Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AS4071

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
04/2091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks toepasselijkheid Nederlands recht BBA 1945 niet van toepassing. Geen tussentijdse opzegmogelijkheid in arbeidsovereenkomst. Werkgever schadeplichtig o.g.v. art. 7:677 lid 4 BW. Keuzemogelijkheid 7:680 BW. Aard van de vordering wijst op keuze voor volledige schadevergoeding. Loonbestanddelen vordering inmiddels verjaard o.g.v. 7:683 jo. 3:316 BW, dus afgewezen. Vorderingen vakantiebijslag en vakantiedagen ingesteld binnen vejaringstermijnen van twee resp. vijf jaren, met wettelijke rente toegewezen. Vordering onkostenvergoeding als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Art. 7:626 BW niet van toepassing nu het toegewezen deel niet als loon is te beschouwen, daarom afwijzing van de vordering tot het verstrekken van loonspecificaties. Compensatie proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector Kanton – locatie Bergen op Zoom

VONNIS

in de zaak van:

[eiser], wonende te [adres]

eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident,

procederende krachtens definitieve toevoeging nr. 2BZ6728,

gemachtigde: mr. M.M.A. Appelman te Lelystad,

tegen:

de besloten vennootschap BENELUX & JUSTUS GROUP B.V., gevestigd te Roosendaal, aan het adres Nieuwe Markt 65A,

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,

gemachtigde: mr. H. Weinans te Roosendaal.

Partijen zullen verder worden aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “B&J Group”.

1. Het verdere verloop van het geding.

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

- het tussenvonnis van 25 augustus 2004 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte van uitlatingen.

Voormelde stukken dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2. De verdere beoordeling.

2.1.

In het bovengenoemde tussenvonnis heeft de kantonrechter te Bergen op Zoom zich bevoegd verklaard over het geschil te oordelen.

2.2.

[eiser] legt aan zijn vordering de arbeidsovereenkomst ten grondslag. Naar zijn mening is het op 10 februari 2003 door B&J Group gegeven ontslag vernietigbaar, zodat hij doorbetaling van zijn loon vordert tot het einde van de arbeidsovereenkomst, met nevenvorderingen.

2.3.

B&J Group stelt zich primair op het standpunt dat de omstandigheid dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil niet automatisch meebrengt dat het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (hierna: “BBA”) van toepassing is, waardoor de opzegging van het dienstverband met [eiser] rechtsgeldig is gedaan. De Nederlandse sociaal-economische verhoudingen en in het bijzonder de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn immers door de beëindiging van de in het geding zijnde arbeidsovereenkomst volstrekt niet geraakt, nu [eiser] niet naar Nederland is teruggekeerd, hij niet is teruggevallen op de Nederlandse arbeidsmarkt, hij geen werkzoekende in Nederland is en ook niet stelt dat hij WW-uitkeringen heeft aangevraagd. Verder is [eiser] permanent woonachtig in Bulgarije.

B&J Group ontkent ook dat [eiser] vóór zijn indiensttreding bij haar op de Nederlandse arbeidsmarkt werkzaam is geweest. [eiser] heeft slechts, vooruitlopend op zijn dienstbetrekking, het kantoor van B&J Group enkele dagen bezocht.

Subsidiair is B&J Group van mening dat de verjaringstermijn voor het inroepen van de nietigheid van het gegeven ontslag is verlopen. Meer subsidiair is B&J Group van mening dat de loonvordering is verjaard.

Verder stelt B&J Group dat [eiser] slecht functioneerde, als gevolg waarvan zij schade heeft geleden, waardoor bij eventuele toekenning van de loonvordering deze dient te worden gematigd. Voorts heeft [eiser] zich nimmer ter beschikking gesteld c.q. ter beschikking gehouden om de werkzaamheden te continueren. De mededeling van [eiser] dat hij zijn werkzaamheden steeds heeft gecontinueerd is volgens B&J Group onjuist, evenals de mededeling dat dit afgesproken zou zijn met de heer [C.]. Tenslotte stelt B&J Group dat [eiser] de vordering tot betaling van onkostenvergoeding niet heeft onderbouwd, en dat [eiser] geen recht heeft op onkostenvergoeding over de door hem genoemde periode.

2.4.

[eiser] verwijst naar hetgeen hij bij dagvaarding en bij repliek heeft aangevoerd, waardoor hij van mening blijft dat het BBA van toepassing is.

Hij voert verder aan dat hij tijdig de vernietigbaarheid van het gegeven ontslag heeft ingeroepen zodat er geen sprake is van verjaring van de vordering, nu bij aanvang van de procedure de termijn van vijf jaren niet is verlopen.

Voorts verzoekt [eiser] de door B&J Group overgelegde producties niet in behandeling te nemen omdat het om een nieuw opgeworpen verweer gaat. Hij verwijst hiertoe naar artikel 128 lid 3 Rv, waar bepaald is dat indien niet ten principale is geantwoord het recht vervalt nadien nog principale verweren op te werpen.

Subsidiair heeft [eiser] op de stellingen van B&J Group en de daarop betrekking hebbende producties gemotiveerd verweer gevoerd.

2.5.

Voor de beantwoording van de vraag of de toepasselijkheid van het Nederlands recht te dezen de toepasselijkheid van het BBA meebrengt, moet worden onderzocht of bij het onderhavige ontslag de sociaal-economische belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn betrokken.

[eiser] heeft niet alleen de Bulgaarse, maar ook de Nederlandse nationaliteit. [eiser] heeft gesteld dat hij vanaf 1991 op de Nederlandse arbeidsmarkt werkzaam is geweest. Vanaf 11 november 2002 heeft hij in opdracht van B&J Group werkzaamheden verricht in Bulgarije. Op 1 januari 2003 is hij in dienst getreden bij B&J Group in de functie van manager voor de vestiging te Sofia in Bulgarije. De arbeidsovereenkomst is gesloten voor de bepaalde tijd van zes maanden. Op grond van dit tijdelijk dienstverband stelt [eiser] verzekerd te zijn geweest voor de Nederlandse zekerheidswetgeving.

B&J Group betwist dat [eiser] op de Nederlandse arbeidsmarkt werkzaam is geweest. Zij heeft aangevoerd dat [eiser] vooruitlopend op zijn dienstbetrekking zich wenste te oriënteren en daartoe haar kantoor enkele dagen heeft bezocht, maar dat hij daadwerkelijk geen werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Voorts heeft B&J Group onbetwist aangevoerd dat [eiser] na zijn ontslag niet is teruggevallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. [eiser] heeft immers geen baan in Nederland gezocht, is niet naar Nederland teruggekeerd en heeft in Nederland geen werkloosheidsuitkering aangevraagd. Bovendien is [eiser] permanent woonachtig in Bulgarije. B&J Group heeft voort nog onbetwist aangevoerd dat [eiser] naar de regels van Bulgaars recht tevens als manager in dienst is van Benelux Justus Bulgaria O.D.D., een vennootschap naar Bulgaars recht, en dat hij na het ontslag zijn werkzaamheden voor die laatste vennootschap gecontinueerd heeft waarvoor zijn loon is doorbetaald.

[eiser] heeft bij dagvaarding een kopie van de loonstrook van januari 2003 overgelegd. Hieruit blijkt dat voor de sociale zekerheidswetgeving slechts een bijdrage is ingehouden terzake van werknemersbijdrage Ziekenfondswet. Van een afdracht van andere premies, waaronder premie voor de Werkloosheidswet, is niet gebleken.

De belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt zijn bij de werkzaamheden die [eiser] in het kader van de tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft verricht, niet betrokken.

Gelet op het voorgaande, alsmede het feit dat [eiser] ook na zijn ontslag geen beroep meer heeft gedaan op de Nederlandse arbeidsmarkt, is de kantonrechter van oordeel dat bij verbreking van de arbeidsverhouding onvoldoende Nederlandse belangen betrokken zijn, welke het BBA beoogt te beschermen. De conclusie is dan ook dat het BBA niet van toepassing is op de arbeidsverhouding tussen partijen.

2.6.

Nu het BBA niet van toepassing is dient te worden beoordeeld of de vordering van [eiser] op andere gronden toewijsbaar is.

In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geen mogelijkheid opgenomen tot tussentijdse opzegging. B&J Group heeft op 10 februari 2003 de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 17 februari 2003, in de veronderstelling dat dit mogelijk was op grond van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijdbeding. Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan voor korter dan twee jaren kan echter ten hoogste een proeftijd van één maand worden overeengekomen. Hieruit volgt dat B&J Group de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd waardoor zij op grond van artikel 7: 677 BW schadeplichtig is. [eiser] heeft op grond van artikel 7: 677, lid 4 BW de keus de in artikel 7: 680 BW genoemde gefixeerde schadevergoeding te vorderen of een volledige schadevergoeding. Uit de aard van de vordering wordt geconcludeerd dat [eiser] heeft gekozen voor volledige schadevergoeding.

2.7.

Artikel 7: 683 BW bepaalt dat iedere rechtsvordering krachtens artikel 7: 677, lid 4, na verloop van zes maanden verjaart. Op grond van artikel 3: 316 BW is stuiting van de verjaring mogelijk door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in vereiste vorm geschiedt. Indien al zou worden geoordeeld dat de van de zijde van [eiser] verzonden brieven van 14 februari 2003, 8 april 2003 en 15 augustus 2003 zouden kunnen worden beschouwd als stuiting van de verjaring, zou uiterlijk op 16 augustus 2003 een nieuwe verjaringstermijn zijn gaan lopen, gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn van zes maanden, zodat deze is verstreken op 16 februari 2004. [eiser] heeft de dagvaarding waarin hij zijn vordering heeft ingesteld, echter pas doen betekenen op 2 april 2004, dus na het verstrijken van de verjaringstermijn. [eiser] zal daarom in zijn vorderingen sub 2.a. en 2.b. niet-ontvankelijk worden verklaard, alsmede in zijn vordering sub 2.e..voor zover dit betreft de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW, gevorderd over de bedragen sub 2.a. en 2.b.

2.8.

Op grond van artikel 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: “WMM”) wordt onder loon niet verstaan de vakantiebijslagen. Artikel 20 WMM bepaalt dat ieder vorderingsrecht tot betaling van vakantiebijslag verjaart na verloop van twee jaren na het tijdstip, waarop de uitbetaling had moeten geschieden.

Artikel 7: 642 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot toekenning van vakantie verjaart door verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.

De hierop betrekking hebbende vorderingen sub 2.c. en 2.d. zijn ingesteld binnen de genoemde termijnen, zodat [eiser] in deze vorderingen kan worden ontvangen, evenals in de vordering sub 2.e. met betrekking tot de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW voor zover betrekking hebbend op de vorderingen sub 2.c. en 2.d. van genoemd tussenvonnis.

Hierboven onder 2.6. is reeds geoordeeld dat B&J Group de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd, waardoor zij schadeplichtig is. Uitgangspunt is de volledige schadevergoeding. De hoogte van deze vorderingen is onbetwist gebleven. Nu de verjaringstermijnen met betrekking tot deze vorderingen nog niet zijn verstreken zullen deze als verder onbetwist worden toegewezen. De rente zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, nu [eiser] geen andere datum heeft genoemd. Het verweer van B&J Group betrekking hebbend op het functioneren van [eiser], zal als zijnde tardief en verder niet meer terzake doende, worden gepasseerd.

2.9.

Met betrekking tot de vordering sub 2.f. wordt het volgende overwogen. Op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is B&J Group een bedrag van € 350,00 per maand aan [eiser] verschuldigd ten behoeve van de te maken onkosten, welke zullen worden gedekt door facturen, welke aan de werkgever zullen worden verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] facturen aan B&J Group heeft gestuurd met betrekking tot de gevorderde onkosten. Verder heeft B&J Group bij dupliek aangevoerd dat [eiser] geen recht heeft op onkostenvergoeding over de genoemde periode en voorts dat hij deze vordering niet heeft onderbouwd. Bij akte heeft [eiser] hierop niet meer gereageerd. Om deze redenen zullen de vorderingen sub 2.f. en 2.g. van [eiser] worden afgewezen.

2.10.

Op grond van artikel 7: 626 BW is de werkgever verplicht bij elke voldoening van het in geld vastgestelde loon de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken van het loonbedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld, van de bedragen die op het loonbedrag zijn ingehouden, (…) tenzij zich ten opzichte van de vorige voldoening in geen van deze bedragen een wijziging heeft voorgedaan. [eiser] heeft gesteld afgezien van de betaling van een voorschot aan loon over januari 2003 geen andere loonbetalingen te hebben ontvangen. Bij de voldoening van het loon over januari 2003 heeft B&J Group een loonspecificatie verstrekt. Hetgeen door B&J Group nog voldaan dient te worden, is zoals reeds onder 2.8. geoordeeld, niet te beschouwen als loon, zodat artikel 7: 626 BW hierop niet van toepassing is. De vordering sub 2.h. van [eiser] wordt om deze reden afgewezen.

2.11.

Nu beide partijen voor een deel in het (on)gelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt, met inbegrip van de kosten in het incident.

3. De beslissing.

De kantonrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van loon, alsmede in de vordering tot betaling van overuren;

- veroordeelt B&J Group tot betaling aan [eiser] van:

a. een bedrag van € 802,94 bruto, terzake van vakantiegeld;

b. een bedrag van € 645,97 terzake van dertien niet genoten vakantiedagen;

c. de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW over de onder a. en b. genoemde bedragen vanaf 2 april 2004 tot de dag der algehele voldoening;

- compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 26 januari 2005.