Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AT3994

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
4772-04 en 625421-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Al weken van tevoren werd er door de daders uitvoerig over gesproken. Tot in detail werden de plannen beraamd en op 26 mei 2004 werd het plan uitgevoerd en werd Tinka van Rooij vermoord. Zij werd meermalen met een hamer op haar hoofd geslagen, tengevolge waarvan zij overleed. Haar dode lichaam werd ingepakt in zeil en in De Biesbosch in het water gegooid. Twee weken later werd haar lichaam gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummers: 4772-04 en 625421-05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de ter terechtzitting overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering gevoegde zaken onder voormelde parketnummers van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring,

Penitentiaire Inrichtingen ‘Nieuw Vosseveld’

te Vught,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging in de zaak onder parketnummer 4772-04 is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

Parketnummer 4772-04

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [sla[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medever[mededader] op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [sla[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [mededader] en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 februari 2004 tot en met 27 mei 2004 te Oosterhout en/of Made, gemeente Drimmelen en/of Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Hank, gemeente Werkendam en/of elders in de gemeente Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door - (telkens) besprekingen te houden en/of afspraken/plannen te maken met die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] over het om het leven brengen/vermoorden van die [slachtoffer] en/of - (telkens) (samen met die [mededader] en/of die [mededader]) de plek waar het lichaam/stoffelijk overschot en/of de auto van die [slachtoffer] gedumpt zou(den) kunnen worden uit te kiezen en/of voor te stellen en/of (op een kaart) aan te wijzen en/of - (telkens) samen met die [mededader] en/of die [mededader] te gaan kijken naar plekken en/of plaatsen waar het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] gedumpt zou kunnen worden en/of waar de boot van hem, verdachte, (het beste) kon worden aangemeerd in verband met het (vanaf de kant) op de boot leggen van het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] en/of - de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, mee te nemen naar de woning van [mededader] en/of [mededader] en aldaar af te geven en/of - op woensdagavond 26 mei 2004 telefonisch contact te onderhouden met [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of

- op woensdagavond 26 mei 2004 zijn boot op te halen en/of met zijn boot naar de afgesproken plek (bij het "gemaal") te varen en/of (aldaar) [mededader] en/of [mededader] te helpen met het (over de dijk) sjouwen/tillen/slepen van de ketting(en) en/of het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] en/of - samen met die [mededader] met het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] van het gemaal naar de afgesproken (dump)plek (put) in de Biesbosch te varen;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschehoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [sla[slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [sla[slachtoffer] in te pakken en/of te verzwaren en/of in een auto te vervoeren en/of in de Biesbosch in het water te gooien/dumpen;

art 151 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 625421-05

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 21 oktober 2004, althans in of omstreeks de periode van 1 februari 2004 tot en met 29 september 2004, te Oosterhout (Noord-Brabant) en/of te Ulvenhout, gemeente Breda, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een revolver (((valse merknaam) Smith & Wesson, type Lady Smith Gun, kaliber 22 mm) en/of munitie van categorie III, te weten twintig, alhans een of meer (kogel)patro(o)n(en) (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 4772-04

1.

primair

op 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [sla[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen met een hamer op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

op 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en elders in de gemeente Moerdijk en Werkendam en Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen,

tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [sla[slachtoffer] heeft weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit van het overlijden van die [sla[slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [sla[slachtoffer] in te pakken in zeil en vervolgens in een auto te vervoeren envervolgens te verzwaren met

kettingen envervolgens in de Biesbosch in het water te gooien/dumpen;

Parketnummer 625421-05

in de periode van 1 februari

2004 tot en met 21 oktober 2004, te Oosterhout, Noord-Brabant en te Ulvenhout, gemeente Breda, een wapen van categorie III, te weten een revolver, valse merknaam Smith & Wesson, type Lady Smith Gun, kaliber 22 mm en munitie van categorie III, te weten twintigkogelpatronen,kaliber .22, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en onder 2 en in de zaak onder parketnummer 625421-05 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen van moord op het slachtoffer [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] door verdachte. Volgens de raadsman van verdachte was geen sprake van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Voorts voert de raadsman aan dat het opzet van verdachte louter gericht was op het verhelen van het ontzielde lichaam van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

- Verdachte was al enige weken voor het overlijden van het slachtoffer op de hoogte van de omstandigheid dat medeverdachte [mededader] het slachtoffer om het leven wilde brengen. Verdachte wist dit niet alleen van medeverdachte [mededader], maar ook van [mededader] zelf.

- Verdachte was voorts meermalen aanwezig bij overleg tussen [mededader] en [mededader] over de wijze waarop het slachtoffer om het leven gebracht zou kunnen worden en was direct betrokken bij de voorbereidingen daartoe. In verband hiermee heeft verdachte aan [mededader] een locatie bij de Kop van Jacomien aangewezen waar het lijk van het slachtoffer overboord gegooid kon worden omdat op die locatie, naar hij wist, in de Nieuwe Merwede / Amer een diepe put was gelegen.

- Ook heeft verdachte de kettingen (om het lijk te verzwaren) via [mededader] aan [mededader] afgeleverd.

Verdachte heeft niet alleen voorafgaand aan de moord diverse werkzaamheden verricht om deze moord met raad en daad te ondersteunen, ook na de moord heeft verdachte zijn medewerking verleend.

- Zo is van tevoren tussen hem en zijn medeverdachten afgesproken het lijk van het slachtoffer van de Zwaluwsedijk, bij het gemaal “Schuddebeurs”, naar vorengenoemde locatie bij de Kop van Jacomien te vervoeren en het lijk aldaar overboord te gooien.

- Voorafgaand hieraan heeft verdachte [mededader] geholpen het lijk van het slachtoffer van de bij het gemaal geparkeerde auto van [mededader] over te brengen naar de boot van verdachte.

- Na de moord heeft verdachte een bedrag van euro 150,= van [mededader] gekregen (en gehouden) welk geldbedrag afkomstig was uit de tas van het slachtoffer.

Verdachte heeft derhalve zowel voor als na de moord op het slachtoffer zijn medewerking verleend, zodanig dat het slachtoffer om het leven gebracht kon worden en het lijk van het slachtoffer kon worden verborgen. Daarnaast heeft hij hiervan geldelijk gewin ondervonden. Verdachte heeft zich volledig aangesloten bij zijn medeverdachten [mededader] en [mededader] en hun plan om [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] van het leven te beroven. Gelet op deze feiten en omstandigheden, mede in hun onderlinge verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat van een zodanige bewuste, nauwe en volledige samenwerking sprake is dat dit medeplegen van moord oplevert.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

Parketnummer 4772-04

1.

Medeplegen van moord.

2.

Medeplegen van een lijk wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit van het overlijden te verhelen.

Parketnummer 625421-05

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

10 De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte straffeloos dient te blijven omdat hem een beroep op psychische overmacht toekomt. Ter staving van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet anders kon doen dan wat hij heeft gedaan en van hem kon worden gevergd. Hij verwees daarvoor naar de verscheidene persoonlijkheidsrapportages over verdachte.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat verdachte handelde onder invloed van een van buiten komende drang die zodanig was dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en waaraan hij evenmin weerstand behoefde te bieden. Hiervoor komen in het algemeen alleen zeer prangende en acute omstandigheden in aanmerking.

Van de zijde van verdachte is hiertoe aangevoerd dat hij eenmaal kort voor 26 mei 2004 – de dag waarop [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] om het leven is gebracht – door medeverdachte [mededader] is bedreigd. Ook was hem al eerder gebleken dat van [mededader] dreiging uitging.

De rechtbank overweegt daarover dat de bedreiging kort voor 26 mei 2004 uitdrukkelijk door [mededader] wordt betwist. Dat verdachte daadwerkelijk door [mededader] is bedreigd en dat deze dreiging zodanig was dat hij daaraan geen weerstand kon en behoefde te bieden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden.

Voor dit oordeel acht de rechtbank ook van belang dat de deskundige Van Soest ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat naar zijn oordeel verdachte de mogelijkheid heeft gehad om afstand te nemen van het handelen van [mededader] en dat hij een andere keus had kunnen maken dan hij feitelijk heeft gedaan. Verdachte had zich op enig moment (eerder) kunnen terugtrekken.

De deskundige is van oordeel dat hiervoor geen psychische belemmering bij verdachte aanwezig was. Ook overigens bieden de persoonlijkheidsrapporten onvoldoende aanknopingspunten voor een succesvol beroep op psychische overmacht. Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve door de rechtbank verworpen.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu voorts niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en onder 2 en in de zaak onder parketnummer 625421-05 ten laste gelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de moord op [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] en het wegvoeren en wegmaken van haar lichaam. Al weken van tevoren werd er door de daders uitvoerig over gesproken. Tot in detail werden de plannen beraamd. Op 26 mei 2004 werd het plan uitgevoerd en werd [voornaam slachtoffer] meermalen met een hamer op haar hoofd geslagen, tengevolge waarvan zij overleed. Haar dode lichaam werd ingepakt in zeil, in een auto gelegd en vervoerd in de richting van het water in De Biesbosch. Op een afgesproken plek kwamen de daders bijeen. Verdachte kwam ter plaatse met zijn boot waarmee het lijk van [voornaam slachtoffer] werd vervoerd naar een diepe plaats op De Biesbosch. Verzwaard met kettingen werd het lijk daar in het water gegooid. Twee weken later werd het lichaam van [voornaam slachtoffer] gevonden.

Naast deze misdrijven heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft dit laatstgenoemde feit in mindere mate een rol gespeeld.

De rechtbank acht de moord op [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] een buitengewoon ernstig feit. Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als het ernstigste commune misdrijf dat we kennen. Nog steeds is het de rechtbank niet geheel duidelijk waarom verdachte en zijn mededaders het plan hadden opgevat om [voornaam slachtoffer] te vermoorden. Vaststaat dat zij op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht. Verdachte en zijn mededaders hebben geen enkel respect voor het leven van [voornaam slachtoffer] getoond en door de moord een onherstelbare inbreuk gemaakt op het recht op leven.

Dieper ingrijpen in een mensenleven dan door dat leven te beëindigen is niet denkbaar. De rechtbank rekent het verdachte en zijn mededaders ook in ernstige mate aan dat zij het lichaam van [voornaam slachtoffer] hebben weggemaakt.

De gevolgen van dit handelen van verdachte en zijn mededaders zijn afschuwelijk. Voor de nabestaanden heeft de dood van het [voornaam slachtoffer] diepe gevoelens van verdriet en verslagenheid nagelaten. Haar vader, [vader van]. [slachtoffer], gaf ter terechtzitting aan dat bij zijn echtgenote en hem de beelden van de feiten op het netvlies gegrift staan, dat zij er niet van slapen en er elke minuut van de dag aan denken. Voorts gaf hij aan dat het bijzonder zwaar was dat zij niet op een waardige manier afscheid van [voornaam slachtoffer] hebben kunnen nemen, omdat haar lichaam ernstig verminkt was. In de toelichting op de civiele vordering werd er aan toegevoegd dat verdachten zich na de moord huichelachtig hebben gedragen jegens de ouders van [voornaam slachtoffer].

Dat deze misdrijven niet alleen in de directe omgeving van het slachtoffer grote onrust en gevoelens van onveiligheid hebben veroorzaakt, maar ook de rechtsorde in ernstige mate hebben geschokt, blijkt wel uit de grote belangstelling die deze zaak in de media heeft gekregen.

Omtrent verdacht zijn rapporten opgemaakt door de psychiater A.J.W.M. Trompenaars en door de psycholoog J.W.G.M. van Soest. Beide gedragsdeskundigen concluderen dat de feiten in licht- of enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- de ernst van de in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten, in het bijzonder de afschuwwekkende omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;

- het aandeel van verdachte in het beramen van de plannen en de uitvoering daarvan;

- de wettelijke strafmaxima voor deze feiten en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd;

- het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van na te melden duur. De rechtbank is van oordeel dat in die gevangenisstraf de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in voldoende mate tot uitdrukking wordt gebracht.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

12.1 De overwegingen omtrent de teruggave aan verdachte.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de in beslag genomen voorwerpen zoals weergegeven onder 14, 17, 18, 30, 31, 32, 33, 35, 36, 39, 40, 42 en 43 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, aangezien die voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

12.2 De overwegingen omtrent de verbeurdverklaring.

Het volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een motorboot, zoals weergegeven onder 13 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot dat voorwerp.

Voorts is gebleken dat dat voorwerp aan verdachte toebehoort.

13 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [vader van]. [slachtoffer] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 42.456,62, bestaande uit € 38.383,78, vermeerderd met de kosten van rechtsbijstand voor een bedrag van € 3.675,41 en de notariskosten voor een bedrag van € 406,43, terzake van hetgeen in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en 2 is bewezen verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde rechtstreekse schade heeft geleden. Hier is de rechtbank echter gebonden aan de beperkingen die de wet aan het toekennen van schadevergoeding in een strafproces kent, te weten dat de claim eenvoudig van aard moet zijn. Dit is slechts met een deel van de vordering het geval. De rechtbank waardeert dit deel op een bedrag van € 7.672,40, bestaande uit een bedrag van € 6.537,40 zijnde de kosten van de crematie van [voornaam slachtoffer] [slachtoffer], een bedrag van € 135,= zijnde de schade die ontstond door het verlies van haar auto en een bedrag van € 1.000,= bij wijze van voorschot terzake van de op de vordering onder B vermelde schadeposten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Dit bedrag zal zij toewijzen. Het overige gedeelte van deze vordering is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Over de gevorderde kosten van rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat deze niet vallen onder het begrip ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. Wel kunnen deze gerekend worden tot de proceskosten in de zin van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Als in civiele procedures hanteert de rechtbank voor deze kosten het liquidatietarief en zal zij een bedrag van € 1.230,= toekennen als tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [vader van]. [slachtoffer], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door de strafbare feiten, genoemd in de zaak onder parketnummer 4472-04 onder 1 primair en 2 is toegebracht. De benadeelde partij [vader van]. [slachtoffer] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 42.456,62, bestaande uit € 38.383,78, vermeerderd met de kosten van rechtsbijstand voor een bedrag van € 3.675,41 en de notariskosten voor een bedrag van € 406,43, terzake van hetgeen in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en 2 is bewezen verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde rechtstreekse schade heeft geleden. Hier is de rechtbank echter gebonden aan de beperkingen die de wet aan het toekennen van schadevergoeding in een strafproces kent, te weten dat de claim eenvoudig van aard moet zijn. Dit is slechts met een deel van de vordering het geval. De rechtbank waardeert dit deel op een bedrag van € 7.672,40, bestaande uit een bedrag van € 6.537,40 zijnde de kosten van de crematie van [voornaam slachtoffer] [slachtoffer], een bedrag van € 135,= zijnde de schade die ontstond door het verlies van haar auto en een bedrag van € 1.000,= bij wijze van voorschot terzake van de op de vordering onder B vermelde schadeposten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Dit bedrag zal zij toewijzen. Het overige gedeelte van deze vordering is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Over de gevorderde kosten van rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat deze niet vallen onder het begrip ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. Wel kunnen deze gerekend worden tot de proceskosten in de zin van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Als in civiele procedures hanteert de rechtbank voor deze kosten het liquidatietarief en zal zij een bedrag van € 1.230,= toekennen als tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [vader van]. [slachtoffer], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door de strafbare feiten, genoemd onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en 2 is toegebracht.

14 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 91, 151, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

15 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak onder parketnummer 4772-04 onder 1 primair en onder 2 en in de zaak onder parketnummer 625421-05 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de teruggave aan verdachte van de onder 12.1 genoemde voorwerpen.

Zij verklaart verbeurd het onder 12.2 omschreven voorwerp.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [vader van]. [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 7.672,40, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Zij bepaalt dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. (BP.23)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1230,=.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [vader van]. [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 7.672,40, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 153 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Cohen-Koningsveld, voorzitter, mr. Luijks en mr. De Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Paulus en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2005.