Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AS9910

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
04/748 ALGEM A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtens onaantastbare boeteoplegging na CRvB 6 november 2001 (USZ 2002/19). Verzoek om terug te komen op boeteoplegging. Anders dan verweerder heeft overwogen een evident onjuist besluit, nu verweerder over de consequenties van de uitspraak van de CRvB tijdig informatie had kunnen en behoren te verstrekken aan de werkvloer. Bovendien eveneens anders dan verweerder heeft overwogen een novum, nu verweerder ter zitting heeft aangegeven dat deze consequenties nog niet bekend waren bij degene die de boeteoplegging heeft voorbereid. Geen "latere" jurisprudentie nu de uitspraak van de CRvB ruim een maand vóór het besluit tot het opleggen van de boete is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/748 ALGEM A RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

JMT Evenementenservice B.V., gevestigd te Dinteloord,

eiseres,

gemachtigde M.C.F.M. Mollee,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut

werknemers-verzekeringen (UWV), verweerder.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2004 (bestreden besluit), inzake de weigering om terug te komen op een eerder genomen boetebesluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 februari 2005, waarbij aanwezig waren mevrouw M.C.F.M. Mollee namens eiseres en mevrouw drs. P. Klootwijk namens verweerder.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit d.d. 11 december 2001 heeft verweerder aan eiseres een boete van f 150,-- opgelegd in verband het een te late hersteldmelding van een werknemer.

Eiseres heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt, zodat het rechtens onaantastbaar is geworden.

Eiseres heeft verweerder vervolgens omstreeks 1 oktober 2003 verzocht om terug te komen op het besluit van 11 december 2001.

Verweerder heeft bij besluit d.d. 30 oktober 2003 geweigerd om op het boetebesluit terug te komen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd niet kan worden beschouwd als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en dat daardoor evenmin de evidente onjuistheid van het besluit van 11 december 2001 wordt aangetoond.

2.2 Eiseres heeft zowel in haar beroepschrift als ter zitting - kort samengevat - aangevoerd dat verweerder dient terug te komen op het door hem genomen boetebesluit van 11 december 2001.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak d.d. 6 november 2001 heeft geoordeeld dat het Boetebesluit niet overeenkomt met de wettelijke bepalingen en dat boetes op basis van dit besluit ten onrechte zijn opgelegd wegens het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag. In het licht van deze uitspraak heeft eiseres aangevoerd dat aan het besluit waarin de boete is opgelegd een wettelijke grondslag ontbreekt, waardoor sprake is van een evidente onjuistheid, temeer nu het hier een punitieve sanctie betreft. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat uit jurisprudentie inzake het terugkomen op besluiten met formele rechtskracht weliswaar blijkt dat de CRvB een anders geformuleerd criterium hanteert dan voorheen, maar dat bij het niet stellen van nova er nog steeds gekeken dient te worden of sprake is van een evidente onjuistheid. Kijkend naar deze nieuwe formulering kan volgens eiseres niet gesteld worden dat verweerder in redelijkheid een beroep kon doen op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gezien de strijdigheid met de Grondwet, verdragen en een algemeen rechtsbeginsel.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat nu het boetebesluit d.d. 11 december 2001 is afgegeven ná de uitspraak van de CRvB d.d. 6 november 2001, verweerder ten tijde van het besluit wist dan wel behoorde te weten dat de wettelijke grondslag voor het opleggen van dergelijke sancties ontbrak, zodat het besluit tegen beter weten in is afgegeven. Daarbij heeft eiseres aangevoerd dat er ten tijde van de oplegging van de boete geen Algemene Maatregel van Bestuur was, zoals in de Ziektewet vermeld. Dit brengt volgens eiseres met zich dat verweerder in redelijkheid niet kan weigeren op dit besluit terug te komen.

2.3 In dit geschil ligt ter beoordeling voor of verweerder in redelijkheid zijn besluit, waarin hij weigert om terug te komen op het rechtens onaantastbaar geworden besluit d.d. 11 december 2001, heeft kunnen handhaven.

Daarbij overweegt de rechtbank dat verzoeken om terug te komen op eerdere ambtshalve genomen besluiten door de CRvB overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb worden getoetst. In dat kader overweegt de rechtbank tevens dat uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 17 januari 2001, JB 2001/75 en 4 december 2003, AB 2004/125 ) blijkt dat als in een herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden genoemd en het bestuur de aanvraag om die reden afwijst, de rechter de vraag dient te beantwoorden of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit om desbetreffende aanvraag slechts onder verwijzing naar het eerdere besluit af te wijzen heeft kunnen komen, dan wel dusdoende anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder dient terug te komen op het besluit van 11 december 2001, gezien de uitspraak van de CRvB d.d. 6 november 2001, overweegt de rechtbank het navolgende.

In voornoemde uitspraak heeft de CRvB overwogen dat in het Boetebesluit geen uitvoering is gegeven aan de opdracht in de Ziektewet om nadere regels te stellen met betrekking tot onder meer de afstemming van de boete op de mate van verwijtbaarheid van een verzuim, zodat het Boetebesluit op dat punt zal moeten worden aangevuld. De CRvB heeft vervolgens geconcludeerd dat de desbetreffende bepalingen van het Boetebesluit buiten toepassing dienen te worden gelaten.

De rechtbank deelt op zichzelf het standpunt van eiseres dat verweerder door de boeteoplegging in strijd heeft gehandeld met desbetreffende uitspraak van de CRvB en daarmee evident onjuist de sanctie heeft opgelegd. Verweerder heeft het bestreden besluit onder meer gebaseerd op de overweging dat de evidente onjuistheid niet is aangetoond. Dit deel van de motivering is derhalve onjuist.

Voorts beschouwt de rechtbank de uitspraak van de CRvB d.d. 6 november 2001 in dit geval ook als een novum. Anders dan in de bovenste alinea op pagina twee van het bestreden besluit is overwogen, heeft verweerder ter zitting immers aangegeven dat hij, althans degene binnen de organisatie van verweerder die het besluit heeft voorbereid, ten tijde van de boeteoplegging d.d. 11 december 2001, nog niet bekend was met de uitspraak van de CRvB d.d. 6 november 2001. In dit kader merkt de rechtbank overigens op dat zij van oordeel is dat het geen novum had behoren te zijn, aangezien desbetreffende uitspraak van de CRvB reeds een maand vóór het nemen van het boetebesluit werd gedaan en verweerder (althans zijn rechtsvoorganger) bovendien verwerende partij was in de zaak waarin door de CRvB op 6 november 2001 uitspraak is gedaan. Gelet op de betekenis van deze uitspraak voor de praktijk van boeteopleggingen, is het de verantwoordelijkheid van verweerder om de informatievoorziening binnen verweerders organisatie zodanig te organiseren, dat de consequenties van een uitspraak met een dergelijke impact voor de uitvoeringspraktijk terstond duidelijk worden gemaakt aan de werkvloer. Verweerder is daarin niet geslaagd, blijkend uit onderwerpelijke boeteoplegging ruim een maand nà genoemde uitspraak van de CRvB. Vandaar dat de rechtbank het standpunt van eiseres inzake de evidente onjuistheid deelt.

In het bestreden besluit wordt verder met een verwijzing naar de jurisprudentie van de CRvB overwogen dat uit het enkele feit dat uit een later gedane rechterlijke uitspraak blijkt dat een in het verleden genomen rechtens onaantastbaar besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift - althans voorzover het gaat om aanspraken over het verleden - voor risico dient te blijven van de betrokkene die in dat besluit heeft berust. De rechtbank deelt deze opvatting - toegepast op het voorliggende geval - niet, nu het hier immers niet gaat om een later gedane rechterlijke uitspraak: deze uitspraak was er reeds voordat de boete werd opgelegd.

De vaststelling dat sprake is van een novum en van een evidente onjuistheid, leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit onjuist heeft gemotiveerd, zodat het beroep van eiseres om die reden gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.

2.5 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proces-kosten van eiseres, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vast-gesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

2.6 Met betrekking tot de door eiseres gevorderde schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente, overweegt de rechtbank dat verweerder zich hieromtrent dient uit te laten in de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 273,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,--, te betalen door UWV.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.J. Bakx, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.J.C. Dijkstra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2005

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 7 maart 2005