Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AS7920

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
141050/KG ZA 04-677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen onrechtmatige uitlatingen, nu de kleur van de gewraakte artikelen met name wordt bepaald door de toonzetting van de betreffende journalist en niet zozeer door de geciteerde uitlatingen van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

141050/KG ZA 04-677 RECHTBANK BREDA

Sector Handelsrecht

Voorzieningenrechter

19 januari 2005

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding

van 3 januari 2005,

procureur: mr. R.A. Oliemans,

t e g e n :

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

g e d a a g d e ,

procureur: mr. drs. J.H. Hommel.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Oliemans en de door hem in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Hommel.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht. Partijen worden hierna aangeduid met “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

2. Het geschil.

[eiser] vordert als voorlopige voorziening [gedaagde] te veroordelen binnen 5 dagen na vonnis op zijn kosten een rectificatie te doen opnemen met de tekst als vermeld onder 14 in het lichaam der dagvaarding in het dagblad BN/De Stem (regio Bergen op Zoom) in de hoofdpagina van het lokale gedeelte, alsmede op de voorpagina van de Bergen op Zoomse Bode, althans op een wijze dat de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen en voorts [gedaagde] te veroordelen bij wijze van voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding aan [eiser] te voldoen de somma van € 1.500,= althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartegen verweer gevoerd.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- BOB/MGH (Bergse Ondernemers Belangen Middenstand Grootwinkelbedrijf Horeca) is een ondernemersstichting met een werkgebied in en rond de gemeente Bergen op Zoom.

- Gedurende een periode van zeven jaar is [eiser] voorzitter geweest van voormelde stichting.

- In januari 2004 is er een bestuurscrisis ontstaan doordat het Algemeen Bestuur (met uitzondering van de vice-voorzitter, [gedaagde], tevens voorzitter van de activiteitencommissie) zich niet kon vinden in de inhoud van een door de activiteitencommissie aan het gemeentebestuur van Bergen op Zoom gezonden brief, alsmede doordat de activiteitencommissie weigerde zich te conformeren aan eerder door het bestuur in september 2003 vastgelegde beleidsbesluiten.

- Op 13 februari 2004 is het merendeel van het Algemeen Bestuur opgestapt.

- Op 18 mei 2004 heeft overdracht van bevoegdheden plaatsgevonden aan het nieuw bestuur van BOB/MGH, met [gedaagde] als voorzitter.

- In de editie van de Bergen op Zoomse bode van 5 december 2004 (in welk blad ook de gemeentelijke aankondigingen worden gedaan) stond een artikel met, voor zover van belang, de navolgende tekst.

‘ NIEUW BESTUUR BOB/MGH GECONFRONTEERD MET GROOT TEKORT

”We hebben financieel orde op zaken gesteld”

(…)

Het nieuwe bestuur(…) had zichzelf een beter start voorgesteld. Het werd geconfronteerd met een gigantisch tekort van meer dan 40.000 euro. “We schrokken ons rot, zeker ook omdat we in de aanloop naar de Bourgondische Krabbenfoor zaten. Dat evenement hebben we toch dekkend gekregen ,het afgelopen half jaar zijn we druk bezig geweest om financieel orde op zaken te stellen (…)”.

(…).

Gigantisch tekort

Maar het kersverse bestuur zag bij zijn komst dat de BOB/MGH er financieel slecht voor stond. Er was een gigantisch tekort, een exact bedrag wil de huidige voorzitter niet noemen maar hij bevestigt dat het om een bedrag van meer dan 40.000 euro ging. De problemen voor de Bergse ondernemersvereniging dienden zich aan na de negatieve uitlatingen van oud-voorzitter [eiser] richting oud-burgemeester Peter van der Velden en het gemeentebestuur in januari van dit jaar. “Naar aanleiding van publicatie in de media is er een breuk binnen ons ledenbestand bestaan. Lang niet iedereen was het eens met de uitlatingen van Kees van Male. We hebben tweehonderd leden, een deel daarvan betaalde uit onvrede met de publicaties zijn contributie niet meer (…)”.

- In een naast voormeld artikel geplaatst kader staat, voor zover van belang, het navolgende:

‘ “Contacten met gemeente moeten goed zijn”

“Als nieuw bestuur moeten we de contacten met de gemeente Bergen op Zoom weer herstellen.” (…)

[gedaagde] betreurt de gang van zaken zoals die zich begin dit jaar afspeelde. Oud-voorzitter Kees [eiser] uitte in de media stevige kritiek op de toenmalige burgemeester Peter van der Velden en de gemeente Bergen op Zoom. Die uitlatingen schoten bij een behoorlijk aantal leden van de BOB/MGH in het verkeerde keelgat. En niet alleen daar, ook op het stadskantoor was men duidelijk niet gecharmeerd van het optreden van [eiser]. Drie ambtenaren die de afgelopen jaren nauw betrokken waren bij de organisatie van de Bourgondische Krabbenfoor en hand en spandiensten verleenden aan de BOB/MGH werden door Van der Velden van de organisatie afgehaald.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat aan [gedaagde] on-rechtmatig handelen jegens hem kan worden verweten nu de in de Bergen op Zoomse Bode van 5 december 2004 verschenen publicaties diffamerend en be-schadigend zijn en berusten op onwaarheid. [eiser] stelt daartoe dat er ten tijde van de bestuursoverdracht geen financiële problemen waren en dat er een positief eigen vermogen was van ruim € 6.000,=. Het terugtreden van de ambtenaren die nauw betrokken waren bij de Bergse Krabbenfoor was een privé-aangelegenheid waarmee het gemeentebestuur geen bemoeienis heeft gehad. Voorts betwist [eiser] dat contribuanten niet meer zouden willen betalen als gevolg van door hem gedane uitlatingen in de pers. Door de litigieuze publicaties voelt [eiser] zich in eer en goede naam aangetast hetgeen voor hem (im)materiële schade tot gevolg heeft. Dit klemt te meer nu [gedaagde] volgens [eiser] ook in het openbaar (bijvoorbeeld op een ledenvergadering van BOB/MGH) voormelde mededelingen doet.

3.3.

Anders dan [gedaagde] meent vloeit uit de stellingname van [eiser] voort dat hij voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat de gewraakte artikelen een combinatie zijn van eigen nieuwsgaring van de betreffende journalist en enkele passages die rechtstreeks terug te voeren zijn op uitlatingen van [gedaagde]. [gedaagde] heeft ter zitting erkend de in de artikelen tussen aanhalingstekens geciteerde passages daadwerkelijk ten overstaan van de desbetreffende journalist te hebben gedaan.

3.5.

De kleur van voormelde artikelen wordt naar het oordeel van de voorzieningen-rechter met name bepaald door de toonzetting van de betreffende journalist en niet zozeer door de geciteerde uitlatingen van [gedaagde]. In dit verband is van belang de onweersproken stelling van [gedaagde] dat hij door de journalist is benaderd vanwege een negatieve geruchtenstroom die in Bergen op Zoom en omgeving over de BOB/MGH de ronde deed.

3.6.

Voor wat betreft het in het artikel genoemde tekort staat vast dat [gedaagde] geen bedrag heeft genoemd. Wel heeft hij bevestigd dat het tekort meer dan € 40.000,= bedroeg. [gedaagde] stelt dat dit een liquiditeitstekort in 2004 betrof en dat dit tekort geen betrekking had op voorafgaande jaren. Door [eiser] is niet weersproken dat er ten tijde van de bestuursoverdracht sprake was van een liquiditeitstekort; blijkens de door hem als productie 12 overgelegde verklaring van de voormalig penningmeester moest het grootste gedeelte van de inkomsten vlak voor de Bourgondische Krabbenfoor binnen komen (een grote braderie in de laatste week van juli).

In dit licht bezien kan niet gezegd worden dat de uitlatingen van [gedaagde] betreffende het geconstateerde tekort diffamerend en dus onrechtmatig zijn jegens [eiser]. Hieraan doet niet af dat het wellicht op de weg van [gedaagde] had gelegen om, nadat hem was gebleken dat in het artikel naar derden toe de indruk was gewekt dat er sprake was van een structureel begrotingstekort, alsnog enige nuancering aan te brengen.

3.7.

Evenmin is de gewraakte uitlating dat contribuanten niet meer zouden willen betalen als gevolg van door [eiser] gedane uitlatingen in de pers, als onrechtmatig jegens [eiser] aan te merken aangezien dit geen uitlating betreft waardoor de eer en goede naam van [eiser] wordt geschaad. De uitlating is niet kwetsend en heeft geen grievend karakter. De in het kader geplaatste opmerking dat door oud-burgemeester Van der Velden een drietal ambtenaren van de organisatie van de Bourgondische Krabbenfoor zijn afgehaald als gevolg van uitlatingen in de pers van [eiser] is niet door [gedaagde] gedaan, zodat hij terecht stelt daarvoor niet aansprakelijk te zijn.

3.8.

Dat [gedaagde] tijdens een openbare gelegenheden zich op diffamerende wijze zou hebben uitgelaten over [eiser] wordt betwist en is niet aannemelijk gemaakt.

3.9.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de gevorderde rectificatie wordt afgewezen. De gevorderde schadevergoeding is een afgeleide vordering en deelt derhalve dit lot.

4. De kosten.

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

weigert de gevorderde voorzieningen;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1.057,=, waaronder begrepen een bedrag van € 816,= aan procureurssalaris,

verklaart dit vonnis voor wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 19 januari 2005, in tegenwoordigheid van mr. C.H.D.M. van de Kar, waarnemend griffier.