Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AR5233

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-11-2004
Datum publicatie
08-11-2004
Zaaknummer
137158 FA RK 04-3092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing tot beperking van bewegingsvrijheid. Artikel 40 lid 3, lid 6 Wet Bopz. Patiënt niet gehoord. Behandelplan niet ondertekend. Beslissing niet door of namens de voor behandeling verantwoordelijke persoon genomen. Beslissing geen deugdelijke en kenbare motivatie. Klacht gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

137158 FA RK 04-3092 RECHTBANK BREDA

Sector familierecht

Meervoudige Kamer

Beschikking betreffende een verzoek ex artikel 41 lid 7 en 8 van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (Wet Bopz).

in de zaak van

[klager],

verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis Stichting GGZ Regio Breda locatie Muiderslotstraat 150 te Breda, hierna te noemen klager, procureur mr C.L.M. Gommers, ter terechtzitting vervangen door mr B. Maat.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 10 september 2004 ingekomen verzoekschrift van klager met bijlagen;

- de beschikking van deze rechtbank van 2 maart 2004;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 september 2004;

- de ter terechtzitting overgelegde brief van 27 augustus 2004 van F.J.M. Hafkenscheid, waarnemend eerste geneesheer van de GGZ regio Breda;

- de op 11 oktober ontvangen brief van de procureur van klager.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. de inspecteur van Staatstoezicht op de Volksgezondheid, hierna te noemen de inspecteur,

2. de stichting GGZ Regio Breda, hierna te noemen de stichting.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe de beslissing van de Regionale (Bopz)klachtencommissie te herzien en de klacht van verzoeker alsnog volledig gegrond te verklaren.

3. De beoordeling

3.1 Klager verblijft krachtens voormelde beschikking in het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Regio Breda, locatie Muiderslotstraat 150.

3.2 Bij brief van 20 juli 2004 heeft klager een klacht ingediend bij de Regionale (Bopz)klachtencomissie tegen de beslissing tot beperking van zijn bewegingsvrijheid, te weten het intrekken van zijn vrijheden gedurende een week en het bij evaluatie niet opnieuw toekennen van die vrijheden. Klager acht de beperking in strijd met de bepalingen van de Wet Bopz. De klachtencommissie heeft deze klacht bij beslissing van 30 juli 2004 deels ongegrond en deels gegrond verklaard. De commissie deelt de visie van de stichting dat er gezien klagers ziektebeeld, gebrek aan ziekte-inzicht en ervaringen uit het verleden goede gronden waren om klagers vrijheden te beperken en deze bij evaluatie niet opnieuw toe te kennen. De commissie heeft echter gelet op het bepaalde in artikel 40 leden 3 en 5 van de Wet Bopz bezwaar tegen de procedure die is gevolgd en de wijze waarop aan klager kenbaar is gemaakt dat zijn vrijheden werden beperkt.

3.3 Klager verzoekt de rechtbank de beslissing van de regionale (Bopz)klachtencommissie te herzien en de klacht als nog volledig gegrond te verklaren. Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken is volgens klager mede van belang dat hij in verband met de beslissing niet is gehoord. Er is derhalve niet voldaan aan het bepaalde in artikel 40 lid 6 van de Wet Bopz. Met name de uitbraak met een medepatiënt heeft er volgens hem toe geleid dat de dag daarop is besloten zijn vrijheden niet terug te geven. Zonder deze uitbraak was dat waarschijnlijk wel gebeurd, nu de verpleegkundige rapportages een positief beeld van hem gaven. Klager vindt het niet juist dat kennelijk als gevolg van de uitbraak de vooronderstelling is ontstaan dat de uitoefening van zijn recht op bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor zijn gezondheidstoestand. Klager stelt dat in die zin van een gevaarlijke situatie geen sprake is geweest. Ook is hij van mening dat de behandelaar dit ten onrechte niet nader heeft onderzocht. Klager betwist voorts dat een beperking van zijn vrijheden nodig zou geweest zijn ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis. Ook deze vooronderstelling is niet nader onderzocht.

3.4 Klager beklaagt zich bovendien over de procedure bij de (Bopz)klachtencommissie. De waarnemend patiëntenvertrouwenspersoon heeft te weinig ruimte heeft gekregen om de klachtzaak voor te bereiden. Deze heeft pas na de hoorzitting op 26 juli 2004 kennis kunnen nemen van zijn medisch dossier. De commissie toonde zich echter zich niet ontvankelijk voor het aanvullend schriftelijk pleidooi.

3.5 Ter terechtzitting is namens klager aangevoerd dat zijn lezing van de gebeurtenissen op 6 juli 2004 afwijkt van die van de stichting en de besluitvorming niet zorgvuldig is geweest, nu hij niet gehoord is. Voorts blijkt uit de beslissing niet op welke grond de bewegingsvrijheid is beperkt. De beperking kan niet hebben plaatsgevonden op grond van het behandelplan, nu dit behandelplan niet door klager is ondertekend. Er was onvoldoende grond om tot beperking van zijn bewegingsvrijheid over te gaan en de beperking van de bewegingsvrijheid na de uitbraak te verlengen. Het druggebruik wordt vermoed, maar is niet aangetoond door bijvoorbeeld urinecontroles.

3.6 De inspecteur voor de volksgezondheid heeft ter zitting verklaard dat de gronden voor de beperking van de bewegingsvrijheid gelet op de zwaarte van de maatregel erg mager zijn. Voorts heeft hij bezwaar tegen de gevolgde procedure nu de teamleider zonder overleg met de behandelaar tot beperking van de bewegingsvrijheid heeft beslist. Op grond van de wet heeft iedereen recht op fundamentele vrijheden. Deze vrijheden kunnen alleen op goede gronden, zoals gevaar voor zichzelf of anderen of het verstoren van de orde worden ontzegd.

3.7 De stichting heeft ter terechtzitting onder verwijzing naar voormelde brief van de heer Hafkenscheid aangevoerd dat het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz niet van toepassing is. In artikel 1 van de Wet Bopz staat dat onder het begrip psychiatrisch ziekenhuis ook een afdeling van zo’n ziekenhuis wordt verstaan. Bij het (fundamentele) recht op bewegingsvrijheid mag er derhalve in een situatie als deze van uitgegaan worden dat met het ziekenhuis concreet de gesloten afdeling Halte B wordt bedoeld en met ‘in en rond het ziekenhuis’ dientengevolge de bewegingsvrijheid binnen de afdeling Halte B respectievelijk binnen het Psychiatrisch Centrum de Halte. Wanneer laatstgenoemde vrijheid wordt beperkt is er sprake van een gedwongen verblijf op een gesloten afdeling. Volgens Hafkenscheid zou in beginsel moeten gelden dat een cliënt met een machtiging op een gesloten afdeling dient te verblijven en dat hij pas vrijheden buiten de afdeling mag gaan genieten wanneer zijn gedrag dat verantwoord maakt, wanneer eventuele risico’s verantwoord laag zijn geworden en de cliënt zich aan afspraken kan houden. Indien het recht op bewegingsvrijheid ruim wordt geïnterpreteerd, komt dat zijn inziens op gespannen voet te staan met aard en doel van de machtiging die door de rechtbank is verleend.

3.8 Voorts is volgens de stichting van belang dat klager het niet eens is met zijn diagnose hetgeen de werkrelatie bemoeilijkt. Klager veroorzaakt systematisch problemen en pleegt voortdurend verzet. Gesprekken hierover met klager zijn niet mogelijk. De teamleider zag derhalve geen andere oplossing dan klager in zijn bewegingsvrijheid te beperken. De stoornis van klager uit zich in een waan waarbij hij zichzelf boven iedereen stelt. Hij vertoont intimiderend gedrag, ook naar medecliënten. Zijn gedrag beïnvloedt het hele klimaat van de afdeling. Ten tijde van het incident provoceerde klager de teamleider door een sigaret aan te steken. Klager gebruikt regelmatig softdrugs, maar weigert urinecontroles te ondergaan. De bewegingsvrijheid is ook beperkt ten behoeve van de veiligheid van het personeel. Het beperken van de bewegingsvrijheid heeft een gunstig effect op de behandeling van klager. De bewegingsvrijheid is op grond van het behandelplan van 2 februari 2004 beperkt. Dit behandelplan is niet in overleg met klager opgesteld en inderdaad niet door hem ondertekend.

3.9 Desgevraagd en met instemming van de procureur van klager heeft de stichting voormelde brief van de heer Hafkenscheid overgelegd en is de procureur van klager in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk te reageren. In zijn reactie heeft hij aangevoerd dat deze brief buiten beschouwing dient te blijven nu deze niet tijdig in het geding is gebracht. De Wet Bopz kent formeel geen processuele positie toe aan de GGZ. Hij is voorts van oordeel dat het bepaalde in artikel 40 lid 3 van Wet BOPZ onverkort van toepassing is op deze situatie. Zonder toetsing aan de wettelijke vereisten voor beperking van het recht op bewegingsvrijheid is het risico van détournement de pouvoir zeer wel aanwezig en is de ‘lastige’ patiënt overgeleverd aan de willekeur van de behandelaar. Dat toepassing van artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz in alle voorkomende gevallen een extra belasting zou vormen voor het personeel, zoals door Hafkenscheid wordt gesteld, mag niet afgewenteld worden op de cliënt.

3.10 De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan, naar de rechtbank begrijpt, door de stichting wordt aangenomen legitimeert een machtiging geen verblijf op een gesloten afdeling. Zoals ook door de (Bopz)klachtencommissie is overwogen heeft iedere (gedwongen) opgenomen cliënt het recht zich vrij in en rond het ziekenhuis te bewegen. De bewegingsvrijheid is bij een gedwongen opname beperkt tot het terrein van het ziekenhuis. In dit verband is van belang dat blijkens bijlage 1 bij de Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz het algemeen psychiatrisch ziekenhuis Stichting GGZ regio Breda locatie Muiderslotstraat 150 en niet (ook) afdeling Halte B als psychiatrisch ziekenhuis is aangemerkt. Het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis betreft derhalve de gehele locatie. Een verdere beperking van de bewegingsvrijheid kan slechts plaatsvinden op grond van het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz ofwel indien het behandelplan, dat in overleg met betrokkene is opgesteld, daarin op therapeutische gronden voorziet.

3.11 Vast staat dat het behandelplan van 2 februari 2004, waarin als behandelingsvoorstel is opgenomen, dat wanneer zijn gemoedstoestand of zijn gedrag de beheersbaarheid op de afdeling in gevaar brengen, klager op de afdeling moet blijven, niet in overleg met klager is opgesteld. Het behandelplan is ook niet door hem ondertekend. Het stond de stichting derhalve niet vrij om de bewegingsvrijheid op grond van het behandelplan te beperken. Het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz is derhalve van toepassing. Volgens dit artikel kan het recht op bewegingsvrijheid worden beperkt indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op de bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand dan wel indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels beschreven is, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is. Daarbij moeten de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid in acht worden genomen.

3.12 In alle gevallen dient de beslissing betreffende de beperking van de bewegingsvrijheid op basis van concrete en actuele omstandigheden en met in achtneming van de procedurele voorschriften worden genomen. Het recht op bewegingsvrijheid is een fundamenteel recht, dat niet zomaar mag worden beperkt. Er mag niet te snel worden gevreesd voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand of de verstoring van de orde van het ziekenhuis. Met een enkele verwijzing naar ervaringen uit het verleden kan niet worden volstaan. Van belang is in hoeverre die ervaringen betekenis hebben voor de actuele situatie.

3.13 Een beslissing betreffende de beperking van de bewegingsvrijheid is een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat brengt mee dat de beslissing zorgvuldig moet worden voorbereid, de bij de beslissing betrokken belangen moeten worden afgewogen en de nadelige gevolgen van de beslissing niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met de beslissing te dienen doelen, betrokkene voorafgaande aan de beslissing moet worden gehoord en de motivering van de beslissing deugdelijk en kenbaar moet zijn (artikelen 3:2, 3:4, 4:8 en 3:46 van de Awb).

3.14 De beslissing dient voorts door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon - doorgaans een arts of psychiater - te worden genomen. De beslissing dient derhalve door of namens deze te worden medegedeeld.

3.15 De rechtbank stelt vast dat de stichting niet overeenkomstig voormelde bepalingen, beginselen en uitgangspunten heeft gehandeld. Klager is niet voorafgaande aan de beslissing betreffende de beperking van de bewegingsvrijheid gehoord. Voorts is de beslissing niet door of namens de voor de behandeling verantwoordelijke persoon genomen.

3.16 De beslissing ontbeert daarnaast een deugdelijke en kenbare motivering. Met de beslissing is beoogd het gedrag van klager te begrenzen om zo de situatie op de afdeling beheersbaar te houden. Klagers ziektebeeld, zijn gebrek aan ziekte-inzicht, de moeizame behandelrelatie en de ervaringen uit het verleden zijn daarbij blijkens de door de stichting tijdens de hoorzitting bij de Regionale (Bopz)klachtencommissie en de terechtzitting gegeven toelichting medebepalend geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende gebleken dat de in de brief van 7 juli 2004 gegeven lezing van de gebeurtenissen op 6 juli 2004 de beslissing rechtvaardigde klager op grond van het bepaalde in artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz gedurende zeven dagen in zijn bewegingsvrijheid te beperken, mede nu het volgens de Regionale (Bopz)klachtencommissie blijkens de verpleegkundige rapportages de afgelopen periode aanmerkelijk beter met klager ging. Zoals hiervoor reeds overwogen kunnen ervaringen uit het verleden een rol spelen, echter slechts voor zover deze betekenis hebben voor de zich voordoende situatie.

3.17 De rechtbank begrijpt dat door een verschil van mening over klagers ziektebeeld en het te volgen behandeltraject sprake is van een moeilijke werkrelatie en dat het gedrag van klager niet steeds goed te hanteren is. Een beperking van de bewegingsvrijheid is echter alleen op de hiervoor vermelde gronden gerechtvaardigd en een beslissing daartoe dient op concrete en actuele gebeurtenissen zijn gebaseerd en met in achtneming van de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid te worden genomen. Er dient in elke situatie expliciet te worden aangegeven om welke redenen gevreesd moet worden voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van klager dan wel voor de verstoring van de orde in het ziekenhuis en om welke redenen de opgelegde beperking van de bewegingsvrijheid aangewezen is. Het door de stichting opgeworpen bezwaar dat dan onwerkbare situaties zouden kunnen ontstaan brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, ook al brengt dat mogelijk met zich mee dat de stichting haar beleid zal moeten aanpassen.

3.18 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de beperking van de bewegingsvrijheid met ingang van 7 juli 2004 gedurende zeven dagen onrechtmatig was en de klacht alsnog volledig gegrond dient te worden verklaard. Aan de beoordeling van de noodzaak van de verdere beperking van de bewegingsvrijheid na de uitbraak met een medecliënt komt de rechtbank daarmee niet toe.

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart de klacht alsnog volledig gegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs Paling, Gimbrère-Straetmans en Peutz, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van in tegenwoordigheid van Ruinaard, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking is beroep in cassatie mogelijk:

a. door de betrokkene en bij de mondelinge behandeling van het verzoek verschenen belanghebbenden aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere -niet bij de mondelinge behandeling van het verzoek verschenen- belanghebbenden: binnen drie maanden nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door een advocaat bij de Hoge Raad worden ingediend ter griffie van de Hoge Raad.