Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AR4560

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
02/004242-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is schuldig bevonden aan de uitvoer van een groot aantal XTC pillen. Verdachte heeft hiertoe tweemaal een levering tot stand gebracht welke leveringen zagen op een hoeveelheid van ongeveer 30.000, respectievelijk 300.000 pillen. Verdachte heeft de contacten onderhouden met de producent van de pillen, de afnemer, in casu de Belgische politie-infiltrant, en met de personen die de leveringen feitelijk zouden afwikkelen. Beide partijen werden in Nederland geleverd, maar hadden als eindbestemming Engeland. Verdachte is enkel bij de betaling van de eerste levering pillen van 30.000 stuks in Engeland aanwezig geweest. De rol van verdachte was van een coördinerende en sturende aard.

Daarnaast heeft verdachte in een door hem gehuurde garagebox te Tilburg ongeveer 30 kilogram amfetamine voorhanden gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/004242-03

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte]

[geboortedatum/plaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in P.I. Limburg Zuid – Gev. De Geerhorst, Sittard,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op of omstreeks 28 november 2003 te Tilburg, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 300.000 xtc-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA, zijnde MDMA en/of MDEA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk die pillen afgeleverd aan een persoon, terwijl hij verdachte wist dat die pillen voor export naar Engeland bestemd waren;

art 2 ahf/ond A Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 28 november 2003 te Tilburg (in een garagebox aan Haverhof 68, nummer 19) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 30 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende, amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op 9 mei 2003 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 30.700, althans een (groot) aantal XTC-pillen, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk die pillen, waarvan hij/zij wist(en) dat die bestemd waren voor Groot Brittannie overgedragen aan een persoon van wie hij/zij wist(en) dat deze persoon zou zorgdragen voor vervoer van die pillen naar Groot-Britannie;

art 2 ahf/ond A Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte stelt primair ten aanzien van feit 1 en 3 dat er op de eerste plaats sprake is geweest van een geheim traject, een gedeelte van het onderzoek dat onjuist en onvolledig is verantwoord door het Openbaar Ministerie. Door de raadsman wordt gesuggereerd dat er wellicht sprake is van een geheim afluistertraject dan wel dat sprake is geweest van inzet van een “ouderwetse burgerinformant”. Volgens de raadsman is tijdens de briefing van het Politie Infiltratie Team immers verdachte [verdachte] aangeduid als “subtarget”, terwijl een betrokkenheid van zijn cliënt ten aanzien van harddrugs op dat moment niet uit het dossier valt op te maken. Naar de mening van de raadsman is het derhalve ook onbegrijpelijk dat zijn cliënt is betrokken in het infiltratietraject dat in feite was gericht op [medeverdachte] en [medeverdachte]. De ter zitting door de officier van justitie ingebrachte informatie inhoudende dat verdachte in het najaar van 2002 telefonisch contact heeft gehad met andere verdachten in deze zaak, overtuigt de raadsman niet omdat het immers steeds ‘sociale gesprekken’ over uitgaan betrof.

Dientengevolge is de toegepaste infiltratie onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet alleen in strijd met artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering (SV), doch zou naar de mening van de raadsman tevens een ongeoorloofde schending betekenen van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op privacy. De raadsman concludeert derhalve tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

In het bevel infiltratie van 3 februari 2003 opgemaakt t.a.v. [medeverdachte] en [medeverdachte] staat (o.m.) beschreven dat er sprake is van een groep van personen waarbinnen misdrijven worden beraad en/of gepleegd bestaande uit beide verdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] en een of meer wel of niet met naam en toenaam bekende personen.

Uit het strafdossier blijkt dat aan de infiltrant bij de briefing van het infiltratietraject het doel van het traject is uiteengezet. Het infiltratieteam is bij gelegenheid van deze briefing onder meer geïnformeerd over de personen die in de omgeving van [medeverdachte] en [medeverdachte] zouden kunnen worden aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het Politie Infiltratie Team Zuid d.d. 4 december 2003 in combinatie met de door de officier van justitie ter terechtzitting ingebrachte informatie blijkt verder dat de infiltranten foto’s zijn getoond van personen die mogelijk wel of niet tegelijkertijd met [medeverdachte] aanwezig zouden zijn in het Preston Palace te Almelo. Daaronder bevond zich ook de foto van verdachte. Voorts blijkt uit het verdere verloop van de infiltratie dat er spoedig contact tot stand kwam tussen een infiltrant en verdachte tijdens zijn verblijf in het Preston Palace te Almelo betreffende de levering en het transport van drugs.

Gelet op deze gang van zaken kan de rechtbank de raadsman niet volgen in zijn betoog dat er een geheim traject heeft gelopen. Verdachte was ten tijde van de aanvang van de infiltratie geen verdachte maar presenteerde zich lopende de infiltratie van de groep rondom [medeverdachte] en [medeverdachte] als mogelijke verdachte en betrokken bij productie en levering van (hard)drugs. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de raadsman een te vergaande betekenis aan de aanduiding ‘sub target’, zoals door de infiltrant gebruikt in zijn verhoor bij de rechter-commissaris. De rechtbank merkt hierbij nog op dat in ‘Almelo’ door de infiltranten ook andere personen zijn aangesproken welke evenmin eerder als verdachte waren aangemerkt. Daarom houdt de rechtbank het er op dat onder de gegeven omstandigheden [verdachte] een van de personen is geweest via wie is getracht dichter op de “hoofdpersonen” [medeverdachte] en [medeverdachte] te komen en aldus informatie over hen te verkrijgen.

De rechtbank kan niet inzien dat onder deze omstandigheden sprake is van schending van artikel 8 EVRM of dat is gehandeld in strijd met artikel 126h SV, zodat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op dit punt niet aan de orde is.

Op de tweede plaats stelt de raadsman dat verdachte, anders dan het Tallon-criterium voorschrijft, wel degelijk is gebracht tot andere strafbare feiten, i.c. het handelen in harddrugs, dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, hetgeen naar zijn mening ingevolge artikel 359a SV primair dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Verdachte heeft ter zitting hierover nog gezegd dat hij zich niet ingelaten zou hebben met harddrugs als de infiltrant hem daar niet toe gebracht zou hebben.

Dit verweer moet worden verworpen nu uit het strafdossier blijkt dat verdachte op enig moment, voordat harddrugs onderwerp van gesprek waren, de infiltrant er aan herinnerde dat zij heel snel kunnen leveren. De infiltrant reageerde daarop dat dit voor hen niet hoefde, waarop de verdachte reageerde door uit te leggen dat hij met ‘snel’ speed bedoelde en hij vervolgens aanbood alle mogelijkheden uit te leggen bij een volgende contact met de infiltrant ergens in België of Nederland. In het dossier maakt de infiltrant er melding van dat verdachte aanbood ook pillen te leveren aan de infiltrant in Engeland en dat hij deze pillen betrok van een andere vriend van hem en hij daarmee als tussenpersoon fungeerde. Daarmee heeft verdachte een actieve en initiatief-nemende houding aangenomen. De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat verdachte, wanneer hij in de omstandigheid komt om feiten als de ten laste gelegde te plegen, deze ook daadwerkelijk pleegt, zodat gezegd kan worden dat hij door de infiltrant niet op een ander handelen is gebracht dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Opmerkelijk en typerend hiervoor acht de rechtbank in dit verband ook dat verdachte ter zitting heeft verklaard te hebben ‘toegehapt’. Vorenstaande leidt er toe dat ook bij toepassing van het door de raadsman genoemde ‘objectieve criterium’, wat er ook overigens van zij, het handelen van de infiltranten niet zodanig sturend was dat verdachte daardoor zich heeft ingelaten met de handel in harddrugs. Het verweer dient op dit punt dan ook te worden verworpen.

Subsidiair is door de raadsman van verdachte met betrekking tot feit 1 en 3 aangevoerd dat de verslaglegging omtrent de infiltratie niet alleen te laat is verstrekt, maar ook onzorgvuldig is en zelfs naar valsheid in geschrifte riekt teneinde de waarheidsvinding geweld aan te doen. Deze laatste opmerking laat de rechtbank voor rekening van de raadsman nu hiervan op geen enkele wijze is gebleken.

Ten aanzien van het moment van verstrekking door de officier van justitie van het proces-verbaal omtrent de infiltratie aan de rechtbank en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat gezien de aard, omvang en complexiteit van het onderzoek niet gesteld kan worden dat daarbij de grenzen van een redelijke en aanvaardbare termijn zijn overschreden, noch dat verdachte hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Waar de raadsman stelt dat de verslaglegging onzorgvuldig is, doelt hij op incorrecte c.q. onvolledige weergaven door de infiltrant van feitelijkheden, zoals dat verdachte op een bepaald moment naar de infiltrant belde, terwijl dit in dat concrete geval andersom was, zoals dat uit het proces-verbaal van getapte telefoongesprekken tussen beiden blijkt. De rechtbank is van oordeel dat mede bezien in relatie tot die processen-verbaal van getapte telefoongesprekken, niet gebleken is van manipulaties door de infiltrant in diens verslaglegging teneinde een ander of onjuist beeld van (de handelwijze van) verdachte te schetsen. Daar waar de verslaglegging niet op ieder detail aansluit op de weergave in andere processen-verbaal, kan echter niet van een zodanige onzorgvuldigheid worden gesproken, dat hieraan de door de raadsman bepleite gevolgen verbonden moeten worden. Nu ook overigens niet is gebleken dat verdachte door de wijze van verslaglegging in zijn verdedigingsbelang is geschaad, wordt het verweer verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 november 2003 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 300.000 xtc-pillen, bevattende MDMA zijnde MDMA

een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk die pillen afgeleverd aan een persoon, terwijl hij verdachte wist dat die pillen voor export naar Engeland bestemd waren;

2.

op 28 november 2003 te Tilburg (in een garagebox aan Haverhof 68, nummer 19 opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 30 kilo van een materiaal bevattende, amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

3.

op 9 mei 2003 te Tilburg, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van

de Opiumwet, ongeveer 30.700 XTC-pillen, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk die pillen, waarvan hij dat die bestemd waren voor Groot Brittannie overgedragen aan een persoon van wie hij wist dat deze persoon zou zorgdragen voor vervoer van die pillen naar Groot-Britannie;

Hetgeen onder de feiten 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De overwegingen omtrent de bewijsgaring.

De raadsman van verdachte heeft bij zijn primaire verweer ten aanzien van de feiten 1 en 3 op de tweede plaats aangevoerd dat zijn cliënt door de infiltrant is gebracht tot het plegen van andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Als subsidiaire sanctie heeft de raadsman betoogd dat, uitsluitend ingeval de rechtbank de resultaten van de infiltratie betrouwbaar zou achten, bewijsuitsluiting ingevolge artikel 359a SV passend zou zijn. Indien de rechtbank de resultaten naar aanleiding van de infiltratie evenwel niet meer betrouwbaar zou achten, dienen deze evenzeer van het bewijs te worden uitgesloten, hetgeen in beide laatstgenoemde gevallen naar de mening van de raadsman een vrijspraak oplevert.

De raadsman heeft te dezen subsidiair het verweer gevoerd dat de verslaglegging naar aanleiding van de infiltratie te laat en onzorgvuldig is geschied, hetgeen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de infiltratieresultaten en zijns inziens tot dezelfde consequenties dient te leiden als hierboven weergegeven.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de verwerping van het tweede primaire verweer en het subsidiair gevoerde verweer naar hetgeen onder 5 is overwogen. Nu de rechtbank deze verweren heeft verworpen en zij in het geheel geen termen aanwezig acht om de resultaten naar aanleiding van de infiltratie onbetrouwbaar te achten, is de rechtbank van oordeel dat niets in de weg staat de betreffende resultaten als wettig bewijs te gebruiken. Dientengevolge verwerpt zij de verweren van de raadsman op dit punt.

8.3 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat zijn cliënt niet de wetenschap en de beschikking heeft gehad over de in eind november 2003 in de garagebox aan de Haverhof te Tilburg aangetroffen amfetamine. De raadsman baseert zich hierbij op het gegeven dat zijn cliënt weliswaar deze box heeft ondergehuurd, maar dat over het jaar 2003 geen huur is betaald en dat gezien de conditie van de amfetamine deze nog niet zo lang in de garagebox heeft kunnen liggen. Voorts is de sleutel van deze garagebox niet bij de fouillering van verdachte aangetroffen, noch bij de doorzoeking van de woning en de auto van verdachte en worden er geen vingerafdrukken van verdachte in de box gevonden. Bij gebreke van het wettig en het overtuigend bewijs dient naar de mening van de raadsman zijn cliënt van dit feit te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt te dezen het volgende. Vast is komen te staan dat op 28 november 2003 de amfetamine in de garagebox nr. 19 aan de Haverkamp 68 te Tilburg is aangetroffen, dat verdachte deze garagebox heeft ondergehuurd en dat hij in ieder geval over het jaar 2002 de huur heeft betaald. Voorts blijkt uit de getuigenverklaring van de verhuurster [verhuurster] d.d. 28 november 2003 dat over 2003 thans in het geheel geen huur is betaald, maar dat verdachte onlangs nog bij haar in de cafetaria is geweest en dat zij zijn nummer heeft genoteerd teneinde hem te bellen omtrent deze huurachterstand. Daarnaast geeft de getuige [getuige] aan dat zij en haar man de box in 1998 hebben overgedragen aan verdachte en dat er wel eens problemen zijn geweest ten aanzien van de betaling van de huur door verdachte. Nu de gedingstukken naar het oordeel van de rechtbank hiervoor geen aanknopingspunten bieden, acht zij de lezing van verdachte en zijn raadsman omtrent het verder onderverhuren van de garagebox niet aannemelijk geworden. Bovendien heeft verdachte hieromtrent pas ter terechtzitting van 12 oktober 2004 iets over verklaard, doch niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. Het gegeven dat sleutel niet is aangetroffen, leidt voorts naar het oordeel van de rechtbank niet tot de ondubbelzinnige conclusie dat verdachte ook niet de beschikking daarover heeft gehad.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 2 op de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen en zij wijst derhalve het verweer van de raadsman van verdachte af.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

Feit 1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting terzake van de feiten 1, 2 en 3 een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van tien jaren met aftrek van het voorarrest.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid zogenaamde XTC tabletten. De leveringen hebben plaatsgevonden op 9 mei 2003 en 28 november 2003 en betroffen hoeveelheden van respectievelijk 30.700 tabletten en 300.000 tabletten. Voorts heeft verdachte in een door hem gehuurde garagebox ongeveer 30 kilogram amfetamine voorhanden gehad.

Bij bovengenoemde twee leveringen had verdachte een sturende en coördinerende rol. Hij fungeerde als tussenpersoon en onderhield contacten met de afnemer, de Belgische infiltrant Sjef en de producent van de pillen. Daarnaast regelde hij de mensen die betrokken waren bij de feitelijke leveringen. Op 9 mei 2003 heeft verdachte in Engeland de betaling van de eerste levering pillen in ontvangst genomen.

De rechtbank acht de door verdachte gepleegde feiten zeer ernstig. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in het buitenland in stand gehouden en kunnen de uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in- en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. In zijn algemeenheid geldt dat het gebruik van XTC-tabletten gezondheidsrisico's voor de gebruikers met zich meebrengt. Uit medisch onderzoek naar de klinische en toxicologische aspecten van XTC-gebruik is immers gebleken dat inname van de in XTC-tabletten voorkomende stof MDMA tot afbraak van serotonine leidt, welke juist een belangrijke rol in het centrale zenuwstelsel speelt voor de regulering van diverse lichaamsfuncties. Deze schade is blijvend. Voorts is op grond van onderzoek geconcludeerd dat gebruik van XTC een bijzonder groot risico op psychiatrische stoornissen met zich meebrengt en geldt dat de al dan niet opzettelijke toevoeging van schadelijke stoffen aan XTC-tabletten, eveneens onomkeerbare schade aan het menselijk lichaam kan toebrengen. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van XTC-tabletten nog ander gevaar. De rechtbank wijst op de schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van de bij de productie van XTC-tabletten vrijkomende chemische afvalstoffen in riool of elders en op het ontploffingsgevaar dat bij de productie van XTC-tabletten aanwezig is, welk gevaar zich in het bijzonder doet gelden bij in woonwijken voorkomende laboratoria.

Het aanwezig hebben van de in de garagebox aangetroffen grote hoeveelheid amfetamine rekent de rechtbank verdachte eveneens zwaar aan, temeer daar in de garagebox, naast de 30 kilogram amfetamine, andere vloeistoffen zijn aangetroffen, waarmee na bereiding ongeveer 57 kilogram amfetaminesulfaat kan worden verkregen.

Het inwendig gebruik van amfetamine heeft een schadelijk effect op de volksgezondheid.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel van het algemeen documentatieregister betreffende verdachte. Ten voordele van verdachte zal de rechtbank bij de straftoemeting rekening houden met de omstandigheid dat hij niet eerder terzake van delicten op grond van de Opiumwet is veroordeeld.

Alles afwegende, maar met name gelet op de ernst van de feiten en de rol van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van geruime duur noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen, te weten de voorwerpen genoemd op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen, aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en deze onder verdachte in beslag zijn genomen.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13, 14 van de Opiumwet.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vordering.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de teruggave aan de verdachte van de onder 12 vermelde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Van Oijen en mr. Rouwen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers Van Beijsterveldt en mr. Vliegenberg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 oktober 2004.