Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AS2214

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
308654/CV/04-3058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonrechter wijst de vordering van Dexia toe onder meer omdat de klant te weinig heeft gesteld omtrent haar opleiding, beleggingservaring, beleggingsdoelstellingen en de bestedingsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

sector kanton – locatie Breda

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V., gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigden: L.C.J. Netten, L.W.J. Danen en J.H. Vekemans, gerechtsdeurwaarders te Tilburg,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats], aan [adres],

gedaagde, procederende in persoon.

1. Het procesverloop

Dat blijkt uit het vonnis van de sector handelsrecht van de rechtbank Breda van 12 november 2003 en de daarin genoemde stukken alsmede uit:

a. het exploot van oproeping van 4 mei 2004 met producties;

b. de conclusie van antwoord;

c. de conclusie van repliek met producties;

d. de conclusie van dupliek met een productie;

e. de akte uitlating zijdens Dexia.

Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk Dexia en [gedaagde].

2. Het geschil

Dexia vordert [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 8.131,81, vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagde] heeft de vordering bestreden.

3. De beoordeling

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken dan wel op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

Bij vonnis van de rechtbank Breda van 12 november 2003 heeft de sector handelsrecht op grond van artikel 93 Rv heeft geoordeeld dat de sector kanton bevoegd is om van het geschil van partijen kennis te nemen en daartoe de zaak verwezen naar de kantonrechter ter verdere behandeling.

Waar in dit vonnis sprake is van Dexia worden daarmee ook haar rechtsvoorgangsters de Bank Labouchere en Legio-Lease bedoeld.

[gedaagde] is gehuwd geweest met Boonstoppel. Het huwelijk is in 2000 ontbonden door echtscheiding.

[gedaagde] heeft een op 13 juni 1999 gedateerde “Aanmeldingsbon” ondertekend en aan Legio-Lease toegezonden.

Vervolgens heeft de bank de “Lease-overeenkomst nummer: [OVEREENKOMST]” (verder: de overeenkomst) aan [gedaagde] toegezonden. Deze overeenkomsten heeft de bank aangeprezen met de naam “WinstVerDriedubbelaar”. Deze overeenkomst is gedateerd 17 juni 1999. [gedaagde] heeft deze overeenkomst getekend retour gezonden waardoor de overeenkomst tot stand is gekomen.

Dexia heeft nadien de rechten en verplichtingen van Legio-Lease BV uit hoofde van de overeenkomst overgenomen.

Blijkens die overeenkomst zijn op 16 juni 1999 pakketten aandelen (ABN AMRO, Ahold en ING) gekocht voor een totaalbedrag van € 12.974,04.

In de overeenkomst is voor een zelfde bedrag een tweede (12 maanden na de eerste aankoop) en een derde aankoop (24 maanden na de eerste aankoop) voorzien.

Omtrent rente is in het contract vermeld:

“Totaal te betalen rente tijdens de looptijd van deze lease-overeenkomst € 8.166,64”.

De lease som bedraagt daardoor in totaal € 38.922,12

In deze overeenkomst is voorts bepaald:

“2. Deze lease overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van 36 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden.

3. De lease som bedraagt:

a. Het totaal van 36 gelijke termijnen van f 499,91 (€ 226,85)

(...).

b. Een bedrag van: f 100,- (...) op of omstreeks de 35e maand.

c. Aan het einde van de deze overeenkomst het restant van zege

f 85.673,07 (€ 38.876,74) (…)

Dit restant wordt in principe verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.

4. Betaling van de hierboven genoemde maandtermijnen zal uitsluitend geschieden door middel van een automatische (post) bank-incasso op een speciaal daartoe geopende rekening bij Bank Labouchere N.V.(…)

8. Aan het einde van de looptijd heeft lessee het recht deze lease-overeenkomst te verlengen voor een periode van 36 maanden. Verlenging geschiedt op basis van een maandtermijnen tegen de alsdan bij Legio-Lease geldende condities. Vanaf 1 jaar na deze verlenging kan lessee deze lease-overeenkomst dagelijks en zonder kosten beëindigen. (…)

10. Lessee verklaart door ondertekening van deze lease-overeenkomst bekend te zijn met de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van de Legio-Lease zoals die zijn afgedrukt aan de ommezijde, alsmede de toepasselijkheid daarvan op deze lease-overeenkomst te aanvaarden”.

In de bij genoemde overeenkomst behorende bijzondere voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

2. Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Ten einde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na verkrijging ervan door Legio-Lease ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van Bank Labouchere, overeenkomstig artikel 17 van de Wge, ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. Legio-Lease behoud het eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden de beschikken zonder dat deed en nadele van lessee werkt. De lessee kan niet over de waarden beschikking, behoudens met voorafgaande schriftelijke toestemming van Legio-Lease. Legio-Lease draagt het risico van het verloren gegaan van de waarden totdat deze eigendom van lessee is geworden.

3. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. (…)

6. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen (…), is Legio-Lease gerechtigd (…) het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(men) in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door Legio-Lease te bepalen moment ter beurze of anderszins. Legio-Lease zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald.

7. Indien lessee nalatig is het door hem aan Legio-Lease verschuldigde te voldoen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten, zowel in als buiten rechte, voor rekening van lessee. De zogenaamde buitengerechtelijke incassokosten belopen 15 % van het gevorderde met een minimum van f 250,-. (…)

10. Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zullen de waarden aan lessee worden uitgeleverd tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst al in dat geval door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt zo spoedig mogelijk na opdracht daartoe plaats. (…)

12. Legio-Lease zal het Bureau Kredietregistratie (BKR) te Tiel informeren over de overeenkomst en eventuele betalingsachterstanden van lessee.

[gedaagde] heeft aan de maandelijkse verplichting tot betaling van € 226,85 voldaan.

Bij brief van 12 november 2002 heeft Dexia aan [gedaagde] de eindafrekening toegezonden. Daar blijkt dat de aandelen op 17 juni 2002 zijn verkocht en dat door [gedaagde] resteert te betalen een bedrag van € 5.894,69.

[gedaagde] heeft dat bedrag, ondanks sommatie, onbetaald gelaten.

Volgens Dexia heeft zij op grond van de overeenkomst en de bijzondere voorwaarden aanspraak op betaling van € 5.894,69 vermeerderd met rente en kosten.

Daartegen heeft [gedaagde] verweer gevoerd.

Kort weergegeven heeft [gedaagde] verwezen naar een vonnis van 25 augustus 2004 van de rechtbank te Amsterdam inzake een geschil van de stichting Leaseverlies tegen Dexia en (bij de conclusie van dupliek) verzocht om ontbinding van de overeenkomst. Voorts heeft zij gesteld: “dat ik aan al mijn verplichtingen heb voldaan terwijl ik dat na onze scheiding niet meer kon, maar toch heb gedaan”, alsmede “dat Dexia slechte tot geen informatie heeft verstrekt over wat er fout kan gaan”.

Uit het vorenoverwogene blijkt dat de door partijen gesloten overeenkomst in hoofdzaak inhoudt dat:

a.de bank aandelen koopt voor een bedrag van € 38.922,12;

b.[gedaagde] dit bedrag aan het einde van de lease-overeenkomst dient terug te betalen;

c. zodra [gedaagde] alle verplichtingen krachtens deze overeenkomst jegens de bank is nagekomen, zij van rechtswege eigenaresse van de aandelen wordt;

d.[gedaagde] terzake van rente een bedrag van € 8.166,64 verschuldigd is;

e.de betaling van rente dient te geschieden door in een tijdvak van 36 maanden na 17 juni 1999 maandelijks aan de bank te betalen een bedrag van f 499,91 (36 x f 499,91 = f 17.996,90);

g. bij verkoop van de aandelen de koopsom kan worden verrekend met de verkoopopbrengst.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] heeft betrekking op de door haar verzochte ontbinding van de overeenkomst.

Door te verwijzen naar het door de rechtbank Amsterdam beoordeelde geschil tussen de stichting Leaseverlies en Dexia neemt de kantonrechter aan dat [gedaagde] beoogd heeft aan te voeren dat voor het aangaan van de effecten lease-overeenkomst toestemming is vereist van de echtgenoot als bedoeld in artikel 1:88 BW, bij gebreke waarvan de rechtshandeling die een echtgenoot in strijd hiermee heeft verricht op grond van artikel 1:89 BW vernietigbaar is.

Deze stelling kan [gedaagde] niet baten reeds omdat op grond van artikel 1:89, eerste lid, BW slechts de andere (ex) echtgenoot een beroep op deze vernietigingsgrond kan doen. De ex-echtgenoot van [gedaagde] is evenwel geen partij in dit geding en gesteld, noch gebleken is dat de overeenkomst buiten rechte reeds is vernietigd door die andere ex- echtgenoot (in dit geval de heer [EX-ECHTGENOOT]).

Het verweer van [gedaagde] komt er in wezen op neer dat haar niet, althans onvoldoende, duidelijk is gemaakt dat zij een overeenkomst van geldlening met Dexia sloot. Naar kantonrechter aanneemt heeft [gedaagde] daarbij met name het oog op de verplichting tot terugbetaling van het aankoopbedrag van de aandelen van € 38.876,74 (= f 85.673,07).

Voor zover [gedaagde] beoogd heeft een beroep te doen op dwaling wordt het volgende overwogen.

In artikel 6:228 BW is bepaald dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, onder meer vernietigbaar is indien de dwaling is te wijten aan een inlichtingen van de wederpartij (tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichtingen zal worden de gesloten).

[gedaagde] heeft niet gesteld op welke inlichtingen zij het oog heeft.

Voor zover [gedaagde] het oog heeft op de door Dexia als productie 9 bij de conclusie van repliek in het geding gebrachte advertentie in het Algemeen Dagblad waaruit zij de aanmeldingsbon

heeft geknipt wordt overwogen dat uit de inhoud van die advertentie niet blijkt dat bij het einde van de looptijd het aankoopbedrag niet behoeft te worden terugbetaald.

De stelling van [gedaagde] dat Dexia “geen tot slechte informatie heeft verstrekt over wat er fout kan gaan”, vat de kantonrechter verder op als een beroep op het schenden van de zorgplicht van de bank.

Meer specifiek heeft [gedaagde] in dit verband gesteld dat Dexia er niet op heeft gewezen dat na verkoop van de aandelen een schuld kon resteren en dat zij en haar ex man “er nooit aan begonnen” waren als Dexia die informatie wel had verstrekt.

Dexia heeft er (uitvoerig) op gewezen dat het [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat zij geld leende waarmee aandelen werden gekocht.

Omtrent de vraag of Dexia [gedaagde] eigener beweging een negatief scenario had moeten voorhouden en wat de gevolgen zijn indien dat is nagelaten, wordt het volgende overwogen.

Naar mate de aspirant belegger minder kennis en ervaring heeft met een beleggingsproduct is er een nadrukkelijker verplichting aan de zijde van de bank tot het verschaffen van duidelijke informatie, waaronder – onder omstandigheden - ook het schetsen van een negatief scenario.

Uit de aard van de effectenleaseconstructie, zoals die is aangeboden, vloeit voort dat de potentiële belegger in belangrijke mate kon beoordelen of die constructie in beginsel geschikt was om aan zijn of haar beleggingsoogmerk te voldoen. Het bedrag waarvoor in effecten wordt geïnvesteerd, de aard van die effecten en de duur van de investering zijn immers voor de belegger op voorhand volledig kenbaar.

[gedaagde] heeft niets gesteld omtrent haar opleiding, beleggingservaring, beleggingsdoelstellingen en haar bestedingsruimte. Zij heeft evenmin specifiek gesteld dat - gelet op een en ander - Dexia haar zorgplicht heeft geschonden door geen informatie in te winnen omtrent de klant enerzijds en dat Dexia op grond daarvan meer informatie had dienen te verschaffen omtrent het beleggingsproduct anderzijds. De enkele stelling van [gedaagde] inhoudende dat als zij had geweten dat een schuld kon resteren zij er nooit aan was begonnen, is onvoldoende om de toetsing van de zorgplicht van Dexia in rechte te rechtvaardigen. Zoals hiervoor overwogen, is de inhoud van de overeenkomst zodanig dat een potentiële belegger op basis daarvan kan beoordelen of de aangeboden constructie in beginsel geschikt is om aan zijn beleggingsoogmerk te voldoen.

Derhalve komt de restschuld voor toewijzing in aanmerking.

Bij brief van 12 november 2002 heeft Dexia aan [gedaagde] een eindafrekening toegezonden met daarbij gevoegd een specificatie.

Daaruit blijkt dat na verkoop van de aandelen op 17 juni 2002 resteert te betalen een bedrag van € 5.894,69.

[gedaagde] heeft de juistheid van dit bedrag niet bestreden zodat het wordt toegewezen.

Volgens Dexia heeft zij aanspraak op de contractuele rente van 0,96% per maand.

[gedaagde] heeft dat niet specifiek weersproken.

Gelet hierop en op de brief van Dexia aan [gedaagde] van 1 november 2002 wordt de contractuele rente over voormeld bedrag toegewezen met ingang van 15 november 2002.

Ter zake van buitengerechtelijke incassokosten heeft Dexia € 788,97 gevorderd.

Daartegen heeft [gedaagde] evenmin specifiek verweer gevoerd.

Op grond hiervan wordt overeenkomstig het gebruikelijke tarief toegewezen een bedrag van

€ 788,97.

4. De kosten

[gedaagde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van Dexia gevallen, te worden verwezen.

5. De beslissing

- veroordeelt [gedaagde] aan Dexia te betalen een bedrag van € 6.683,66 (zesduizend zeshonderddrieëntachtig euro en zesenzestig cent), vermeerderd met de contractuele rente van 0,96% per maand vanaf 15 november 2002 over € 5.894,69 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure voor zover aan de zijde van Dexia gevallen, en tot op heden begroot op € 820,56 waaronder € 540,= als salaris van de gemachtigde van Dexia;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 12 januari 2005.