Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO7185

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
03 / 1684 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het door de Sociale verzekeringsbank in verband met verzoeken om herziening van ouderdomspensioen geformuleerde beleid, waarbinnen ten aanzien van de temporele werkingssfeer van het arrest Wessels-Bergervoet van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt aangesloten bij de leer van de formele rechtskracht van beschikkingen acht de rechtbank in algemene zin aanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Meervoudige kamer

03 / 1684 AOW

UITSPRAAK

in de zaak van

[eiseres], wonende te [adres] eiseres,

gemachtigde mr. G. van Zon,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 juli 2003 (bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 januari 2004, waarbij aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde en namens verweerder E.W. Viertelhauzen.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verweerder heeft aan eiseres (geboren [geboortedatum]) in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar bij besluit van 5 januari 1990 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend met ingang van 1 april 1990. Op dit pensioen was een korting toegepast van 28% op de grond dat eiseres niet verzekerd was geweest van 11 juni 1964 tot 1 oktober 1978.

Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

In juni 2002 (en oktober 2002) heeft eiseres zich tot verweerder gewend met het verzoek om haar ouderdomspensioen te herzien.

Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek vastgesteld dat, gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 juni 2002 in de zaak [W.] (nr. 34462/97, RSV 2002/181), geen korting meer op het ouderdomspensioen van eiseres dient te worden toegepast over de periode voor 1980 waarin zij niet verzekerd was voor de AOW omdat haar echtgenoot niet verzekerd was. Bij primair besluit van 1 april 2003 heeft verweerder het recht van eiseres op ouderdomspensioen daarom herzien, in die zin dat haar ingaande 1 januari 2002 een ongekort pensioen is toegekend.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 mei 2003, aangevuld bij brief van 11 juni 2003, bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen – zakelijk weergegeven – dat met de ingangsdatum van de herziening aansluiting is gezocht bij het wetsvoorstel inzake het niet meer korten van perioden van mede-uitsluiting. In dit wetsvoorstel is de ingangsdatum gesteld op 1 januari 2002. Inmiddels is het niet meer korten van tijdvakken van mede-uitsluiting van vrouwen op grond van het arrest [W.] vastgelegd in een wet waarmee de AOW – door toevoeging van artikel 13a – is gewijzigd. Artikel 13a van de AOW is op 1 mei 2003 in werking getreden en werkt terug tot 1 januari 2002. Van de datum van 1 januari 2002 kan worden afgeweken indien er eerder bezwaar is gemaakt tegen het toepassen van een korting in verband met mede-uitsluiting. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift niet gesteld en uit dossieronderzoek is niet gebleken dat zij eerder bezwaar heeft gemaakt tegen de toegepaste korting op haar AOW-pensioen. Derhalve is terecht aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel inzake het niet meer korten van perioden van mede-uitsluiting.

Dat het feitencomplex van de zaak van eiseres gelijk is aan het feitencomplex van de zaak [W.] is niet correct omdat eiseres niet eerder bezwaar heeft aangetekend tegen de toegepaste korting op haar AOW-pensioen.

2.2 Eiseres heeft tegen het bestreden besluit – kort samengevat – aangevoerd dat het recht op volledig ouderdomspensioen niet eerst met ingang van januari 2002 geldt, maar vanaf de ingangsdatum van haar ouderdomspensioen in april 1990.

2.3 In artikel 9, tiende lid, van de AOW is de hoogte van het bruto-ouderdomspensioen vastgesteld.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt op de bedragen, genoemd in artikel 9, tiende lid, een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest.

In artikel 13a, eerste lid, van de AOW is bepaald dat artikel 13, eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is op de vrouwelijke pensioengerechtigde voor elk kalenderjaar dat zij in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd was, doordat zij in Nederland woonde en gehuwd dan wel gehuwd geweest was met een persoon, die in die periode niet verzekerd was.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de AOW wordt het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

2.4 Het bestreden besluit behelst de handhaving van de herziening van het AOW-pensioen van eiseres ingaande 1 januari 2002 en het daartegen gerichte beroep betreft de vraag of die ingangsdatum correct is.

Ingevolge de destijds geldende nationaalrechtelijke bepalingen was eiseres uitgesloten van verzekering ingevolge de AOW gedurende het tijdvak waarover haar echtgenoot vanwege diens werkzaamheden in België niet was verzekerd voor de AOW. Het EHRM heeft met het arrest [W.] bepaald dat de destijds geldende uitsluiting van de gehuwde vrouw en de doorwerking hiervan in de vorm van kortingen op het AOW-pensioen of de AOW-toeslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als neergelegd in artikel 14 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat het EHRM in het arrest [W.] geen temporele begrenzing heeft gegeven aan de gevolgen die in het kader van de AOW toekomen aan het gelijkheidsbeginsel, vervat in artikel 14 van het EVRM.

In verband met verzoeken om herziening van ouderdomspensioen als in dit geding aan de orde, heeft verweerder beleid geformuleerd, waarbinnen ten aanzien van de temporele werkingssfeer van het arrest [W.] wordt aangesloten bij de leer van de formele rechtskracht van beschikkingen. In geval van een beleidswijziging die zijn oorsprong vindt in een rechterlijke uitspraak herziet verweerder beschikkingen waaraan formele rechtskracht toekomt in beginsel met een terugwerkende kracht tot de datum van die uitspraak. Bij de terugwerkende kracht van de herziening van het recht op ouderdomspensioen als in dit geding aan de orde heeft verweerder echter als uitgangspunt genomen de manifeste wens van het parlement om met ingang van 1 januari 2002 te komen tot een wijziging van de AOW waarin de gevolgen van het arrest [W.] verankerd zijn. Deze wetswijziging heeft geresulteerd in de inwerkingtreding van artikel 13a van de AOW op 1 mei 2003 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002.

Gelet op het voorgaande onderscheidt verweerder sedert het arrest [W.] de volgende drie situaties:

- In alle gevallen waarin na de datum van het arrest tot toekenning van een nieuw ouderdomspensioen wordt beslist, wordt beslist conform het arrest;

- In gevallen waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe beleid is beslist, wordt herzien met volledige terugwerkende kracht wanneer aan het besluit geen formele rechtskracht toekomt;

- In gevallen waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe beleid is beslist en aan het besluit formele rechtskracht toekomt, gaat verweerder tot een jaar na de datum van het arrest tot herziening over met een terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. Indien met meer dan een jaar na de datum van het arrest een verzoek tot herziening van het AOW-pensioen wordt ingediend, bedraagt de terugwerkende kracht van de herziening slechts een jaar, behoudens uitzonderingen waarin een langere terugwerkende kracht kan worden betracht.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerders weigering om ten voordele van eiseres terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 5 januari 1990, in die zin dat eiseres een volledig ouderdomspensioen wordt toegekend met ingang van april 1990, de aan de rechtbank toekomende toets kan doorstaan.

De rechtbank acht voormeld beleid van verweerder in algemene zin aanvaardbaar. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het (gedeeltelijk) terugkomen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten een discretionaire bevoegdheid van het betrokken uitvoeringsorgaan is en dat in casu niet staande is te houden dat deze wijze van correctie van vastgestelde aanspraken in strijd is met een supranationaal discriminatieverbod. De rechtbank verwijst in dat verband mede naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, gepubliceerd in RSV 1994/212.

Gelet op voormelde beleidsregels moet verweerders beslissing om het AOW-pensioen van eiseres te herzien met ingang van januari 2002, derhalve met ingang van de datum vanaf wanneer artikel 13a van de AOW toepassing heeft gekregen, voor juist worden gehouden.

De stelling namens eiseres dat verweerder gehouden is de ten onrechte toegepaste korting van meet af aan ongedaan te maken, kan de rechtbank derhalve niet onderschrijven. Het oorspronkelijke toekenningsbesluit heeft immers, doordat het niet is aangevochten, rechtskracht verkregen. Tenslotte is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond

waarvan verweerder in het onderhavige geval van zijn beleidslijn zou dienen af te wijken.

Het bestreden besluit houdt derhalve in rechte stand en het beroep van eiseres daartegen slaagt niet. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

2.5 Gezien de ongegrondverklaring van het beroep, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J.G.M. Wouters, C.J.M. Volkers en H.W.M. Pulskens, rechters, en door mr. J.G.M. Wouters, voorzitter, in aanwezigheid van mr. P.J.M. van Iersel, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2004.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: