staat dat De Staat haar niet binnen die termijn wil plaatsen.

Overschrijding van voornoemde termijn betekent echter niet per definitie dat [eiseres] daardoor in onrechtmatige detentie is komen te verkeren en dat zij direct in vrijheid dient te worden gesteld. Van onrechtmatige detentie is immers eerst sprake indien in redelijkheid niet meer kan worden geoordeeld dat het uitblijven van plaatsing in een tbs-inrichting nog door de omstandigheden wordt gewettigd. Eerst dan kan worden gezegd dat, hoewel voor het voortgezette verblijf van een passant in het huis van bewaring een wettelijke grondslag aanwezig is, het nog

langer doen voortduren van dat verblijf in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat plaatsing in een tbs-kliniek door de strafrechter is opgelegd met als doel de maatschappij tegen recidive te beschermen. Dit betekent dat invrijheidstelling in beginsel maatschappelijk niet verantwoord moet worden geacht en in strijd komt met de (onherroepelijke) rechterlijke beslissing waarbij de maatregel tot plaatsing in een tbs-kliniek is opgelegd.

Daar staat echter tegenover het belang van [eiseres] om op zo'n kortst mogelijke termijn geplaatst te worden in een tbs-kliniek. Want hoewel er naar Nederlands recht een titel aanwezig is voor het verblijf als passant mag niet uit het oog worden verloren dat dat verblijf in het teken staat van de plaatsing in een kliniek ter behandeling en dat [eiseres], gelet ook op de jurisprudentie van het EHRM op die behandeling ook aanspraak kan maken. Dat betekent dat enige wachttijd gelet op de frictie tussen vraag naar en aanbod van plaatsen aanvaardbaar is maar dat, zeker nu tijdens die wachttijd geen of nauwelijks selectie, laat staan intensieve selectie of behandeling plaatsvindt, die wachttijd naar voorlopig oordeel niet langer moet duren dan vijf of zes maanden. Verwacht mag worden immers dat de langere wachttijd ook zal kunnen resulteren in een feitelijke verlenging van de behandelduur. De enkele vrijheidsbeneming is op zich niet onrechtmatig, wel de omstandigheid dat behandeling langer uitblijft dan, behoudens bijzondere omstandigheden, met het oog voor het maatschappijbeschermend karakter van tbs aanvaardbaar, is. Als zodanige bijzondere omstandigheid kan niet gelden het al tientallen jaren durend structureel tekort aan plaatsen. Dat moet een verantwoordelijkheid van de overheid blijven. Evenmin kan worden gezegd dat het onrechtmatige karakter van een langdurig verblijf de passant wordt weggenomen door een geldelijke vergoeding. Van dergelijke vergoedingen gaan kennelijk ook te weinig prikkels tot substantiële verkorting van de passantentermijn uit.

3.7.

Daarnaast is in casu van belang dat [eiseres] inmiddels ruim 1000 dagen in een huis van bewaring heeft doorgebracht terwijl het totaal van de opgelegde vrijheidsstraffen 480 dagen bedraagt. Die omstandigheid kan De Staat weliswaar niet worden toegerekend omdat zij is ontstaan doordat [eiseres], zoals haar vrij stond, rechtsmiddelen heeft ingesteld maar dient wel een rol te spelen bij de belangenafweging tussen het belang van [eiseres] bij spoedige plaatsing en het belang van de tbs als beschermingsmaatregel.

3.8.

Een en ander afwegend en rekening houdend met hetgeen onder 3.6. en 3.7. is overwogen zal worden bepaald dat [eiseres] uiterlijk binnen 9 maanden, gerekend vanaf 26 oktober 2004 geplaatst dient te worden en dat zij, indien dat niet mogelijk is, na verloop van die termijn in vrijheid gesteld dient te worden..

3.9.

De gevorderde dwangsommen worden afgewezen, nu van De Staat verwacht mag worden dat een veroordelend vonnis zal worden nageleefd.

3.10.

De door [eiseres] sub 3 gevorderde vergoeding wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van deze vordering. Bovendien staat voor [eiseres] de mogelijkheid open deze vordering in te stellen bij de Raad voor strafrechtstoepassing.

4. De kosten.

De Staat dient als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

beveelt De Staat om [eiseres] binnen een termijn van 9 maanden na 26 oktober 2004 te plaatsen in een tbs-kliniek;

bepaalt dat indien [eiseres] niet binnen voormelde termijn in een tbs-kliniek is geplaatst, zij met onmiddellijke ingang in vrijheid dient te worden gesteld;

veroordeelt De Staat in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1.145,60, waaronder begrepen een bedrag van € 816,= aan procureurssalaris,

bepaalt, nu die wederpartij met een toevoeging procedeert dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening

A. aan de griffier van deze rechtbank, door middel van overschrijving op bankrekening-nummer 192325779, Rabobank Nederland N.V. ten name van DS 535 Breda

- wegens het in debet gestelde deel griffierecht € 183,=

- wegens exploitkosten € 85,60

- wegens procureurssalaris € 816,=

- met welke bedragen de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 243 Rv;

B. aan [eiseres] het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ad € 61,=;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek,, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 20 april 2005, in tegenwoordigheid van mr. C.H.D.M. van de Kar, waarnemend griffier.