Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO4843

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
Zaaknummer: 298196/VV/04-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De OR en de FNV vorderen - na wijziging van eis - uiteindelijk bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

BBA te verbieden de voorgenomen dienstregelingen voor Breda Stad, Breda Streek, voor de vestiging Waalwijk en Utrecht Noord-West per 29 februari 2004 te gaan rijden op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat BBA haar werknemers in/op een van de betreffende dienstregelingen laat rijden.

subsidiair:

BBA te verbieden de voorgenomen dienstregelingen voor Breda Stad, Breda Streek, voor de vestiging Waalwijk en voor Utrecht Noord-West te gaan rijden op basis van dienstroosters en werktijdregelingen, waarvoor geen instemming is verkregen, op straffe van een dwangsom van € 5000,-- per dag voor iedere dag dat de directie werknemers van BBA de betreffende dienstregelingen laat rijden op basis van roosters en werktijdregelingen waarvoor geen instemming is verkregen.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2004, 18
JAR 2004/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: 298196/VV/04-26

Vonnis d.d.: 25 februari 2004

KPM/AD

RECHTBANK BREDA

sector kanton -locatie Breda

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. DE ONDERNEMINGSRAAD van de naamloze

vennootschap BBA PERSONENVERVOER NV, vertegenwoordigd door haar voorzitter WILHELMUS VAN OISTERWIJCK,

wonende te Waspik, gemeente Waalwijk,

2. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Utrecht,

eisers bij dagvaarding van 18 februari 2004,

gemachtigde: mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg,

tegen:

de naamloze vennootschap BBA PERSONEN-VERVOER NV,

gevestigd en kantoorhoudende te Breda,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. Tan, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als 'de OR', 'de FNV' en 'BBA'.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van het geding blijkt allereerst uit:

- de dagvaarding in kort geding d.d.. 18 februari 2004 en de daarin genoemde producties;

- de op voorhand bij fax d.d. 19 februari 2004 door mr. De Jong toezonden akte tot het in het geding brengen van stukken en tot wijziging/aanvulling van de vordering met producties;

- de brieven van de gemachtigde van BBA d.d. 19 februari 2004 met de daarin genoemde bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 februari 2004.

Bij die gelegenheid heeft mr. Tan verweer gevoerd en zijn pleitaantekeningen met bijlagen alsmede een fax van de concessiemanager Utrecht Noord-West aan hem van 19 februari 2004 overgelegd.

Hij heeft het bij een van zijn brieven van 19 februari 2004 op voorhand aangekondigde bezwaar tegen de door mr. De Jong verzochte wijziging van eis laten varen.

De inhoud van alle genoemde stukken dient als hier overgenomen en ingelast te worden beschouwd.

2. De gevorderde voorzieningen.

De OR en de FNV vorderen - na wijziging van eis - uiteindelijk bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

BBA te verbieden de voorgenomen dienstregelingen voor Breda Stad, Breda Streek, voor de vestiging Waalwijk en Utrecht Noord-West per 29 februari 2004 te gaan rijden op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat BBA haar werknemers in/op een van de betreffende dienstregelingen laat rijden.

subsidiair:

BBA te verbieden de voorgenomen dienstregelingen voor Breda Stad, Breda Streek, voor de vestiging Waalwijk en voor Utrecht Noord-West te gaan rijden op basis van dienstroosters en werktijdregelingen, waarvoor geen instemming is verkregen, op straffe van een dwangsom van € 5000,-- per dag voor iedere dag dat de directie werknemers van BBA de betreffende dienstregelingen laat rijden op basis van roosters en werktijdregelingen waarvoor geen instemming is verkregen.

3. De beoordeling

3.1

Van het volgende kan ten processe worden uitgegaan:

a. Op basis van concessies die door lokale respectievelijk regionale overheden aan BBA zijn verleend, exploiteert BBA buslijnen.

b. Zij doet dat onder andere in de concessies Breda Stad, Breda streek, Waalwijk en Utrecht Noord-West.

c. In het kader van deze concessies worden dienstregelingen overeengekomen voor de busdiensten, die binnen een toegekend vervoersgebied, moeten worden gereden.

d. Ter uitvoering van een dienstregeling (zijnde: het door BBA aan haar klanten te leveren product) worden dienstroosters en werktijdregelingen opgesteld voor de groep van chauffeurs, die de betreffende dienstregeling moet gaan rijden.

e. Op de arbeidsovereenkomsten van de chauffeurs is de CAO Openbaar Vervoer van kracht.

f. Artikel 19 lid 2 van die CAO bepaalt dat dienstroosters en werktijdregelingen eerst van kracht worden, nadat de ondernemingsraad daarmee heeft ingestemd .

g. In artikel 27 van de wet op de ondernemingsraden (WOR) is geregeld dat een door de onderneming voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een werktijdregeling, voorzover betrekking hebbende op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen de instemming van de ondernemingsraad behoeft.

h. Dit artikel houdt voorts in dat de ondernemer, die geen instemming van de ondernemingsraad heeft verkregen, bij de kantonrechter vervangende toestemming kan vragen en dat de ondernemingsraad van een besluit, dat zonder zijn instemming of vervangende toestemming van de kantonrechter is genomen, de nietigheid kan inroepen.

i. De OR heeft in februari 2004 besloten niet in te stemmen met de voorgenomen besluiten van BBA tot vaststelling van de nieuwe werktijdregelingen ten behoeve van de per 29 februari 2004 in te voeren nieuwe dienstregelingen voor de concessies Breda Stad, Breda Streek en de wijziging per 29 februari 2004 van de per 1 december 2003 ingevoerde werktijdregeling Utrecht Noord-West.

j. BBA heeft desondanks besloten de voorgenomen dienstregelingen op basis van de daartoe opgestelde werktijdenregelingen per 29 februari 2004 te gaan rijden.

k. De OR heeft schriftelijk de nietigheid van deze besluiten ingeroepen.

l. Bij brief van 19 februari 2004 heeft BBA de bedrijfscommissie voor het wegvervoer verzocht om in het geschil dat tussen de OR en haar is gerezen met betrekking tot de werktijdregeling voor de concessie Stad Breda, te bemiddelen.

m. BBA heeft voorts besloten ingaande 29 februari 2004 een nieuwe werktijdregeling voor de concessie Waalwijk in te voeren.

n. De OR heeft BBA bericht dat sprake is van een nietig besluit tenzij BBA aan de OR de schriftelijke instemming van de onderdeelcommissie Waalwijk met die regeling kan tonen.

o. Over alle genoemde werktijdenregelingen hebben BBA en de onderdeelcommissie van de betrokken concessie respectievelijk de OR overleg gevoerd.

3.2

De OR stelt dat zij recht en belang bij de gevorderde voorzieningen heeft omdat BBA ondanks de wettelijke bepalingen en zijn sommaties (de kantonrechter leest: om ter voorkoming van de onderhavige procedure) af te zien van de invoering van de nieuwe dienstregelingen per 29 februari 2004 totdat (vervangende) toestemming is verkregen op de aan de OR voorgelegde dienstroosters en werktijdenregelingen, niet voornemens is om dat te doen hetgeen ingrijpende consequenties heeft voor de betrokken werknemers van BBA.

De FNV stelt dat zij recht en belang bij de gevorderde voorzieningen heeft omdat veel werknemers van BBA tot haar leden behoren; BBA inspanningen en prestaties van haar werknemers verlangt, die in strijd zijn met de tussen BBA en haar gesloten CAO en haar leden verlangen dat zij daartegen optreedt.

3.3

De primaire vordering strekt tot het uitvaardigen van een verbod aan BBA om de voorgenomen dienstregelingen vanaf 29 februari 2004 door haar werknemers te laten rijden.

Noch de OR noch de FNV kunnen in die vordering worden ontvangen omdat BBA geen instemming van de OR behoeft tot invoering van een nieuwe dienstregeling en het laten rijden daarvan weliswaar samenhangt met adequate werktijdregelingen voor de chauffeurs maar niet noodzakelijk en vanzelfsprekend met de voorgenomen werktijdregelingen.

3.4

De subsidiaire vordering strekt tot het uitvaardigen van een verbod aan BBA om de voorgenomen werktijdregelingen en dienstroosters (hierna aan te duiden onder de verzamelnaam: werktijdregelingen) vanaf 29 februari 2004 in te voeren en haar werknemers op basis daarvan te laten rijden.

Op grond van het bepaalde in artikel 27 WOR kan de OR in die vordering worden ontvangen.

Anders dan BBA betoogt, kan ook de FNV in die vordering worden ontvangen, nu deze de naleving van het bepaalde in artikel 19 lid 2 van de CAO Openbaar Vervoer, betreft.

3.5

BBA stelt dat de OR zijn instemming aan de voorgenomen werktijdregelingen op onjuiste en oneigenlijke gronden heeft onthouden.

Daartoe voert zij aan dat in het kader van de beoordeling van een werktijdregeling enkel de Arbeidstijdenwet, artikel 19 van de CAO Openbaar Vervoer en de door BBA gehanteerde roosterrichtlijnen relevant zijn, zodat instemming behoort te volgen als aan die regelingen is voldaan.

BBA miskent aldus dat werktijdregelingen ook een economische, organisatorische en sociale dimensie hebben, waarvan de beoordeling het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen raakt en die niet steeds in wetten en reglementen is vastgelegd.

Voornoemde stelling wordt dan ook verworpen.

3.6

Partijen zijn het er over eens dat het met een zekere regelmaat bij BBA voorkomt dat wijzigingen van werktijdregelingen c.q. nieuwe werktijdregelingen worden ingevoerd, waaraan de OR (nog) geen instemming heeft verleend. Staande praktijk was dat de OR formeel bezwaar maakte en dat in overleg naar een bevredigende oplossing werd gezocht.

Tegen die achtergrond bezien is het niet aan BBA te verwijten dat zij reeds is begonnen met het treffen van voorbereidende maatregelen voor de invoering van de nieuwe dienstregelingen op basis van de voorgenomen werktijdregelingen.

3.7

De kantonrechter verwerpt de stelling van BBA dat het loslaten van bedoelde staande praktijk door de OR misbruik van recht oplevert.

Het moment, waarop de OR de nietigheid van de besluiten tot invoering van de voorgenomen werktijdregelingen heeft ingeroepen, leidt er echter wel toe dat het voor BBA praktisch niet meer mogelijk is om voor 29 februari 2004 - middels verder overleg - tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing te komen.

Dit geldt te meer nu de taakopvatting en representativiteit van sommige onderdeelcommissies kennelijk bij een deel van het personeel ter discussie staat en de verhouding van die commissies tot de OR kennelijk niet optimaal is. Van deze voor de uitoefening van het medezeggenschapsrecht niet bevorderlijke situatie, blijkt uit de overgelegde correspondentie.

Voor het tijdig verkrijgen van vervangende toestemming middels de daarvoor geëigende procedure is de tijd eveneens tekort.

3.8

Het doorslaggevende bezwaar van de OR tegen de werktijdregeling Stad Breda betreft de veelvuldige en langdurige stationnementen. De OR vreest dat daarvan een negatieve invloed uitgaat op de veiligheid. De bezwaren tegen de overige werktijdregelingen houden in dat deze in strijd zijn met de regelgeving. Er wordt volgens de OR door BBA uitgegaan van feitelijk onjuiste rijtijden en regels worden niet op de juiste wijze toegepast.

De OR heeft tegenover de betwisting daarvan door BBA niet aannemelijk gemaakt dat die bezwaren, zich daadwerkelijk voordoen en van een dergelijk gewicht zijn dat op voorhand moet worden geoordeeld dat de kantonrechter aan wie BBA vervangende toestemming zou vragen, deze hoogstwaarschijnlijk zou weigeren. Dit geldt te meer nu veel bezwaren meer op veronderstellingen en interpretaties zijn gebaseerd dan op thans controleerbare feitelijkheden.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er dan ook geen plaats om de invoering/toepassing van de voorgenomen werktijdregelingen dadelijk te verbieden.

3.9

De omstandigheid dat de tijd thans te kort is om tijdig vervangende toestemming te verkrijgen, ligt in de risicosfeer van BBA.

Gelet op het bepaalde in artikel 27 WOR had van haar - zeker toen de datum van invoering van de nieuwe dienstregelingen naderde en nog geen instemming op de voorgenomen werktijdregelingen was verkregen - mogen worden verwacht dat zij een tijdig besluit van de OR had uitgelokt en bij gebreke van instemming dadelijk een procedure ter verkrijging van vervangende toestemming was begonnen.

Voorzover BBA een dergelijke procedure inmiddels niet alsnog voor alle voorgenomen werktijdregelingen is begonnen, mag van haar worden gevergd dat zij dit op korte termijn doet.

3.10

In het licht van vorenstaande is het op zijn plaats dat de voorgenomen werktijdregelingen niet langer dan tot aan de uitkomst van bedoelde procedure(s) mogen worden toegepast.

Derhalve is een beperkt verbod op zijn plaats, in die zin dat het BBA zal worden verboden om vanaf 1 maand na heden dan wel - indien zij binnen die maand procedures tot verkrijging van vervangende toestemming voor elk van de onderhavige werktijdregelingen heeft aangespannen - vanaf het moment dat haar die toestemming zou worden onthouden, haar werknemers de voorgenomen dienstregelingen voor Breda Stad, Breda Streek, voor de vestiging Waalwijk en voor Utrecht Noord-West te laten rijden op basis van dienstroosters en werktijdregelingen, waarvoor geen vervangende toestemming is verkregen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat BBA dit verbod overtreedt.

Het totaal aan te verbeuren dwangsommen zal worden beperkt tot de som van € 150.000,--

3.11

De uitkomst van de procedure geeft aanleiding om de proceskosten te compenseren aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing.

De voorzieningenrechter:

- verklaart de OR en de FNV niet ontvankelijk in hun primaire vordering.

- verbiedt BBA om vanaf 1 maand na heden dan wel - indien zij binnen die maand procedures tot verkrijging van vervangende toestemming voor elk van de onderhavige werktijdregelingen heeft aangespannen - vanaf het moment dat haar die toestemming zou worden onthouden, haar werknemers de voorgenomen dienstregelingen voor Breda Stad, Breda Streek, voor de vestiging Waalwijk en voor Utrecht Noord-West te laten rijden op basis van dienstroosters en werktijdregelingen, waarvoor geen vervangende toestemming is verkregen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag voor iedere dag dat BBA dit verbod overtreedt.

- beperkt het totaal bedrag van de eventueel te verbeuren dwangsommen tot de som van

€ 150.000,--

- compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Koopman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 25 februari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.