Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO7666

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
15-04-2004
Zaaknummer
296758 \ VV 04-23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 jaar ingevolge art. 7: 668a BW 2x voortgezet onder dezelfde voorwaarden, omdat de door de werkgever aangeboden arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door de werknemer niet is ondertekend. Nu geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, is opzegging voor deze 3e arbeidsovereenkomst niet nodig en eindigt deze van rechtswege. Vordering tot loondoorbetaling werknemer wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 667
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2004, 6226
JAR 2004/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector Kanton – locatie Bergen op Zoom

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser, procederende ingevolge definitieve toevoeging nr. 1CS3360,

gemachtigde: mr. H.Weinans te Roosendaal,

tegen:

VAN NISPEN TRANSPORT ORGANISATIE N.T.O. B.V., gevestigd te Rucphen, aan het adres Korte Hei 32,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.P.L. Keijzer, SCT Juridisch Adviesbureau B.V. te Rotterdam.

Partijen zullen verder worden aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “Van Nispen”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding in kort geding van 24 februari 2004;

- de brief van mr. Weinans d.d. 26 februari 2004, met producties;

- de mondelinge behandeling van het geding ter terechtzitting van 3 maart 2004, waarbij aanwezig waren [eiser], bijgestaan door mr. Weinans, en namens Van Nispen dhr. C.A.F.J. van Nispen, bijgestaan door mr. Keijzer.

De inhoud van genoemde stukken en van de ter zitting door beide gemachtigden overgelegde pleitnotities geldt hier als ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, wordt, voor zover nodig, hierna teruggekomen.

2. Het geschil

[eiser] vordert in kort geding, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Van Nispen tot doorbetaling aan hem van het loon ad € 1.756,80 bruto per periode van vier weken vanaf 7 februari 2004 tot de datum waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met 10% wettelijke verhoging en wettelijke vertragingsrente.

Van Nispen heeft verweer gevoerd.

296758 \ VV 04-23

3. De voorlopige beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, danwel op grond van de niet bestreden inhoud van de producties, het volgende vast.

- Tussen partijen is op 7 februari 2001 een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten, waarbij [eiser] in dienst is getreden bij Van Nispen in de functie van chauffeur voor 32 uur per week tegen een salaris in schaal D5 van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer.

- Op 21 juni 2002 is aan [eiser] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, gedateerd 20-05-2002, aangeboden waarin enkele afwijkende voorwaarden zijn opgenomen ten opzichte van de eerste arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft deze tweede arbeidsovereenkomst niet ondertekend.

- Op 26 november 2003 is [eiser] opnieuw een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, gedateerd

18-05-2002, aangeboden, waarin weer andere voorwaarden zijn opgenomen ten opzichte van de eerder aangeboden arbeidsovereenkomst. [eiser] heeft ook deze arbeidsovereenkomst niet ondertekend.

- Op of omstreeks 19 december 2003 is [eiser] opnieuw een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, gedateerd 17-12-2003, aangeboden. Ook deze arbeidsovereenkomst bevatte clausules waarmee [eiser] zich niet kon verenigen, zodat hij ook deze niet heeft ondertekend.

- Bij brief van 30 januari 2004 heeft Van Nispen [eiser] meegedeeld dat de eerste arbeidsovereenkomst zonder enige tegenspraak is voortgezet, waardoor deze twee keer voor dezelfde duur is verlengd. Voorts deelt zij in deze brief mee dat het laatste contract van rechtswege zal eindigen op 6 februari 2004 en dat zij het contract niet meer wenst voort te zetten, noch om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

- Bij brief van 5 februari 2004 heeft [eiser] zich beschikbaar gesteld de bedongen werkzaamheden als chauffeur te blijven verrichten en aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn loon.

3.2.

Nu [eiser] geen loon meer ontvangt en geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering, is voldoende aangetoond dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, zodat hij in deze ontvankelijk is.

3.3.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van voortzetting zonder tegenspraak. Partijen hebben onderhandeld en overeenstemming bereikt over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met uitbreiding van het aantal werkuren. Over andere details in de aangeboden arbeidsovereenkomsten zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen, waardoor deze niet door [eiser] zijn getekend.

Voorts is [eiser] van mening dat het eerste lid van artikel 7: 668 BW slechts geldt voor de eerste voortzetting van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd. Een voortzetting van een volgend contract levert naar zijn mening een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op. Voor beëindiging hiervan is opzegging nodig en deze heeft niet rechtsgeldig plaatsgevonden, aldus [eiser]. [eiser] stelt verder dat afgesproken was dat hij aan het einde van week 8 zijn loon zou ontvangen, hetgeen niet is gebeurd. Hij weet nu niet of hij nog in dienst is en ziek thuis zit, of dat hij inmiddels werkloos is.

3.4.

Van Nispen stelt zich op het standpunt dat, nu [eiser] geen der aangeboden arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd heeft aanvaard, er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. De eerste arbeidsovereenkomst is hierdoor twee maal stilzwijgend verlengd, voor dezelfde periode en onder dezelfde voorwaarden, zodat deze van rechtswege is geëindigd op 6 februari 2004. De vordering van [eiser] dient derhalve te worden afgewezen. Voor het geval de kantonrechter de vordering zou toewijzen, dient slechts uitgegaan te worden van een dienstverband voor 32 uur per week, het aantal overeengekomen arbeidsuren, aldus Van Nispen.

296758 \ VV 04-23

3.5.

Gezien het feit dat [eiser] door Van Nispen herhaaldelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden is voldoende aannemelijk geworden dat partijen de bedoeling hebben gehad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan.

In de eerste arbeidsovereenkomst is [eiser] toegestaan om gedurende maximaal 4 maanden per kalenderjaar als zelfstandige te werken. Tevens is hierin opgenomen dat Van Nispen er geen bezwaar tegen heeft dat [eiser] tot een maximum van 4 maanden per kalenderjaar geen werkzaamheden voor Van Nispen verricht. Naast een aantal andere afwijkingen wordt in de volgende door Van Nispen aangeboden arbeidsovereenkomsten [eiser] uitdrukkelijk verboden zaken voor eigen rekening te doen. [eiser] heeft onweersproken gesteld een eigen bedrijf te hebben waarin hij videopresentaties produceert, hetgeen geen concurrentie voor Van Nispen oplevert. Hij wenst dit bedrijf ongestoord te kunnen blijven uitoefenen. Kennelijk is voor [eiser] met name de genoemde bepaling in de aangeboden arbeidsovereenkomst niet aanvaardbaar.

Indien ervan uitgegaan zou worden dat, zoals [eiser] stelt, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn ontstaan, geldt dat Van Nispen voorwaarden uit de eerste arbeidsovereenkomst zou zijn overeengekomen, die zij ongewenst vindt. Bovendien zouden andere voorwaarden welke Van Nispen wél gewenst vindt, niet zijn overeengekomen. Op deze wijze zou een overeenkomst zijn ontstaan welke “in het straatje van” [eiser] zou passen en waarmee Van Nispen zich niet kan verenigen.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Vast staat dat Van Nispen herhaaldelijk een aanbod heeft gedaan. Vast staat ook dat [eiser] de aanbiedingen, zoals gedaan, niet heeft aanvaard. Geconcludeerd kan dan ook worden dat op deze wijze geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.

3.6.

Artikel 7: 667, lid 1 BW vermeldt dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst. In de eerste arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze geldt voor de duur van één jaar. Volgens artikel 7: 668 BW wordt de arbeidsovereenkomst, indien deze na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 7: 667, lid 1 BW door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, geacht voor dezelfde tijd, doch telkens (cursivering kantonrechter) ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan. Dit impliceert dat hier niet alleen de eerste voortzetting van een arbeidsovereenkomst wordt bedoeld, maar ook volgende voortzettingen.

3.7.

Het argument van [eiser] dat de arbeidsovereenkomst niet zonder tegenspraak is voortgezet, houdt geen stand. Niet gebleken is dat partijen hebben gesproken over voortzetting van de eerste arbeidsovereenkomst, onder andere voorwaarden. Wel hebben partijen gesproken over een nieuw te sluiten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij zij het niet eens zijn geworden over de daarin op te nemen voorwaarden.

De arbeidsovereenkomst is na 6 februari 2004 ook niet meer feitelijk voortgezet. Van Nispen heeft [eiser] er immers schriftelijk op gewezen dat 6 februari 2004 zijn laatste werkdag zou zijn.

Voorshands is de conclusie dat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en dat de eerste arbeidsovereenkomst twee maal is voortgezet, terwijl zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 7: 668a BW, zodat mede gelet op artikel 7: 667 BW opzegging niet nodig is. Derhalve wordt er van uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege is geëindigd op 6 februari 2004.

De vordering van [eiser] dient dan ook te worden afgewezen.

3.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Van Nispen gevallen.

296758 \ VV 04-23

4. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- wijst de vordering van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van Van Nispen gevallen, begroot op € 180,00, zijnde het salaris voor de gemachtigde van Van Nispen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Minnaar, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 11 maart 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.