Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO5743

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
002066-94
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door de officier van justitie is betoogd dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift, aangezien het gerechtshof Arnhem laatstelijk op 17 februari 2002 de verlenging van de terbeschikkingstelling heeft verleend en het onderhavige verzoek dan ook bij het gerechtshof dient te worden gedaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 509o
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 369
NBSTRAF 2004/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 002066-94

Beslissing op verzoek opheffing terbeschikkingstelling in verband met schending van artikel 5 EVRM.

Beslissing op het verzoekschrift strekkende tot opheffing terbeschikkingstelling van 11 december 2003 in de zaak tegen

[B.N.],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

verblijvende in de TBS-kliniek “De Kijvelanden” te Poortugaal.

1 De procedure.

De rechtbank heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift voornoemd;

- het omtrent [N.] opgemaakte rapport van prof. Dr. J.T.V.M. de Jong, transcultureel psychiater, d.d. 16 november 2003;

- de ter zitting door [N.] overgelegde schriftelijke toelichting op zijn betoog;

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord.

Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. De Goeij, advocaat te Alkmaar.

2 De beoordeling

Door de officier van justitie is betoogd dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift, aangezien het gerechtshof Arnhem laatstelijk op 17 februari 2002 de verlenging van de terbeschikkingstelling heeft verleend en het onderhavige verzoek dan ook bij het gerechtshof dient te worden gedaan.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat geen rechtsregel zich verzet tegen de bevoegdheid van de rechtbank in deze zodat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de inhoud van het verzoek.

Onder verwijzing naar artikel 5, vierde lid van het EVRM, is door de raadsman aangevoerd dat zijn client het recht heeft het verzoek in te dienen en de rechtbank mitsdien hem daarin ontvankelijk dient te verklaren.

Artikel 5 lid 4 van de EVRM bepaalt dat een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

Blijkens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is niet uit deze bepaling af te leiden dat zulk een toegang tot de rechter zich voordoet indien eerder, als uitkomst van een juridische procedure, door een rechter tot vrijheidsbeneming is besloten. Indien er evenwel gelet op de aard van de vrijheidsbeneming, zoals in geval van detentie op grond van een geestesziekte, er lopende de vrijheidsbeneming in die toestand zich een verandering kan voordoen, zou er, binnen redelijke intervallen, wel een beroep op de rechter mogelijk moeten zijn om de rechtmatigheid van de detentie te toetsen (zie par. 55 uit het arrest Winterwerp, EHRM 24-10-1079).

Bij eerdere rechterlijke beslissingen aangaande de terbeschikkingstelling van betrokkene, initieel en later bij periodieke twee-jaarlijkse verlengingsbeslissingen en ook overigens in hoger beroep, is tot –voortzetting van- vrijheidsbeneming in het kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging besloten. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden als hiervoor genoemd, namelijk regelmatige, binnen redelijke intervallen, toetsingen door een onafhankelijke rechterlijke instantie, zodat artikel 5 EVRM geen grondslag kan bieden voor het onderhavige verzoek.

Voorts beroept de raadsman zich op het gelijkheidsbeginsel. Omdat het openbaar ministerie, aldus de raadsman, de mogelijkheid heeft aan de rechtbank te verzoeken de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen, dient ook de terbeschikkinggestelde zelf in de gelegenheid te zijn het verzoek te doen de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te beëindigen.

De rechtbank verstaat dit beroep als een beroep op het beginsel van ‘equality of arms’.

Met de officier van justitie is de rechtbank is van mening dat de wet in deze in een regeling heeft voorzien. Bij gelegenheid van de regelmatige (twee-)jaarlijkse verlengingszitting kan de terbeschikkinggestelde verzoeken in vrijheid te worden gesteld, zodat van strijd met voormeld beginsel geen sprake is. Voor een buitenwettelijke procedure zoals de raadsman thans verzoekt is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen plaats.

Derhalve kan betrokkene niet worden ontvangen in zijn verzoek.

3 De beslissing.

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. Rouwen, voorzitter, mr. Alferink en mr. Pick, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van Hamme en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 maart 2004.