Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO7729

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
130829/KG ZA 04-131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In april 2003 is een wietplantage aangetroffen op de zolder van een gehuurde woning. De kantonrechter heeft bij vonnis van 18 februari 2004 de vordering tot ontruiming van de woning toegewezen. Daarop heeft de vrouw een kort geding gestart ter voorkoming van de executie van het vonnis. Als toetsingskader is gehanteerd dat sprake moet zijn van nieuwe feiten of feiten die eerst na het vonnis van de kantonrechter bekend zijn geworden en die ertoe leiden dat tenuitvoerlegging van het vonnis een noodsituatie tot gevolg heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

130829/KG ZA 04-131 RECHTBANK BREDA

Sector Handelsrecht

Voorzieningenrechter

2 april 2004

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s bij dagvaarding van 18 maart 2004,

procureur: mr. J.B. Hendrix,

t e g e n :

De stichting Woningstichting SINGELVESTE,

gevestigd te Breda,

g e d a a g d e,

procureur: mr. A.A.M. Simons,

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. Hendrix en de door eiseres in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Simons en de door gedaagde in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht.

2. Het geschil.

Eiseres vordert als voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, om gedaagde te veroordelen om de tenuitvoerlegging van het vonnis als in eerste aanleg gewezen op 18 februari 2004 door de kantonrechter te Breda onder rolnr. 271969/CV/03-4153 op te schorten totdat en voorzolang in het inmiddels terzake bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch aangespannen hoger beroep door dit Hof uitspraak is gedaan, zulks met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- eiseres huurt sinds augustus 2002 van gedaagde een woning te Breda.

- Partijen zijn daarvoor een schriftelijke huurovereenkomst aangegaan waarop tevens de algemene huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte d.d. 1 juli 2002 van toepassing is.

- In de algemene voorwaarden is onder meer opgenomen dat eiseres zich ervan dient te onthouden om in het gehuurde, al dan niet voor commerciële doeleinden, hennep of andere gewassen waaruit stimulerende en/of verdovende middelen worden of kunnen worden vervaardigd, te telen of te houden, te verwerken, te bewerken of te verhandelen.

- Op 1 april 2003 is door de politie een inval in de woning gedaan. Geconstateerd werd dat de zolderverdieping in gebruik was als hennepkwekerij.

- Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter te Breda van 18 februari 2004, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, is, onder meer, het navolgende bepaald :

“spreekt uit de ontbinding van de huurovereenkomst betreffende de woning c.a., staande en gelegen te Breda aan de [adres];

veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis genoemde woning c.a. te verlaten en te ontruimen, met medeneming van al diengenen die, en al hetgeen dat zich daarin of daarop niet vanwege den eisende partij bevinden/bevindt, (…) en de woning c.a. ter vrije en algehele beschikking van de eisende partij te stellen, onder afgifte der sleutels, (…)

verwijst gedaagde in de kosten van het geding (…)

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad (…)”

- Eiseres is voornemens van voormeld vonnis van de kantonrechter te Breda bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in hoger beroep te gaan.

- Gedaagde heeft de ontruiming van de woning aangezegd tegen 31 maart 2004.

3.2

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat het belang van eiseres bij schorsing van de executie evident is en dat de gevolgen ervan onaanvaardbaar zijn, gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Zij kampt immers al geruime tijd met een verslavingsproblematiek waarvoor zij vanaf mei 2003 in behandeling is en waarvoor zij door Kentron wordt begeleid. Om de verslaving onder controle te krijgen is het van wezenlijk belang dat eiseres structuur en stabiliteit brengt in haar levenswijze. Het hebben van een woning is daarbij onmisbaar. Bovendien heeft eiseres fysieke problemen door een hernia, waaraan zij recentelijk is geopereerd, evenals problemen aan haar handen waarvoor zij thans onder behandeling is. Aan een van de handen is eiseres al geopereerd, binnenkort zal zij worden geopereerd aan de andere hand. Van wezenlijk belang ten slotte is dat wordt gewerkt aan haar resocialisering, waarvoor een termijn van een half jaar tot een jaar wordt ingeschat. Duidelijk is voor eiseres dat zij een ernstige misstap heeft begaan doch nu zij inmiddels door de begeleiding van Kentron beter in haar schoenen staat is de kans op herhaling nihil, aldus nog steeds eiseres. Ten slotte dient volgens eiseres rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd.

3.3

Gedaagde heeft hiertegen aangevoerd dat er voor schorsing van de executie slechts plaats is bij een kennelijk feitelijke of juridische misslag of wanneer sprake is van nieuwe feiten die na het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen. Over een feitelijke of juridische misslag is niets gesteld noch is hiervan gebleken. Evenmin zijn door eiseres nieuwe feiten naar voren gebracht; al hetgeen eiseres heeft aangevoerd is immers in eerste aanleg naar voren gebracht. Blijkens het vonnis heeft de kantonrechter ook met deze feiten rekening gehouden. Bovendien wordt door eiseres miskend dat het voor gedaagde van evident belang is dat haar woningbestand in stand blijft en de veiligheid wordt gewaarborgd. Van een selectief beleid is in ieder geval geen sprake en eiseres is op diverse manieren gewaarschuwd voor de gevolgen die aan het kweken van hennep zouden worden verbonden, aldus nog steeds gedaagde. Ten slotte is, gelet op de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 14 augustus 2002, niet aannemelijk dat in hoger beroep de gedaagde haar vorderingen zullen worden ontzegd.

3.4

Als algemene regel geldt dat het niet aan de voorzieningenrechter in kort geding is om aan een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de bevoegdheid tot tenuitvoer-legging te ontnemen, tenzij de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Zulks is het geval indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag van de rechter die het vonnis heeft gewezen, dan wel indien zich nieuwe feiten na het wijzen van het vonnis hebben voorgedaan of bekend zijn geworden, die aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zullen doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.5

Niet gesteld noch anderszins is gebleken dat het vonnis van de kantonrechter van 18 februari 2004 klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag zodat in zoverre de vordering niet kan worden toegewezen.

3.6

Evenwel zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter na het vonnis zodanige nieuwe feiten bekend geworden, althans hebben zich in onderhavig geval zodanige nieuwe feiten voorgedaan dat hij aannemelijk acht dat tengevolge van de uitvoering van het vonnis aan de zijde van eiseres een noodtoestand zal ontstaan.

3.7

Immers, eiseres heeft thans aangevoerd, hetgeen door gedaagde niet is betwist, dat eiseres fysieke problemen heeft ten gevolge van een hernia, waarvoor zij een operatie heeft ondergaan, alsmede dat zij problemen heeft aan haar handen waarvoor eiseres eveneens operatief zal moeten worden behandeld. Voorts is het proces van resocialisatie van eiseres thans concreet en specifiek voor het voetlicht gebracht evenals het traject dat door eiseres hiervoor wordt gevolgd en dat een half jaar tot een jaar in beslag zal nemen, gedurende welke periode het hebben van een woning van groot belang is teneinde structuur en stabiliteit te waarborgen. Al deze feiten, in onderling verband en samenhang bezien, maken het naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat voor eiseres bij ontruiming een noodtoestand zal ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Zulks klemt temeer nu voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat het gevaar voor recidive nihil is te achten. Gedaagde heeft in onderhavig geval geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om in afwachting van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. De gevraagde voorzieningen zullen derhalve op na te melden wijze worden toegewezen.

3.8

Aan het voorgaande doet niet af dat eiseres voor het overige ter motivering van haar vordering voornamelijk heeft terug gegrepen op argumenten die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd noch dat deze argumenten als inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis van 18 februari 2004 moeten worden gekwalificeerd, nu immers niet vereist is dat alle aangevoerde argumenten nieuwe argumenten moeten betreffen teneinde tot een mogelijke schorsing van de executie te kunnen komen.

4. De kosten.

Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

veroordeelt gedaagde om de tenuitvoerlegging van het vonnis, zoals in eerste aanleg gewezen op 18 februari 2004 door de kantonrechter te Breda onder rolnr. 271969/CV/03-4153 op te schorten totdat in het inmiddels terzake bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch aangespannen hoger beroep door dit Hof eindarrest is gewezen, tenzij na ommekomst van de appeltermijn mocht blijken dat geen hoger beroep is ingesteld;

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding voor zover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1.014,40, waaronder begrepen een bedrag van € 703,- aan procureurssalaris,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ides Peeters, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 2 april 2004, in tegenwoordigheid van mr. Van den Berg Jeths-Van Meerwijk, waarnemend griffier.