Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AR6419

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-11-2004
Datum publicatie
25-11-2004
Zaaknummer
03/5670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aandelenlease; WinstVerDriedubbelaar; artikel 1:88 BW; misleiding; zorgplicht; redelijkheid en billijkheid in verband met beperking schadevergoedingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector Kanton – locatie Bergen op Zoom

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V., gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie / verweerster in reconventie,

gemachtigde: A.M. Wedts de Swart (NautaDutilh) te Amsterdam,

rolgemachtigde: gerechtsdeurwaarders L.C.J. Netten en L.W.J. Danen te Tilburg,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats], aan het adres [adres],

gedaagde in conventie / verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. M. de Jong te Fijnaart.

Partijen worden hierna aangeduid respectievelijk als “Dexia” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

in conventie:

- de dagvaarding van 12 september 2003 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek tevens akte houdende voorwaardelijke wijziging van eis met producties;

- de conclusie van dupliek met producties;

in reconventie:

- de conclusie van eis met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties;

- de uitlating van de zijde van [gedaagde].

2. Het geschil

in conventie

2.1. Dexia vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.603,17 met contractuele rente. Zij legt aan haar vordering de ten processe bedoelde overeenkomst ten grondslag en zij stelt, dat [gedaagde] uit hoofde daarvan voornoemd bedrag aan haar verschuldigd is. Tot slot stelt zij buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt tot een bedrag van € 483,14 inclusief BTW.

2.2. [gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist en hij heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Hij heeft daartoe –voor zover hier van belang– aangevoerd:

- [gedaagde] had bij het aangaan van de overeenkomst geen kennis van beleggen of van vermogensbeheer;

- [gedaagde] is ongevraagd op agressieve, hinderlijke en indringende wijze herhaalde malen per telefoon door een callcenter namens Dexia benaderd met het verzoek een overeenkomst, die de aanschaf van effecten beoogde, aan te gaan;

- [gedaagde] is misleid; hij is niet, althans onvoldoende gewezen op de risico’s van het leasen van effecten; de informatie was eenzijdig gelet op het zwaar benadrukken van de winstkansen, terwijl ook de benaming WinstVerDriedubbelaar misleidend was; er is niet gewezen op het risico van beperkte spreiding en van de optieconstructies, terwijl [gedaagde] ten onrechte is voorgehouden, dat de overeenkomst goedkoper zou zijn dan het handelen in effecten via een bank; Dexia wist dat de fiscale aftrek van rente niet lang meer mogelijk zou zijn; de aankoop en verkoop van de effecten is niet tegen de meest gunstige koers geschied;

- Dexia heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht; [gedaagde] is onvoldoende voorgelicht; er is geen profiel van [gedaagde] gemaakt; Dexia had tijdig om meer zekerheden moeten vragen; onvoldoende duidelijk was het dat het om een lening ging en dat het geen spaarregeling betrof; er is niet gewaarschuwd tegen risico’s van beleggen in aandelen en van onvoldoende spreiding van de effectenportefeuille; de optieconstructie was niet duidelijk; de mededeling met betrekking tot de kosten en de fiscale consequentie was onjuist; de voorlichting omtrent de handelwijze bij einde looptijd was onjuist;

- uit een onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: onderzoek AFM) blijkt ook, dat er sprake is van misleiding, van cold calling, van het ontbreken risicoprofiel en van afrekening volgens onjuiste prijs;

- [gedaagde] is aangesloten bij de Stichting Leaseverlies (hierna: de Stichting); hij wenst aanhouding tot in de zaak tussen Dexia en de Stichting door de rechtbank te Amsterdam (rolnr. 2003/0142) uitspraak is gedaan;

- de overeenkomst is in strijd met het bepaalde in artikel 1:88 BW juncto artikel 7a:1576a BW nu de echtgenote van [gedaagde] de overeenkomst niet heeft ondertekend;

- het toe te wijzen bedrag behoort te worden gematigd.

2.3. Dexia heeft voor het geval haar primaire vordering in conventie zou worden afgewezen en de vordering in reconventie zou worden toegewezen haar eis gewijzigd in dier voege, dat zij in dat geval vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1. van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van bedoelde effecten op datum van vernietiging of ontbinding van de betreffende overeenkomst. Zij beroept zich daarbij op artikel 6:278 van het Burgerlijk Wetboek.

Zij heeft voorts nog gesteld :

- er is geen sprake geweest van agressieve verkoopmethodes, terwijl artikel 26 van de Nadere Regeling 1999 (hierna: NR 1999) onverbindend is; er is geen sprake van het sluiten van een overeenkomst na cold calling, aangezien [gedaagde] slechts per telefoon is gevraagd of hij geïnteresseerd was in het ontvangen van informatie over effectenlease en hij vervolgens in alle rust heeft kunnen beslissen over de aankoop van de aandelen; nadat eerst het aanmeldingsformulier en de brochure aan [gedaagde] waren toegestuurd en door hem ondertekend waren geretourneerd, is hem een conceptovereenkomst toegestuurd, die vervolgens door hem ondertekend aan Dexia retour is gezonden;

- uit de documentatie die aan [gedaagde] ter hand gesteld werd bleek voldoende duidelijk dat het een belegging in aandelen betrof die gefinancierd zou worden met geleend geld; [gedaagde] kon voldoende bekend worden verondersteld met de risico’s van beleggen in aandelen met geleend geld; de portefeuille bestond uit solide aandelen; de optieconstructie was duidelijk; de opties waren niet verhandelbaar ter beurze; er was geen sprake van misleiding omtrent fiscale consequenties; de mededelingen omtrent de looptijd waren voldoende duidelijk;

- ook artikel 28 NR 1999 is niet verbindend; een risicoprofiel van de financiële positie van [gedaagde] behoefde derhalve niet te worden opgemaakt; er bestond geen plicht aan de zijde van Dexia om meer zekerheden te vragen;

- [gedaagde] is geen partij bij de procedure tussen de Stichting en Dexia;

- slechts de echtgenote van [gedaagde] kan een beroep doen op het bepaalde in artikel in 1: 88 BW; zij is geen partij bij deze procedure;

- ten aanzien van de matiging: er is geen sprake van onaanvaardbare gevolgen bij toewijzing van de vordering.

2.4. [gedaagde] heeft hierop nog eens gereageerd.

in reconventie

2.5. [gedaagde] heeft gevorderd, dat de overeenkomst dient te worden vernietigd dan wel ongegrond of onrechtmatig verklaard te worden a) wegens misleiding c.q. dwaling aan de zijde van [gedaagde], b) wegens tekortkoming in de nakoming van Dexia, c) wegens de wijze waarop Dexia gehandeld heeft bij het aangaan van de overeenkomst dan wel d) wegens het feit, dat de echtgenote van [gedaagde] de overeenkomst niet heeft ondertekend en/of e) dat de zaak dient te worden verwezen naar de procedure tussen de Stichting Leaseverlies en Dexia (rechtbank Amsterdam rolnr. 2003/0142) dan wel dat de beslissing dient te worden aangehouden totdat in deze procedure vonnis is gewezen.

2.6. Dexia heeft de vordering gemotiveerd betwist en zij heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan.

Dexia heeft uiteindelijk nog aangevoerd, dat [gedaagde] niet per telefoon benaderd is met het verzoek om effecten aan te schaffen.

3. De beoordeling

3.1. De vaststaande feiten:

in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist staat tussen partijen het navolgende vast:

- Dexia is rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap Bank Labouchère N.V.; deze laatste is rechtsopvolgster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Legio Lease B.V.; hierna worden indien gesproken wordt over Dexia haar rechtsvoorgangsters hieronder begrepen;

- Een brochure, die tezamen met een aanvraagformulier op of omstreeks 6 juni 1999 door Dexia aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld, luidt -voor zover hier van belang- : “ Premie WinstVerDriedubbeling Uw inleg bestaat volledig uit rente...Zo verdienen uw aandelen voor u de driedubbele koerswinst! ...Belastingvrije uitbetalingen en effectieve rendementen per jaar bij verschillende koersstijgingen... De AEX...steeg sinds haar ontstaan eind 1982 met gemiddeld 15,7 % per jaar. Over de laatste tien periodes van drie jaar was de stijging gemiddeld 15,3 % per jaar...De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst... Belastingvrij Uw maandbedrag bestaat alleen uit rente.

De rente... die betrekking heeft op 1999 en 2000 is in ieder geval nog fiscaal aftrekbaar... Deze rente is in 1999 aftrekbaar tot maximaal f.10.404,00 voor gehuwden. In die tijd kan de WinstVerDriedubbelaar dus nog voordeliger voor u uitpakken dan wij in de voorbeelden laten zien... Einde ... Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen. U kunt dan desgewenst gebruik maken van de verlengingsgarantie... Let op ...beleggen geeft u kans op een hoger maar ook een lager rendement. Dit risico is voor u ... de waarde van uw belegging kan fluctueren. Naarmate in meer risicovolle beleggingsvormen wordt belegd, zullen de te behalen rendementen onderhevig zijn aan grote schommelingen en kan dus ook de eindopbrengst meer afwijken van de in de voorbeelden gehanteerde bedragen...”.

- Dexia en [gedaagde] hebben op 17 juni 1999 voor de duur van 36 maanden onder toepasselijkheid van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease een overeenkomst gesloten ten behoeve van het product WinstVerDriedubbelaar onder contractnummer [contractnummer] (hierna: de overeenkomst).

- In het kader van de overeenkomst diende [gedaagde] 36 maal op de eerste dag van de maand een bedrag van f.248,53 (€ 112,78) als rentevergoeding aan Dexia te betalen, alsmede een bedrag van f.100,00 omstreeks de 35e maand en tot slot een bedrag van f.42.541,00 (€ 19.304,26) aan het einde van de looptijd van de overeenkomst tegen levering van de door Dexia hierna bedoelde aandelen. Dexia diende op haar beurt op 9 juni 1999 en daarna nog twee maal, op 9 juni 2000 en 9 juni 2001, voor een bedrag van f.14.213,67 (€ 6.449,88) aandelen Amro, Ahold en ING te leasen aan [gedaagde].

- Op 10 juni 2002 is, nadat de aandelen verkocht waren, door Legio klantenservice aan [gedaagde] een eindafrekening gezonden met het verzoek een bedrag van € 2.603,17 te betalen. Op 8 mei 2003 is [gedaagde] door Dexia klantenservice gemaand voornoemd bedrag binnen 14 dagen te betalen. Op 27 juni 2003 is [gedaagde] door de gemachtigde van Dexia gemaand voornoemd bedrag vermeerderd met € 183,72 rente en vermeerderd met incassokosten binnen 5 dagen te betalen.

Voorts in conventie

3.2. ten aanzien van de door [gedaagde] verzochte aanhouding

Nu de rechtbank Amsterdam in de zaak tussen Dexia en de Stichting reeds uitspraak (rechtbank Amsterdam 7 juli 2004, LJN AP8458) heeft gedaan, behoeft dit verweer geen behandeling meer. [gedaagde] is aangesloten is bij de Stichting. Er wordt van uit gegaan, dat hij bekend is met deze uitspraak. Het schikkingsvoorstel van de Commissie Geschillen Aandelenlease ingesteld door de minister van Financiën is inmiddels door Dexia van de hand gewezen.

Het beroep op vernietigbaarheid van de overeenkomst omdat daartoe toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub d BW van de echtgenote van [gedaagde] heeft ontbroken faalt, omdat dit beroep blijkens artikel 1:89 BW alleen door deze laatste kan worden gedaan en zij geen partij is bij de onderhavige procedure.

3.3. ten aanzien van de misleiding

De tekst van de in vorenbedoeld vonnis besproken advertentie is op de van belang zijnde punten gelijk aan die van de aan [gedaagde] verstrekte brochure.

Inmiddels is geoordeeld (rechtbank Amsterdam d.d. 7 juli 2004 LJN AP8458, alsmede rechtbank Amsterdam d.d. 30 juni 2004 LJN AP 4933 en HvJEG 16 juli 1998, NJ 2000,374) dat de reclame van Dexia voor de WinstVerDriedubbelaar niet als misleidend kan worden aangemerkt voor de “gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument”. De kantonrechter maakt dit oordeel tot het hare. Dit verweer van [gedaagde] zal derhalve worden gepasseerd. Ook ontvalt daarmee de grond aan zijn beroep op dwaling.

3.4. ten aanzien van de zorgplicht

De stelling van Dexia dat de Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) het wettelijk kader van artikel 11 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) te buiten gaat zal worden verworpen.

In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2003 LJN AO 2465 alsmede rechtbank Amsterdam d.d. 30 juni 2004 LJN AP 4983 is geoordeeld, dat dit voor artikel 28 NR niet het geval is. De kantonrechter maakt dit oordeel tot het hare. Er is gelet op de overwegingen in dat vonnis geen aanleiding ten aanzien van de overige hier van belang zijnde bepalingen van de NR 1999 anders te oordelen. Alle zijn deze immers uiteindelijk terug te voeren op het in de considerans van de Wte 1995 opgenomen doel van bescherming van de belegger tegen de risico’s van beleggen, terwijl voorts het in acht nemen van de bijzondere zorgplicht door -onder meer de bank- Dexia ook voortvloeit uit haar maatschappelijke functie (HR 9 januari 1998, NJ 1999,285). De onderhavige overeenkomst is op 17 juni 1999 gesloten. De NR 1999, eerste versie geldend vanaf 1 februari 1999, was toen in werking getreden.

a) [gedaagde] klaagt er over dat de verkoopmethode agressief is geweest. Mogelijk is hij herhaalde malen via de telefoon ongevraagd lastiggevallen door Dexia met financieel rooskleurige vooruitzichten (hetgeen overigens uiteindelijk door Dexia nog is betwist), maar niet geoordeeld kan worden dat zulks het voor hem onmogelijk maakte om de overeenkomst niet aan te gaan, terwijl voorts de overeenkomst niet slechts middels deze telefonische contacten tot stand gekomen is. Het aanmeldingsformulier met de brochure is [gedaagde] immers nadat hij door Dexia kennelijk per telefoon was benaderd toegezonden en dit is vervolgens door hem ingevuld geretourneerd. Vervolgens is hem de lease-overeenkomst toegezonden, die hij ook ondertekend retour heeft gezonden aan Dexia. Hij heeft derhalve voldoende gelegenheid gehad om zich te beraden. Zelfs indien er herhaalde malen per telefoon bij [gedaagde] door Dexia op is aangedrongen over te gaan tot het sluiten van de overeenkomst, maakt dit nog niet dat daarmee gebleken is van het uitoefenen van ongeoorloofde druk op [gedaagde]. Dit verweer kan derhalve niet slagen.

b) [gedaagde] voert aan, dat Dexia haar informatieplicht niet is nagekomen. De informatieplicht is geregeld in artikel 33 NR 1999, eerste versie geldend vanaf 1 februari 1999 en in de daarbij behorende bijlage. De conform artikel 7.5 van de bijlage en de daarbij behorende toelichting voorgeschreven informatieverstrekking mag geen termen of woorden bevatten die potentiële cliënten de indruk kunnen geven dat zij hun geld of een gedeelte daarvan niet kunnen verliezen.

In de brochure wordt onder het kopje ‘Let Op’ gesproken over een van de voorbeelden afwijkende eindopbrengst. De bewoording “opbrengst” geeft onvoldoende duidelijk weer, dat er ook sprake zou kunnen zijn van een verlies of een restschuld. Slechts onder het kopje ‘Einde’ wordt terloops op de mogelijkheid gewezen van het zonodig bijbetalen van het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs. Echter vervolgens wordt tegelijkertijd een verlengingsgarantie aangeboden, hetgeen de indruk vestigt, dat ook dit verlies geen verstrekkende gevolgen behoefde te hebben. Ook de korte mededeling onder het kopje ‘Premie WinstVerDriedubbeling’ dat ‘de inleg volledig uit rente bestaat’, geeft met name in samenhang met de laatste zin van dat kopje ‘dat zo uw aandelen voor u de driedubbele koerswinst verdienen’, onvoldoende duidelijk weer dat er belegd wordt met geleend geld en dat dit een negatief resultaat tot gevolg kan hebben.

In de geprognosticeerde rendementscijfers is het negatieve scenario sterk onderbelicht. De prognose behandelt immers slechts koersstijgingen van 6 tot en met 20%. De enkele mededeling, dat deze rendementen uit het verleden geen garantie voor de toekomst bieden is onvoldoende om, nu er gesproken wordt over stijgingen vanaf 1982 van gemiddeld 15,7% per jaar, te kunnen oordelen, dat voldoende is gewezen op de mogelijkheid van verlies. Hierbij wordt aangetekend, dat weliswaar pas bij het inwerking treden van de NR 1999, tweede versie vanaf september 2001, sprake was van de verplichting tot het ook vermelden van negatieve scenario’s, maar dat het alleen van vermelden van positieve scenario’s, ook al worden die niet voor de toekomst gegarandeerd, toch al snel een verkeerde indruk kan wekken.

Op grond van het vorenstaande moet geoordeeld worden, dat Dexia op dit punt haar informatieplicht onvoldoende is nagekomen. Dit geldt te meer, omdat op het moment waarop Dexia de informatie ter beschikking stelde in deskundige kring niet de stellige verwachting bestond dat de aandelenkoersen een aanhoudende en min of meer belangrijke stijging zouden blijven vertonen en omdat, zoals hij onbetwist heeft gesteld, [gedaagde] zelf bij het aangaan van de overeenkomst geen kennis had van beleggen en vermogensbeheer.

c) Het enkel opvragen van registratiegegevens bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel is onvoldoende om te oordelen, dat Dexia zich voldoende heeft laten informeren omtrent de financiële positie van [gedaagde] in verband met de verplichtingen, die op hem zouden gaan rusten indien hij op het aanbod van Dexia zou ingaan. Zij was daartoe ingevolge artikel 28 lid 1 NR 1999 gehouden. Dit geldt te meer, omdat het geleende bedrag hoger lag dan een bedrag van euro 10.000,00, waarvoor in het algemeen gemakkelijk een lening kan worden verkregen en voorts omdat Dexia zich had moeten realiseren dat zij met haar aanbod een markt bewerkte, die mogelijk zou bestaan uit personen die niet bekend waren met de handel in aandelen en de daarbij behorende risico’s. Niet valt in te zien, dat [gedaagde] voldoende bekend moet worden verondersteld met de risico’s van beleggen in aandelen met geleend geld, zoals Dexia stelt. Zij laat overigens na deze stelling gemotiveerd te onderbouwen. Ook op dit punt is Dexia derhalve tekort geschoten in haar zorgplicht.

d) In verband met het nakomen van haar verplichting tot saldibewakingsplicht (marginbewaking conform de NR 1999, tweede versie geldend vanaf 1 september 2001) heeft Dexia gesteld, dat nu er een vaste looptijd was overeengekomen zulks niet mogelijk is geweest. De vaste looptijd ontsloeg Dexia niet van deze verplichting, omdat [gedaagde] zo de mogelijkheid is ontnomen om tijdig met de te verwachten verliezen rekening te kunnen houden. Het had op de weg van Dexia gelegen om tijdens de looptijd van de overeenkomst, die eindigde in juni 2002, toen zich het ongunstige verloop begon af te tekenen nader met [gedaagde] in overleg te treden. Tot slot blijkt uit de omstandigheden, zoals Dexia stelt, dat marginbewaking niet mogelijk was en de opties niet ter beurze verhandeld konden worden, nog maar eens te meer dat het van groot belang was om [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst te wijzen op de financiële risico’s.

Ook op dit punt is Dexia tekortgeschoten.

e) De klachten van [gedaagde] met betrekking tot onvoldoende spreiding van de effectenportefeuille, met betrekking tot onvoldoende duidelijkheid omtrent de optieconstructie, met betrekking tot onjuiste mededeling omtrent kosten en fiscale consequenties, alsmede met betrekking tot onjuiste voorlichting omtrent de handelwijze bij einde looptijd zijn allen terug te voeren op de omstandigheid, dat hij kennelijk onervaren was als belegger in aandelen. Het had echter op de weg van [gedaagde] gelegen navraag te doen, indien een en ander hem niet duidelijk was. Niet geoordeeld kan worden dat op dit punt de informatie onvoldoende of onjuist is geweest, terwijl de ondernemingen, waarvan de aandelen werden aangekocht ten tijde van het sluiten van de overeenkomst als solide bekend stonden. Het verweer, dat de aankoop en de verkoop van de aandelen niet tegen de gunstigste prijs zijn gedaan zijn onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, zodat dit verweer wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft met name niet gesteld, dat voor wat betreft de aankoop van de aandelen de gedane koers hoger is geweest dan de hoogste koers van de betreffende handelsdag en voor wat betreft de verkoop van de aandelen de gedane koers lager is dan de laagste koers van de betreffende handelsdag.

3.5. Het niet nakomen door Dexia van haar zorgplicht brengt met zich mee dat Dexia aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [gedaagde] ondervonden negatieve gevolgen, hierna aan te duiden als het nadeel. Daarbij dient vooropgesteld dat [gedaagde] ook een eigen verantwoordelijkheid draagt van zijn keuze tot deelname aan de WinstVerDriedubbelaar.Voorts dient rekening gehouden met de omstandigheden, dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst geen kennis had van beleggen en vermogensbeheer, dat [gedaagde] ongevraagd benaderd is door Dexia en met hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.4. sub b., c. en d. is overwogen. Een en ander brengt met zich dat het onverkort toepassen van alle tussen partijen geldende bedingen tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verplichtingen van [gedaagde] uit de overeenkomst dienen derhalve naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te worden beperkt, zoals hierna zal worden bepaald.

3.6. Onder het in aanmerking te nemen nadeel wordt de restschuld van euro 2.603,17 verstaan.

Geoordeeld wordt dat op grond van de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 75 % van dit nadeel voor rekening van Dexia dient te komen en de overige 25% ( een bedrag van euro 650,79) voor rekening van [gedaagde] dient te blijven. Hierbij wordt in aanmerking genomen de omstandigheden, die in rechtsoverweging 3.5. weergegeven zijn.

Bij brief van 8 mei 2003 heeft Dexia [gedaagde] nog de gelegenheid gegeven het bedrag van € 2.603,17 binnen veertien dagen te voldoen. Zij moet geacht worden daarmee te hebben afgezien van het vorderen van eerder vervallen rente. Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde rente over het toe te wijzen bedrag zal worden toegewezen vanaf 22 mei 2003.

3.7. Verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten is niet betwist, zodat deze berekend over het toe te wijzen bedrag tot en bedrag van euro 161,84 kunnen worden toegewezen.

3.8. Nu de primaire vordering van Dexia in conventie gedeeltelijk is toegewezen en de vordering in reconventie van [gedaagde] zal worden afgewezen, is de voorwaarde die Dexia gesteld heeft aan haar subsidiaire eis niet vervuld en behoeft om die reden aan beoordeling daarvan niet te worden toegekomen.

3.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure.

Voorts in reconventie

3.10.Gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen dienen de vorderingen van [gedaagde] te worden afgewezen.

3.11.[gedaagde] zal veroordeeld worden in de kosten van deze procedure, die gelet op de samenhang van deze vordering met de vordering in conventie op nihil gesteld zullen worden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te betalen een bedrag van € 812,63 vermeerderd met de contractuele rente over € 650,79 berekend vanaf 22 mei 2003 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op heden begroot op € 426,25, waaronder begrepen € 180,00 voor salaris van de gemachtigde van Dexia;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

- wijst de vordering van [gedaagde] af;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en bepaalt deze op NIHIL.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Bruns, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 november 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.