Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AS8520

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
04 / 421 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiser trad na werkloosheid in loondienst. Werkgever bood een schriftelijke arbeidsovereenkomst aan. Eiser bleek dat die overeenkomst afweek van al gemaakte mondelinge afspraken, o.a. ten aanzien van loon en duur van de overeenkomst. Na eisers melding daarvan heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd, gebruik makend van het proeftijdbeding. Verweerder (UWV) heeft de WW-uitkering geweigerd i.v.m. de verwijtbaarheid van eiser.

De rechtbank overweegt dat eiser niet zonder weerwoord heeft hoeven aanvaarden dat schriftelijk zou worden vastgelegd hetgeen niet was afgesproken. Werknemers mogen in het algemeen van werkgevers vragen om gemaakte afspraken omtrent arbeidsvoorwaarden in een schriftelijke arbeidsovereenkomst op te nemen en zonodig daarover de nodige discussie te voeren met de werkgever. Dat geldt te meer voor wezenlijke arbeidsvoorwaarden.

Verweerder heeft niet onderzocht of eiser nog enige kans op herstel van het arbeidsconflict heeft gehad. Verweerder heeft op onjuiste gronden aangenomen dat eiser zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04 / 421 WW RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. W.H. Oome,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 januari 2004 (bestreden besluit), inzake de weigering van uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 januari 2005, waar eiser werd vertegenwoordigd door mr. W.H. Oome, en waar verweerder werd vertegenwoordigd door mr. M.B.A. van Grinsven-Janssen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is op 8 september 2003, na een periode van werkloosheid, werkzaamheden gaan verrichten in loondienst van Y. B.V. te O. (werkgever). Voor aanvang van het dienstverband zijn afspraken gemaakt over de arbeidsvoorwaarden. De werkgever zou aan eiser een schriftelijke arbeidsovereenkomst aanbieden. Op 11 september 2003 heeft eisers chef, W, eiser de schriftelijke tekst van een arbeidsovereenkomst aangeboden, en afgesproken is dat die tekst de volgende ochtend besproken zou worden. Eiser heeft geconstateerd dat die tekst op twee onderdelen afweek van hetgeen was afgesproken en op één onderdeel een onduidelijkheid bevatte. Toen eiser dit de volgende ochtend naar voren bracht, heeft W de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd, gebruik makend van het proeftijdbeding.

Eiser heeft verweerder verzocht zijn WW-uitkering voort te zetten in verband met op 15 september 2003 ingetreden werkloosheid. Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft verweerder de uitkering blijvend geheel geweigerd omdat de werkgever hem passend werk heeft aangeboden en omdat eiser dat werk niet heeft behouden terwijl dit wel van hem verlangd had mogen worden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft, samengevat, aangevoerd dat hij geen arbeid heeft geweigerd. Hij stelt zich op het standpunt een mondelinge afspraak te hebben gemaakt met de werkgever om na een jaar de arbeidsovereenkomst te verlengen voor onbepaalde tijd. Ook zou na twee maanden dienstver-band een hoger salaris aan eiser worden uitbetaald. Toen eiser echter vroeg om deze punten schriftelijk (correct) vast te leggen, heeft werkgever hem ontslagen. Eiser heeft zijn opmerkingen over de tekst van de arbeidsovereenkomst bij zijn chef W. naar voren gebracht zonder dat hij gedreigd heeft met het niet ondertekenen van de overeenkomst, of met het niet verder willen werken. Hem is echter te verstaan gegeven dat de arbeidsovereenkomst met on-middellijke ingang eindigde. Eiser heeft niet de gelegenheid gehad te zeggen dat hij de overeenkomst niet wilde laten stuklopen. De werkgever heeft volgens eiser buitensporig gereageerd.

2.3 In artikel 24, eerste lid, onderdeel a van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrek-king tot gevolg zou kunnen hebben;

2.4 Ter beoordeling ligt voor of eiser zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Door verweerder gevraagd om een reactie omtrent het ontslag van eiser, heeft eisers chef W telefonisch kenbaar gemaakt dat aan eiser mondeling toezeggingen waren gedaan, maar dat gezegd is dat deze niet in het contract zouden worden opgenomen. Zo zou eiser afhankelijk van de prestaties na verloop van tijd meer gaan verdienen. Eiser wilde dit, volgens W, perse zwart op wit, en toen is door de werkgever besloten dat men op die manier niet verder wilde.

Op grond van deze verklaring alsmede die van eiser zelf heeft verweerder eiser het verwijt gemaakt dat hij geen coulance heeft betracht tegenover de nieuwe werkgever en daarmee het vertrouwen van de werkgever heeft geschaad.

De rechtbank overweegt dat eiser niet zonder weerwoord heeft hoeven aanvaarden dat schriftelijk zou worden vastgelegd hetgeen niet was afgesproken. Werknemers mogen in het algemeen van werkgevers vragen om gemaakte afspraken omtrent arbeidsvoorwaarden in een schriftelijke arbeidsovereenkomst op te nemen en, indien dat wordt geweigerd of onjuist geschiedt, daarover de nodige discussie te voe-ren met de werkgever. Dat geldt te meer voor wezenlijke arbeidsvoor-waarden, zoals in het onderhavige geval ten aanzien van de duur van de overeenkomst en het loon.

Verweerder heeft W in dit verband ook niet om een specifieke reactie gevraagd. Er blijkt derhalve niet of verweerder heeft onderzocht of eiser nog enige kans op overleg met de werkgever over voortzetting van het dienstverband heeft gehad dan wel enige kans op herstel van het arbeidsconflict. Eisers stelling dat hij al de laan uit gestuurd was voordat hij de gelegenheid had om te protesteren, komt de rechtbank – mede gelet op de brief van eiser aan diens chef d.d. 12 september 2003 – dan ook aannemelijk voor. Dit is overigens in lijn met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 december 2000, gepubliceerd in RSV 2001, 63.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op onjuiste gronden aangenomen dat eiser zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Overigens kan uit hetgeen eisers chef aan verweerder heeft medegedeeld niet de conclusie worden getrokken dat eiser met zijn gedrag heeft kunnen voorzien dat hij zou worden ontslagen.

2.5 Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Door verweerder is onvoldoende kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, en in het verlengde hiervan dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit ver-nietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vast-gesteld op het hieronder opgenomen bedrag wegens verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat het UWV aan eiser het door haar betaalde griffierecht van € 31,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het UWV.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Hödl, rechter, en in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2005.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: