Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT4492

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
05 / 487 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgewezen prorogatie door de rechtbank.

Verweerder heeft bewilligd in verzoek om krachtens art. 7:1a, 1e lid, van de Awb. in afwijking van art. 7:1 Awb. in te stemmen met rechtstreeks beroep bij administratieve rechter. Standpunt verweerder nog onvoldoende duidelijk en meningsverschil tussen partijen ten tijde van bestreden besluit niet zo evident dat verwacht kon worden dat heroverweging niet kan leiden tot een andere opvatting. Daarbij acht de rechtbank van belang dat bij heroverweging ook bezien moet worden of een eerder gemaakte keuze ook uit bestuurlijk en politiek oogpunt nog steeds wenselijk is. De rechtbank sluit daarom het onderzoek cf. art. 8:54a van de Awb. wegens kennelijk ten onrechte instemmen door bestuursorgaan met rechtstreeks beroep en draagt verweerder op het beroep als bezwaar te behandelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1a
Algemene wet bestuursrecht 8:54a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 86 met annotatie van R.J. van Dam
JB 2005/201 met annotatie van D.W.M. Wenders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05 / 487 WRO RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

Zebra Gasnetwerken B.V., gevestigd te Bergen op Zoom, eiseres,

gemachtigde ing. C.S.A. Borremans,

en

de raad van de gemeente Drimmelen, verweerder.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft op 15 december 2004 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van

4 november 2004 (bestreden besluit), inzake een verzoek om medewerking aan de realisering

van een planologisch project.

In het bezwaarschrift heeft eiseres verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Bij besluit van verweerder van 27 januari 2005 is dit verzoek toegewezen.

Op 21 februari 2005 heeft verweerder het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank, ter behandeling als beroepschrift.

De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:54a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en daarom is de mondelinge behandeling van het beroep achterwege gebleven.

2. De beoordeling

2.1 Krachtens artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb kan de indiener van een bezwaarschrift in dat bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de ad-ministratieve rechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.

Ingevolge artikel 7:1a, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.

Artikel 8:54a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de rechtbank - totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen - het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onder-zoek niet nodig is omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met recht-streeks beroep bij de rechtbank.

Volgens artikel 8:54a, tweede lid, van de Awb strekt de uitspraak er in dat geval toe dat het be-stuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.

2.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep. Hierbij wordt in het volgende in aanmerking genomen.

In haar aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen (college) gerichte brief van 7 juni 2004 heeft eiseres - onder verwijzing naar artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) - gevraagd om vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor de aanleg van een gastransportleiding met bijbehorende voorzieningen op een nader aangeduide strook grond in de gemeente Drimmelen. Het college heeft de aanvraag van 7 juni 2004 ter verdere behandeling doorgezonden aan verweerder, aangezien de bevoegd-heid tot toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO in de gemeente Drimmelen niet is gedelegeerd en dus bij verweerder berust.

In zijn aan verweerder gericht schrijven van 28 september 2004 heeft het college gemotiveerd - en mede op basis van een aantal ingekomen zienswijzen - voorgesteld om de door eiseres op 7 juni 2004 gevraagde vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Tijdens de raadsver-gadering van 4 november 2004 is de aanvraag van 7 juni 2004 echter afgewezen, aangezien 10 van de 17 raadsleden het collegevoorstel van 28 september 2004 hebben verworpen. Ter onder-steuning van hun standpunt hebben de tegenstemmers opgemerkt dat de vrees voor onveilige situaties bestaat, dat niet valt in te zien welk algemeen belang is gediend bij de aanleg van de door eiseres verlangde gastransportleiding, en dat onduidelijkheid bestaat over de vergoedingen voor de medewerking.

Rechtstreeks beroep is - zo blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis van de artikel 7:1a en 8:54a van de Awb - bij uitstek aan de orde in geschillen waarin de standpunten van de betrokken partijen over en weer duidelijk zijn, terwijl daarbij niet de objectieve verwachting bestaat dat her-overweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan tot een wijziging in die standpunten zal leiden.

De rechtbank constateert in onderhavig geschil dat de motivering van verweerder om het verzoek om vrijstelling te weigeren echter juist onduidelijk is en - blijkens de notulen van de betreffende raadsvergadering - slechts lijkt te zijn gebaseerd op min of meer subjectieve vermoedens. Verder wordt vastgesteld dat verweerder op 4 november 2004 - anders dan in het besluit van 27 januari 2005 is gesuggereerd - niet alle relevante argumenten heeft besproken. Hij heeft immers geen aandacht besteed aan enkele gegevens die eerder, in het kader van een verzoek tot het mogen aanleggen van de gastransportleiding in 2001, nog niet beschikbaar waren. Onder deze omstan-digheden is het standpunt van verweerder onvoldoende duidelijk, en kan niet staande worden gehouden dat het meningsverschil tussen partijen ten tijde van het nemen van het bestreden be-sluit dermate evident was, dat toen de verwachting was gerechtvaardigd dat een heroverweging van dit besluit op grondslag van het bezwaar niet zou leiden tot een andere opvatting over de (planologische) aanvaardbaarheid van het in geding zijnde project.

In dit kader acht de rechtbank van belang dat de heroverweging tijdens de bezwaarschriftproce-dure zich niet mag beperken tot beantwoording van de vraag of het aangevallen besluit in strikte zin rechtmatig is, maar zich ook moet uitstrekken tot de vraag of de gemaakte keuze uit bestuur-lijk en politiek oogpunt nog steeds wenselijk is. Verweerder had, naar het oordeel van de recht-bank, de door het bezwaarschrift van 2 december 2004 geopende mogelijkheid om de in het be-streden besluit gemaakte bestuurlijke en politieke keuze nog eens tegen het licht te houden, in onderhavig geval niet onbenut mogen laten.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep. Nu deze conclusie reeds na bestudering van de thans beschikbare pro-cesstukken wordt getrokken, meent de rechtbank dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bij-dragen aan de beoordeling van de zaak.

2.3 De rechtbank zal verweerder opdragen om het beroepschrift als bezwaarschrift in behande-ling te nemen. Het beroepschrift zal dan ook worden teruggezonden aan verweerder.

De rechtbank ziet aanleiding om te gelasten dat het griffierecht aan eiseres wordt vergoed. Ver-weerder heeft immers ingestemd met rechtstreeks beroep, terwijl niet kan worden gezegd dat zijn standpunt voldoende duidelijk was en in verband daarmee op voorhand de gerechtvaardigde ver-wachting bestond dat dit in heroverweging niet zou worden aangepast. Een proceskostenveroor-deling zal echter achterwege blijven, reeds omdat niet is gebleken van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres

3. De beslissing

De rechtbank:

draagt verweerder op om het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen;

gelast dat de gemeente Drimmelen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 273,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.M. Pulskens, rechter, en in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2005.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.