Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AR6325

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-11-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
04 / 2048 WRO VV, 04 / 2119 WRO VV, 04 / 2138 WRO VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, 1e lid, WRO bevat een discretionaire bevoegdheid, waarmee het bevoegde bestuursorgaan beleidsvrijheid heeft. Beslist kan slechts worden op aanvragen zoals deze zijn voorgelegd.

De voorzieningenrechter mag dus slechts terughoudend toetsen of verweerder vrijstelling van de bestemmingsplannen had mogen verlenen voor het project in de aanvraag van 8 april 2004. Verweerder is in beginsel niet gehouden andere locaties voor de vestiging van een FOC te betrekken bij de afwegingen. Alleen de rechtmatigheid van de door gs afgegeven v.v.g.b. is van belang bij de vraag of er gebruik van mocht worden gemaakt. Doelmatige aspecten komen daarbij niet aan de orde. Reeds hierom kan de geschiktheid van een locatie te Etten-Leur geen rol spelen bij de vraag of vrijstelling en bouwvergunning rechtmatig zijn verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04 / 2048 WRO VV RECHTBANK BREDA

04 / 2119 WRO VV Sector bestuursrecht

04 / 2138 WRO VV Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

in de zaak van

Stable International Development VII B.V., gevestigd te Amersfoort, en G. van Hemert Trivium B.V., gevestigd

te Giessen, verzoeksters sub 1,

gemachtigde mr. H.J. Breeman,

de stichting Behoud Kleine Kernen en de stichting Keerpunt, beide gevestigd te Roosendaal, verzoeksters sub 2,

gemachtigde L.J.J.M. Klijs,

en

Rodamco Nederland B.V. en Rodamco Nederland Winkels B.V., beide gevestigd te Amsterdam ZO, verzoeksters sub 3,

gemachtigde mr. R.J.G. Bäcker.

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder,

gemachtigde mr. B.J.P.G. Roozendaal.

1.Het procesverloop

Verzoeksters sub 1 hebben op 4 oktober 2004 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 2 september 2004 (bestreden besluit), inzake een aan MDG Europe Roosendaal B.V. (ver-gunninghoudster) verleende bouwvergunning en een daarmee samenhangende vrijstelling van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Recreatiepark De Stok-fase 1” en “Buitengebied Roosendaal - Nispen” (bestemmingsplannen).

Tevens hebben zij op 4 oktober 2004 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze procedu-re staat bekend onder nummer 04 / 2048 WRO.

Verzoeksters sub 2 hebben op 12 oktober 2004 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens hebben zij op 16 oktober 2004 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze procedure staat bekend onder nummer 04 / 2119 WRO.

Verzoeksters sub 3 hebben op 12 oktober 2004 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens hebben zij op 20 oktober 2004 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze procedure staat bekend onder nummer 04 / 2138 WRO.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 22 oktober 2004. Verzoeksters zijn verschenen bij hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ver-der is het woord gevoerd door M. Vos namens het college van gedeputeerde staten van de pro-vincie Noord-Brabant (college van gs), en door mr. T. ter Brugge namens vergunninghoudster.

2. De beoordeling

2.1Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voor-zieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vergunninghoudster wil op een perceel dat grenst aan de rijkswegen A17 en A58, plaatselijk be-kend als knooppunt “De Stok”, een zogeheten “factory outlet centre” (FOC) realiseren. Het betreft een project dat - inclusief ongeveer 1.300 parkeerplaatsen - uiteindelijk een oppervlakte van ongeveer 7 ha. zal beslaan, en zal voorzien in ruim 80 detailhandels- en horecavoorzieningen met een gezamenlijke bebouwde oppervlakte van ongeveer (17.500 + 1.500 =) 19.000 m2. Het zojuist omschreven bouwplan zal hierna ook wel worden aangeduid als “het project”.

Een bouwvergunning, als bedoeld in de Woningwet (Ww), voor het realiseren van het FOC kan slechts worden verleend met behulp van een vrijstelling op de voet van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO). Verweerder is bereid tot medewerking aan het project, en heeft daartoe onder meer de navolgende acties ondernomen.

Via de publicatie in een huis-aan-huis op 14 december 2003 verschijnend weekblad is de mogelijkheid geboden om te reageren op de bereidheid van verweerder om planologische medewerking te verlenen aan de realisering van het FOC. Van deze mogelijkheid hebben diverse personen gebruik gemaakt. De reacties zijn verwerkt in een inspraaknota gedateerd 6 februari 2004.

Via de publicatie in een huis-aan-huis op 22 februari 2004 is de mogelijkheid geboden tot het naar voren brengen van zienswijzen inzake het voornemen tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Van deze mogelijkheid hebben diverse personen gebruik gemaakt. De zienswijzen hebben verweerder geen aanleiding tot aanpassing van zijn voornemen gegeven, hetgeen blijkt uit een beslissing van verweerder gedateerd 20 april 2004.

Op basis van de zojuist aangeduide inspraaknota en beslissing is door Amer adviseurs een ruimtelijke onderbouwing gedateerd 7 mei 2004 geproduceerd. Evenbedoeld rapport heeft ten grondslag gelegen in het aan het college van gs gericht verzoek van 11 mei 2004 om afgifte van een verklaring van geen bezwaar.

Bij besluit van 1 september 2004 heeft het college van gs gemotiveerd verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan voor de realisering van het FOC.

Per brief gedateerd 1 maart 2004 heeft vergunninghoudster aan de plaatselijke welstandscommis-sie gevraagd om een uitspraak over de aanvaardbaarheid van het FOC zoals weergegeven in een bijgevoegd schetsplan. In haar aan verweerder gericht schrijven gedateerd 4 maart 2004 heeft de welstandscommissie verklaard dat het schetsplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Per brief gedateerd 8 april 2004 heeft vergunninghoudster gevraagd om verlening van een bouw-vergunning voor het FOC. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww is deze aanvraag tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van de bestemmingsplannen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van 8 april 2004 gehonoreerd, door vrijstelling van de bestemmingsplannen en bouwvergunning voor het FOC te verlenen, onder ver-wijzing naar de ruimtelijke onderbouwing van 7 mei 2004 en de verklaring van geen bezwaar van 1 september 2004.

2.2 Verzoeksters staan op het standpunt dat verweerder de aanvraag van 8 april 2004 ten onrechte heeft gehonoreerd. Daartoe is - kort en zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.

De verklaring van geen bezwaar van 1 september 2004 vertoont ernstige gebreken, onder meer omdat het project in strijd komt met het provinciaal planologisch beleid zoals neergelegd in het streekplan “Brabant in balans” (streekplan) en met eerdere uitspraken van het college van gs in-zake de aanvaardbaarheid van het FOC. Derhalve had verweerder van deze verklaring geen gebruik mogen maken.

De vrijstelling van het bestemmingsplan is ook overigens onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd, omdat - mede gezien de doeleinden waarvoor het perceel volgens de bestemmingsplannen mag worden gebruikt - te weinig aandacht is besteed aan de natuurwaarden die door de realisering van het project worden aangetast. Bovendien heeft verweerder nagelaten een milieu-effectrapportage (MER) te laten verrichten, terwijl voorts geen aandacht is geschon-ken aan de eisen die het Besluit luchtkwaliteit terzake stelt. Reeds op grond van het vorenstaande kan hier niet worden gesproken van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Verweerder had geen gebruik mogen maken van het welstandsadvies van 4 maart 2004, aange-zien dit advies niet ziet op het bouwplan waarvoor de bouwvergunning is verleend.

De beslissing op de aanvraag van 8 april 2004 had in ieder geval moeten worden aangehouden, aangezien voor het gebruik van het FOC wel een milieuvergunning is vereist terwijl zo’n ver-gunning tot op heden nog niet verleend.

Met hun bezwaren willen verzoeksters bewerkstelligen dat het bestreden besluit wordt herroepen en vervangen door een besluit waarbij de aanvraag van 8 april 2004 alsnog wordt afgewezen. De onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening strekken tot schorsing van het bestreden besluit.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de recht-bank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op ver-zoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van de onderhavige verzoeken meebrengt dat de geschillen in de bo-demprocedure worden beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedures.

2.4 De voorzieningenrechter is er - onder verwijzing naar artikel 1:2, eerste lid, van de Awb - niet van overtuigd dat de belangen van alle verzoeksters rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken, en sluit derhalve niet op voorhand uit dat één of meer bezwaren om deze reden niet-ontvankelijk zullen moeten worden verklaard. De twijfel op dit punt is echter onvoldoende om deze verzoeken reeds om deze reden af te wijzen.

Bovendien zijn de belangen van in ieder geval verzoeksters sub 2 wel rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken, zodat de voorzieningenrechter hoe dan ook toekomt aan een voorlopig oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Een en ander laat onverlet dat verweerder in de beslissing(en) op de bezwaren de nodige aandacht aan de belangen van verzoeksters bij het bestreden besluit zal dienen te schenken, en deswege aan de vraag of één of meer van de bezwaren niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.5 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

De raad van de gemeente Roosendaal heeft de zojuist omschreven bevoegdheid gedelegeerd aan verweerder.

Artikel 44, eerste lid, van de Ww schrijft voor dat de reguliere bouwvergunning moet worden geweigerd, indien het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met een bestem-mingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld (aanhef en onder c) dan wel indien het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand (aanhef en onder d).

Volgens artikel 52, eerste lid, van de Ww houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te wei-geren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (Wm) is vereist, tenzij de beschikking op de aanvraag om laatstbedoelde vergunning reeds is gegeven.

2.6 Geconstateerd wordt dat artikel 19, eerste lid, van de WRO is geformuleerd als een discretionaire bevoegdheid, in welk kader het bevoegde bestuursorgaan beschikt over beleidsvrijheid, met als belangrijk uitgangspunt dat dit orgaan heeft te beslissen op aanvragen zoals deze aan hem zijn voorgelegd.

Dit betekent dat de voorzieningenrechter slechts terughoudend mag toetsen of verweerder vrij-stelling van de bestemmingsplannen had mogen verlenen ten behoeve van het project zoals dit in de aanvraag van 8 april 2004 is geformuleerd. Derhalve is verweerder in beginsel niet gehouden om eventuele andere, door vergunninghoudster of een andere maatschappij te ontwikkelen, loca-ties voor de vestiging van een FOC te betrekken bij de belangenafweging die aan het nemen van een beslissing op de aanvraag van 8 april 2004 vooraf behoort te gaan.

Bij het nemen van die beslissing behoort verweerder zich een oordeel te vormen over de recht-matigheid van de door het college van gs afgegeven verklaring van geen bezwaar, in het kader van de beantwoording van de vraag of van die verklaring gebruik kan worden gemaakt. Verweerder behoeft zich daarbij echter niet te buigen over aspecten van meer doelmatige aard, bij-voorbeeld of vanuit provinciaal bestuurlijk oogpunt bezien de keuze voor de vestiging van een FOC op juist dèze locatie, binnen West-Brabant - of wellicht binnen de gehele provincie - de meest wenselijke is, ervan uitgaande dat meer keuzen op een rechtmatige manier mogelijk zijn. De door de voorzieningenrechter in acht te nemen terughoudendheid laat geen ruimte om zich terzake een oordeel te vormen en dit in zijn op de onderhavige verzoeken te nemen beslissing te betrekken. Reeds hierom kunnen de stellingen aangaande de geschiktheid van een bij rijksweg A58 gesitueerde locatie te Etten-Leur voor de vestiging van een factory outlet centre, in beginsel geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of gewraakte vrijstelling en bouwvergunning rechtmatig zijn verleend.

Verder neemt de voorzieningenrechter - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 september 2004 met procedurenummer 04 / 1839 WET - tot uitgangspunt dat de ten behoeve van het project verleende ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet rechtens houdbaar is. De door verzoeksters sub 1 overgelegde “second opinion” vormt onvoldoende reden voor wijziging van deze aanname. Derhalve ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor het oordeel dat de natuurwaarden op en rond het perceel dermate ernstig worden aangetast, dat verweerder de door vergunninghoudster gevraagde vrijstelling en bouwvergunning om deze reden hadden moeten weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de realisering van het FOC samengaat met de ontwikkeling van nieuwe natuur, teneinde enerzijds de ontbossing van het perceel te compenseren en anderzijds te zorgen voor een landschappelijke inpassing van het gebouwencomplex en de par-keerruimte.

Voorts baseert de voorzieningenrechter zijn oordeel omtrent de juridische houdbaarheid van het bestreden besluit op de meest actuele feiten en omstandigheden. In dit kader acht hij het aanvaardbaar - want inherent aan de voorbereiding van een besluit door het bieden van de mogelijkheid tot inspraak en het naar voren brengen van zienswijzen, op grond van artikel 6a onder-scheidenlijk 19a van de WRO - dat planologische beleidsdocumenten in de loop van de proce-dure worden aangepast. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in, waarom verweerder de ruimtelijke onderbouwing gedateerd 7 mei 2004 op zichzelf niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen.

Bezien vanuit deze invalshoek, heeft de door het college van gs op 27 april 2004 gedane principeuitspraak over de planologische aanvaardbaarheid van het FOC slechts nog betekenis voor de beoordeling van de onderhavige verzoeken, indien en voorzover aannemelijk wordt dat onvol-doende acht is geslagen op de geplaatste kanttekeningen zoals verwoord in voornoemde principe-uitspraak. Derhalve vormen de ruimtelijke onderbouwing van 7 mei 2004 en de mede naar aan-leiding daarvan op 1 september 2004 afgegeven verklaring van geen bezwaar - alsook het binnenkort in procedure te brengen voorontwerp-bestemmingsplan “De Stok fase 2 en 2a” (voor-ontwerp) - stukken van doorslaggevend belang bij de volledige heroverweging van het bestreden besluit door verweerder. In dit kader dient de voorzieningenrechter zich ervan te vergewissen dat de informatie waarop de zojuist aangeduide documenten zijn gefundeerd, wat betreft wijze van totstandkoming en inhoud geen wezenlijke gebreken vertonen.

2.7 Op basis van de zojuist geformuleerde uitgangspunten wordt het volgende overwogen.

Verklaring van geen bezwaar

De voorzieningenrechter staat voor beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de verklaring van geen bezwaar van 1 september 2004, in het kader van diens plicht om zich ervan te vergewissen dat deze verklaring niet in strijd met het recht is afgegeven, en met name of de vestiging van het FOC op het perceel zich verdraagt met het geldende provinciaal planologisch beleid. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college van gs aansluiting heeft gezocht bij het provin-ciaal beleid inzake perifere detailhandel en grootschalige detailhandel. De voorzieningenrechter acht dit niet onredelijk, gelet op de schaalgrootte en de planologisch relevante effecten van een FOC in de door vergunninghoudster voorgestane zin. Gelet hierop dient te worden bezien of het project voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in hoofdstuk 4 van de, op 20 juli 2004 door het college van gs vastgestelde, beleidsnota “Handleiding voor ruimtelijke plannen”, welke nota het actuele provinciaal beleid terzake weergeeft.

In dit verband is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college van gs niet ten onrechte heeft geoordeeld dat het perceel een onderdeel vormt van een stedelijke regio in de zin van het streekplan. In zoverre wordt verwezen naar definitie van de begrippen “stedelijke regio” en “landelijke regio” in paragraaf 2.4.3 van het streekplan, en naar de in paragraaf 3.3.1 van dit plan opgenomen kaart. Hieruit blijkt dat het gehele gebied tussen Roosendaal en Bergen op Zoom is aangemerkt als stedelijke regio, en voorts - anders dan verzoeksters hebben gesuggereerd - dat de begrippen “bebouwde kom” en “buitengebied” niet zonder meer samenvallen met de begrippen “stedelijke regio” onderscheidenlijk “landelijke regio”.

Om deze reden concludeert de voorzieningenrechter dat het college van gs tot de vaststelling mocht komen dat de vestiging van het FOC op het perceel volgens het geldende provinciaal be-leid is toegestaan, mits het perceel direct aansluit aan een binnenstedelijk winkelconcentratiegebied dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, aan een bestaand stedelijk gebied grenzend en aan een multimodaal ontsloten knooppunt.

Op basis van de gedingstukken en de behandeling ter zitting acht de voorzieningenrechter vol-doende aannemelijk dat het perceel voldoet aan de zojuist nader aangeduide eisen. Daartoe wijst hij op het volgende.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben het college van gs en verweerder kunnen menen dat het FOC in de door vergunninghoudster voorgestane zin niet kan worden gerealiseerd op een terrein dat direct aansluit aan een binnenstedelijk winkelconcentratiegebied, alsook dat het perceel grenst aan stedelijk gebied. Hierbij moet worden bedacht dat het perceel is gesitueerd langs rijksweg A17, die momenteel feitelijk de bebouwde kom van Roosendaal aan de westzijde markeert.

Verder wordt geoordeeld dat het perceel voldoende mogelijkheden biedt om multimodaal te worden ontsloten, en overigens dat het project op dit punt in de nodige (infrastructurele) maatre-gelen voorziet. In dit kader overweegt de voorzieningenrechter dat door verzoeksters voorziene problemen voor een deel uitgaan van de thans bestaande situatie.

Een ander geeft de voorzieningenrechter de verwachting dat realisering en ingebruikname van het FOC niet zal leiden tot onevenredige mobiliteitsproblemen op en rondom het perceel.

Ook overigens is niet gebleken, dat het college van gs bij de beslissing op de aanvraag om afgifte van een verklaring van geen bezwaar de hem toekomende discretionaire bevoegdheid heeft overschreden. In dit verband wordt geoordeeld dat het college van gs - anders dan verzoeksters kennelijk menen - rechtens niet was gehouden tot een indringend onderzoek naar de vraag welke locatie voor de vestiging van een FOC de voorkeur verdient, mede gelet op hetgeen in paragraaf 2.6 van deze uitspraak is overwogen.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat redelijkerwijs niet staande is te houden dat de verklaring van geen bezwaar van 1 september 2004 wat betreft wijze van tot-standkoming en/of inhoud dermate ernstige gebreken vertoont, dat verweerder hiervan geen gebruik heeft mogen maken. Hierbij komt nog dat - niet alleen schriftelijk maar ook ter zitting - uitgebreid is onderbouwd waarom het project volgens het college van gs niet in strijd komt met het provinciaal planologisch beleid.

Ruimtelijke onderbouwing

De voorzieningenrechter ziet evenmin grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van 7 mei 2004 niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. Hierbij neemt hij het volgende in aanmerking.

De tekst van het thans geldende Besluit milieu-effectrapportage noch de hierop betrekking heb-bende jurisprudentie verplichten tot het laten verrichten van een MER voor het FOC. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt dit niet anders door het in procedure zijnde voor-stel tot wijziging van voornoemd besluit. Het gaat hier immers niet zozeer om een poging de vige-rende tekst van het vigerende Besluit milieu-effectrapportage te verduidelijken. Veeleer wordt beoogd om in te spelen op actuele ontwikkelingen die zich na de inwerkingtreding van het betref-fende besluit hebben voorgedaan.

Overigens moet worden vastgesteld dat - ter voorbereiding van een beslissing op het verzoek van vergunninghoudster om een vergunning ingevolge de Flora- en faunawet - het nodige onderzoek naar de natuurwaarden van het perceel is verricht. Dit onderzoek is weliswaar niet op één lijn te stellen met een MER, maar geeft wèl aan dat de belangen die het Besluit milieu-effectrapportage beoogt te beschermen, in betekenende mate bij de besluitvorming inzake de vestiging van het FOC op het onderhavige perceel zijn betrokken.

De voorzieningenrechter beschouwt het bestreden besluit als de uitoefening van een bevoegdheid die gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit, mede gelet op de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het FOC. Hij is dan ook van oordeel dat het project moet voldoen aan de eisen die het Besluit luchtkwaliteit stelt. De motivering van het bestreden besluit laat wat dit betreft enigs-zins te wensen over, maar daarmee is niet zonder meer gezegd dat verweerder in strijd met het Besluit luchtkwaliteit heeft gehandeld, gelet op het feit dat verweerder wel onderzoek naar de luchtkwaliteit op en rondom het perceel heeft verricht. In de beslissing(en) op de bezwaren kan aan de nadere onderbouwing van de belangenafweging met betrekking tot de luchtkwaliteit de nodige aandacht worden geschonken. Op basis van de hem thans bekende gegevens verwacht de voorzieningenrechter niet dat het Besluit luchtkwaliteit in de weg staat aan een rechtmatige vrij-stelling van de bestemmingsplannen ten behoeve van het FOC.

Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke on-derbouwing van 7 mei 2004 wat betreft de voorbereiding en/of motivering tekort schiet. In dit kader verwijst hij naar de, op 14 oktober 2003 door het college van gs vastgestelde, beleidsnota “Toepassing artikel 19 WRO; de zelfstandige projectprocedure”, en met name naar de hoofd-stukken 4 en 5 van deze nota. In de ruimtelijke onderbouwing van 7 mei 2004, en overigens ook in het voorontwerp, is aandacht besteed aan alle aspecten die het college van gs blijkens voornoemde beleidsnota van 14 oktober 2003 relevant acht bij het nemen van een beslissing omtrent de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Andere ter discussie staande aspecten van de thans in geding zijnde vrijstelling

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeksters hun stellingen inzake de duurzame ont-wrichting van het plaatselijk voorzieningenniveau door de komst van het FOC, en die inzake de economische uitvoerbaarheid van het project, tot op heden onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Verzoeksters hebben weliswaar kritiek geleverd op de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit op deze punten, maar hebben hun aan deze kritiek ten grondslag liggende veronderstellingen niet onderbouwd met concrete en terzake doende gegevens.

Voorzover verzoeksters willen betogen dat verweerder in de motivering van het bestreden besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan de reacties van diverse commissies en instellingen die de voorkeur geven aan de vestiging van een factory outlet centre te Etten-Leur, wordt dit betoog verworpen. In de eerste plaats wordt in dit verband verwezen naar hetgeen onder 2.6 reeds is overwogen. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking, dat de desbetreffende commissies en instellingen niet hebben gesteld dat het perceel ongeschikt is voor de vestiging van het FOC, en dat de reacties ook overigens geen aanleiding geven voor de aanname dat aan de vesti-ging van het FOC op het perceel evidente en overwegende bezwaren kleven. Verder moet worden bedacht dat verweerder bij de beslissing op de aanvraag van 8 april 2004 een eigen verantwoordelijkheid heeft.

Tussenconclusie I

Het vorenstaande biedt de voorzieningenrechter voldoende aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit rechtens stand kan houden, mede gezien de mogelijkheid om tijdens de bezwaarfase eventuele onderzoeks- en motiveringsgebreken te herstellen. Gelet hierop concludeert hij dat artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww geen grond vormt voor afwijzing van de aanvraag van 8 april 2004.

Redelijke eisen van welstand

De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding voor de veronderstelling dat het op 1 maart 2004 aan de welstandscommissie voorgelegde schetsplan in zodanige mate afwijkt van het bij de aan-vraag van 8 april 2004 behorende bouwplan, dat van het welstandsadvies geen gebruik kon worden gemaakt. Het ligt ook niet in de rede, nu de welstandscommissie in haar advies van 4 maart 2004 onvoorwaardelijk heeft aangegeven dat het schetsplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, dat vergunninghoudster nadien wezenlijke wijzigingen in dit plan heeft aangebracht.

Voorzover verzoeksters willen betogen dat het project niet voldoet aan redelijke van welstand, verwerpt de voorzieningenrechter dit betoog. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de wel-standscommissie bestaat uit terzake deskundigen, hetgeen tot op zekere hoogte een garantie voor een objectieve oordeelsvorming biedt. Mede gelet hierop mag verweerder aan het welstandsad-vies van 4 maart 2004 in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen, tenzij het betreffende advies wat betreft wijze van totstandkoming en/of inhoud dermate ernstige gebreken vertoont, dat verweerder dit niet althans niet zonder nadere motivering aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen leggen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies van 4 maart 2004 gebrekkig is. Hierbij wordt van belang geacht dat verzoeksters tot op heden geen tegenrapport heeft overgelegd van een persoon of instelling, die zich qua deskundighed kan met meten met de welstandscommissie. Aldus bezien staat tegen-over de tot op zekere hoogte geobjectiveerde visie van de welstandscommissie slechts de subjec-tieve opvatting van verzoeksters.

Tussenconclusie II

Gelet op een en ander wordt geoordeeld dat ook artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ww geen grond vormt voor afwijzing van de aanvraag van 8 april 2004. In dit kader constateert de voorzieningenrechter dat de bezwaargronden van verzoeksters niet zijn te herleiden tot een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, b of e, van de Ww. Dit leidt hem - uitgaande van de rechtmatigheid van het besluit tot vrijstelling van de bestemmingsplannen - tot de conclusie dat verweerder in beginsel rechtens is gehouden tot het verlenen van de door vergunninghoudster gevraagde bouwvergunning, en derhalve dat slechts ruimte bestaat voor twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit indien voldoende aannemelijk wordt dat verweerder de beslissing op de aanvraag van 8 april 2004 had moeten aanhouden in verband met een mogelijk noodzakelijke milieuvergunning.

Milieuvergunning

Partijen twisten over het antwoord op de vraag of voor het FOC een milieuvergunning is vereist, en in dit verband met name of het FOC moet worden aangemerkt als één inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wm, dan wel als een verzameling afzonderlijke inrichtin-gen. Immers, in laatstbedoeld geval kunnen de exploitanten van de diverse ruimtes ingevolge het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit horeca-, sport- en recrea-tieinrichtingen milieubeheer doorgaans volstaan met een melding als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wm, juncto artikel 8.40, eerste lid, van deze wet.

Op grond van de hem thans bekende informatie ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor het oordeel dat het FOC moet worden aangemerkt als één inrichting. Hierbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat het FOC bestaat uit een groot aantal afzonderlijke ruimtes die onaf-hankelijk van elkaar kunnen worden geëxploiteerd. Het enkele feit dat de diverse winkel- en ho-recaruimtes zijn gesitueerd in een beperkt aantal gebouwen en dat het bouwplan voorziet in cen-trale parkeervoorzieningen voor de bezoekers van het FOC, is onvoldoende voor de gerechtvaar-digde veronderstelling dat de betreffende ruimtes in technisch, organisatorisch en/of functioneel opzicht feitelijk onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden.

2.8 Al hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het be-streden besluit naar verwachting rechtens stand zal kunnen houden. Mede gelet hierop kent hij meer gewicht toe aan het belang van vergunninghoudster bij het zo snel mogelijk starten van de in geding zijnde bouwwerkzaamheden dan aan de belangen van verzoeksters bij schorsing van het bestreden besluit. Derhalve zullen de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewe-zen. Om deze reden ziet de voorzieningenrechter geen grond voor proceskostenveroordelingen ten laste van verweerder.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.J. Bakx, rechter, en in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 november 2004.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.