Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AP1752

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
26-08-2004
Zaaknummer
300460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Handhaving concurrentiebeding, betaling vergoeding door ex-werkgever aan werknemer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/124 met annotatie van Mr.drs. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer : 300460/VV/04-29

Vonnis d.d.: 1 april 2004

SPR/AD

RECHTBANK BREDA

sector kanton –locatie Breda

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres, nader te noemen [eiseres],

gemachtigde: mr. S.M.J. Heeren, advocaat te Oosterhout,

tegen de gedaagden:

1. [gedaagde],

gevestigd en zaakdoende te Breda,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. K. Boekhorst, werkzaam bij ANKO te Huizen.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres], [gedaagde], [gedaagde] en beide laatste tezamen als ‘gedaagden’.

1. Het verloop van het geding

Het verloop van het geding blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 10 maart 2004 met 10 producties;

- de brief van mr. Boekhorst van 17 maart 2004 met 2 producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 18 maart 2004. [eiseres] is in persoon verschenen en werd bijgestaan door mr. Heeren. Namens [gedaagde] is verschenen [gedaagde], bijgestaan door mr. Boekhorst. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

Door beide gemachtigden zijn pleitnota's overgelegd.

De inhoud van alle voornoemde stukken geldt als hier ingelast. Op hetgeen door partijen naar voren is gebracht wordt voor zoveel nodig hierna teruggekomen.

2. Het geschil

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad bij wege van voorziening bij voorraad:

Primair:

te verklaren voor recht dat [gedaagde] en [gedaagde] geen beroep toekomt op het non-concurrentiebeding, zoals genoemd in de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] d.d. 16 augustus 2002 en dat [eiseres] dus niet aan enig non-concurrentiebeding is gebonden;

Subsidiair:

vernietiging ex artikel 7: 653 lid 2 BW (geheel of gedeeltelijk) van het tussen partijen geldende non-concurrentiebeding, althans een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter geraden acht;

Meer subsidiair:

de werking van het non-concurrentiebeding tussen [gedaagde] en [eiseres] te schorsen, totdat in een bodemprocedure zal zijn beslist op het primair en subsidiair gestelde, althans een zodanige voorziening te geven als de kantonrechter geraden acht;

Uiterst subsidiair:

aan [eiseres] ten laste van [gedaagde] een vergoeding toe te kennen ingevolge het bepaalde in artikel 7:653 lid 4 BW tot een bedrag dat de kantonrechter rechtens juist voorkomt alsmede de in de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] van 16 augustus 2002 contractueel opgenomen boete ex artikel 6: 94 BW te matigen tot nihil, althans tot een zodanig bedrag als de kantonrechter rechtens juist voorkomt,

een en ander met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

Gedaagden hebben daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- De thans 21-jarige [eiseres] is op 16 augustus 1999 in dienst getreden van de in totaal 8 personeelsleden tellende kapsalon van [gedaagde]. Op de arbeidsverhouding is toepasselijk de CAO voor het kappersbedrijf. Met ingang van 16 augustus 2002 is [eiseres] werkzaam in de functie van Haarstylist 1, functiegroep 5 en is zij tevens werkzaam als bedrijfsleidster.

- [eiseres] heeft op 12 januari 2004 mondeling (en op 13 januari 2004 schriftelijk) aan [gedaagde] meegedeeld haar arbeidsovereenkomst op te zeggen. In het gesprek van 12 januari 2004 heeft [gedaagde] [eiseres] gewezen op het bestaan van een non-concurrentiebeding.

- Bij brief van 19 januari 2004 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] dat hij haar houdt aan het gesloten non-concurrentiebeding.

Daarin is -- kort gezegd -- bepaald dat het [eiseres] is verboden binnen 6 maanden na het einde van het dienstverband direct of indirect een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van [gedaagde] te drijven of te doen drijven alsook financieel daarbij belang te hebben dan wel daar op enigerlei wijze voor werkzaam te zijn, een en ander binnen een straal van 10 kilometer van de vestiging van [gedaagde].

- [eiseres] heeft daarna aan [gedaagde] aangeboden om af te spreken dat zij klanten van [gedaagde] niet zal benaderen.

- De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 maart 2004. Aan [eiseres] is door [naam kapsalon] te Breda per 1 maart 2004 de baan van topstyliste (in de CAO de hoogste “knipfunctie”) aangeboden.

3.2

[eiseres] stelt dat zij de bij [naam kapsalon] aangeboden baan graag wil accepteren, maar vreest dat de aanvaarding daarvan een overtreding van het non-concurrentiebeding oplevert. Zij voert ter onderbouwing van haar vorderingen onder meer het volgende aan.

Aan [gedaagde] komt geen beroep toe op het non-concurrentiebeding nu de arbeidsovereenkomst niet is gesloten met [gedaagde], maar met [gedaagde]. In privé komt [gedaagde] geen beroep toe omdat hij daar geen belang bij heeft.

Het non-concurrentiebeding geldt voorts niet nu [eiseres] feitelijk reeds vanaf mei 2002 in de functie van Haarstyliste 1 en bedrijfsleider werkzaam was en zij eerst daarna per 16 augustus 2002 met het beding werd geconfronteerd en zij onder druk ervoor heeft getekend.

In geval van toepasselijkheid van het beding dient het beding (gedeeltelijk) te worden vernietigd nu [eiseres] door onverkorte handhaving onbillijk wordt benadeeld.

Het enige belang van [gedaagde] is dat [eiseres] geen klanten meeneemt, echter zij is bereid om een relatiebeding aan te gaan waardoor dat bezwaar voor [gedaagde] wordt ondervangen. [eiseres] beschikt op geen enkele wijze over bedrijfsgevoelige informatie of specialistische kennis, anders dan de gebruikelijke specialistische kennis voor het kappersvak. Het belang van [eiseres] is evident. Zij heeft op dit moment geen werk en inkomen. Zij is met haar eenzijdige ervaring gebonden aan de kappersbranche, zij heeft daarin reeds vanaf haar zeventiende jaar gewerkt. Zij wordt door onverkorte handhaving beperkt in haar arbeidsmobiliteit, aldus [eiseres].

3.3

Het spoedeisend belang bij de vordering van [eiseres] blijkt reeds uit het feit dat zij op 1 maart 2004 in dienst kan treden van [naam kapsalon] en het standpunt van [gedaagde] om haar aan het non-concurrentiebeding te houden, waardoor zij verhinderd wordt om voor [naam kapsalon] werkzaam te zijn.

In zoverre kan [eiseres] in haar vorderingen worden ontvangen.

[eiseres] dient in haar primaire en subsidiaire vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een verklaring voor recht, respectievelijk de gevorderde vernietiging vereisen declaratoire beslissingen waarvoor in het kader van deze procedure geen plaats is.

3.4

Vastgesteld wordt dat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] waarin het non-concurrentiebeding is opgenomen, door [eiseres] is getekend op een moment dat zij meerderjarig was. Daarmee is aan de in artikel 7: 653 lid 1 BW bedoelde eisen van meerderjarigheid en schriftelijkheid voldaan. Er kon bij [eiseres] geen misverstand over bestaan dat deze arbeidsovereenkomst (evenals de voorafgaande) was gesloten met [gedaagde] in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagde], van wie zij ook haar loon ontving. Het beding wordt dan ook geacht te zijn overeengekomen tussen [gedaagde] en [eiseres].

Voorts is niet gebleken noch aannemelijk geworden dat [eiseres] het concurrentiebeding onder onaanvaardbare druk maar heeft getekend. Het enkele feit dat zij reeds enige tijd bij [gedaagde] in dienst was toen het beding aan haar werd voorgelegd, maakt niet dat sprake is van onaanvaardbare druk. Die conclusie kan evenmin worden getrokken op grond van de stelling dat [eiseres] “slechts negentien jaar oud zijnde”, met [gedaagde] de discussie niet heeft willen en durven aangaan over de toepasselijkheid van het non-concurrentiebeding.

De conclusie op grond van het vorenstaande is dan ook dat het non-concurrentiebeding tussen partijen van kracht is.

Voorts staat vast dat de bedrijfsactiviteiten van [naam kapsalon] zodanig zijn dat sprake is van een gelijksoortig of aanverwant bedrijf. [naam kapsalon] is minder dan 10 kilometer van de kapsalon van [gedaagde] verwijderd.

3.5

Vervolgens is aan de orde of de kantonrechter de werking van het tussen partijen geldende non-concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk dient te schorsen op de grond dat [eiseres] onbillijk wordt benadeeld nu [gedaagde] haar houdt aan het non-concurrentiebeding en het haar aldus onmogelijk maakt om de haar bij [naam kapsalon] aangeboden baan te accepteren.

[gedaagde] stelt dat het non-concurrentiebeding standaard is opgenomen in de CAO voor het kappersbedrijf, dat de gemiddelde leeftijd in de branche 23 jaar is en dat tegen die achtergrond de opneming van een non-concurrentiebeding in arbeidsovereen-komsten met jongere werknemers heel gebruikelijk is. [eiseres] is volgens haar zeer goed in haar vak. Zij wordt om die kwaliteiten bij [gedaagde] zeer gewaardeerd. Zij heeft bij het sterk op persoonlijke lifestyle gerichte bedrijf van [gedaagde] het kappersvak geleerd. [gedaagde], die ook landelijke bekendheid geniet als opleider, heeft [eiseres] op de persoonlijke individuele lifestyle toegespitste kniptechnieken geleerd. Zij kan die technieken meenemen naar de op 1,5 kilometer van [gedaagde] gevestigde concurrent [naam kapsalon].

Samengevat heeft [eiseres] aangevoerd dat haar belang bij het niet belemmerd worden door een non concurrentiebeding niet is gelegen in een verbetering in financiële zin (het loon bij [naam kapsalon] wijkt niet wezenlijk af van het loon bij [gedaagde]), maar wordt gevormd door het feit dat zij, na viereneenhalf jaar voor [gedaagde] als trainer/opleider te hebben gewerkt, haar kniptechniek verder wil verbeteren onder leiding van een andere opleider. Zij streeft aldus naar een persoonlijke, creatieve en niet materiële positieverbetering.

In de CAO voor het kappersbedrijf is het non-concurrentiebeding nader geregeld. De kantonrechter leidt hieruit af dat zo’n beding in deze branche niet ongebruikelijk is, ook niet indien het om relatief jonge werknemers gaat.

[eiseres] heeft in betrekkelijk korte tijd de hoogste salarisschaal van de CAO bereikt en is bij [gedaagde] tot bedrijfsleidster benoemd. Volgens [gedaagde] is [eiseres] goed in haar vak. De kantonrechter leidt hieruit af dat [eiseres] meer dan gemiddelde kennis en kunde bezit.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat in de op life style gerichte kapsalons een band ontstaat tussen de klant en de kapster. [eiseres] heeft dat niet weerspoken.

Onder deze omstandigheden vreest [gedaagde] terecht dat de specifieke kniptechnieken van [gedaagde] ten koste van haar bij [naam kapsalon] zullen worden toegepast indien [eiseres] bij deze kapsalon gaat werken.

Gelet hierop heeft [gedaagde] naar het voorlopig oordeel een rechtens te respecteren belang bij handhaving van het non-concurrentiebeding.

Op grond hiervan kan niet worden geconcludeerd dat de rechter, oordelend in de bodemprocedure waarschijnlijk het non concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk teniet zal doen, zodat de meer subsidiair gevorderde schorsing van de werking van dat beding wordt afgewezen.

3.6

Vastgesteld wordt dat [eiseres] door de handhaving van het non-concurrentiebeding (binnen 6 maanden na 1 maart 2004 binnen een straal van 10 kilometer rondom [gedaagde]) in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van [gedaagde] werkzaam te zijn. [eiseres] heeft thans geen inkomen en geen werk. De kantonrechter acht in de omstandigheden van het geval een vergoeding billijk.

Ter zitting is door [eiseres] gesteld dat haar bruto loon ergens tussen € 1.300,-- en

€ 1.400,-- bruto per maand ligt. De kantonrechter zal derhalve uitgaan van een bedrag van € 1.350,-- te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, dus een inkomensverlies van

€ 1.458,-- bruto per maand. Rekening houdend met haar kwaliteiten moet [eiseres] in staat worden geacht buiten een straal van 10 kilometer rondom [gedaagde] binnen drie maanden na 1 maart 2004, al dan niet tijdelijk, een baan tegen een gelijk loon te vinden. Het met die periode gemoeide inkomensverlies is derhalve € 4.374,-- bruto. Gedaagden zullen worden veroordeeld om dat bedrag -- onder aftrek van datgene dat [eiseres] uit hoofde van de door haar (te) ontvangen uitkeringen op basis van de sociale zekerheidwetgeving -- aan [eiseres] te betalen. Indien [eiseres] niet om een uitkering verzoekt zullen gedaagden voornoemd bedrag niet verschuldigd zijn.

Er is gelet op de conclusie dat het non-concurrentiebeding onverkort geldt geen aanleiding om de contractueel overeengekomen boete te matigen.

3.7

Gelet op de uitkomst van de procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt gedaagden om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.374,-- bruto onder aftrek van de door [eiseres] op grond van de sociale zekerheidswetgeving (te) ontvangen uitkeringen;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar primaire en subsidiaire vordering;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 1 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.