Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO3892

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-02-2004
Datum publicatie
17-02-2004
Zaaknummer
1842-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5565
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reeshofzaak

Gekwalificeerde doodslag op volstrekt willekeurig slachtoffer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 1842-03

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Vught, Nieuw Vosseveld 1, HvB te Vught.

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Rademakers, advocaat te Dongen.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, genoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

-met een mes, althans een steekvoorwerp gestoken en/of

-geschopt en/of geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

genoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

-met een mes, althans een steekvoorwerp, gestoken en/of

-geschopt en/of geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van geld, gepleegd tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte en/of (een) mededader(s) genoemde [slachtoffer 1]

tot stoppen hebben/heeft gedwongen en/of de woorden hebben/heeft toegevoegd "heb je geld" en/of "ik wil geld" althans woorden van dreigende aard en/of strekking en/of zijn zak(ken) in de kleding hebben/heeft doorzocht en/of betast en/of hebben/heeft geschopt en/of geslagen

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

-met een mes, althans een steekvoorwerp, gestoken en/of

-geschopt en/of geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een fiets, gepleegd tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte en/of (een) mededader(s) genoemde [slachtoffer 1] tot stoppen hebben/heeft gedwongen en/of de woorden hebben/heeft toegevoegd "heb je geld" en/of "ik wil geld" althans woorden van dreigende aard en/of strekking en/of zijn zak(ken) in de kleding hebben/heeft doorzocht en/of betast en/of hebben/heeft geschopt en/of geslagen en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de Reeshofdijk en/of de Dalenstraat, in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer

van zijn mededader(s), althans alleen genoemde [slachtoffer 1] tot stoppen heeft gedwongen en/of de woorden heeft toegevoegd "heb je geld" en/of "ik wil geld" althans woorden van dreigende aard en/of strekking en/of zijn zak(ken) in de kleding heeft doorzocht en/of betast en/of heeft geschopt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een steekvoorwerp in diens lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

vierde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de Reeshofdijk en/of de Dalenstraat, in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of (een) mededader(s) genoemde [slachtoffer 1] tot stoppen hebben/heeft gedwongen en/of de woorden hebben/heeft toegevoegd "heb je geld" en/of "ik wil geld" althans woorden van dreigende aard en/of strekking en/of zijn zak(ken) in de kleding hebben/heeft doorzocht en/of betast en/of meermalen, althans eenmaal hebben/heeft geschopt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een steekvoorwerp in diens lichaam hebben/heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tot stoppen heeft gedwongen en/of de woorden heeft toegevoegd "heb je geld" en/of "ik wil geld" althans woorden van dreigende aard en/of strekking en/of de/een zak(ken) van hun/zijn kleding heeft doorzocht en/of betast en/of

meermalen, althans eenmaal heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juli 2003 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tot stoppen hebben/heeft gedwongen en/of de woorden hebben/heeft toegevoegd "heb je geld" en/of "ik wil geld" althans woorden van dreigende aard en/of strekking en/of de/een zak(ken) van hun/zijn kleding hebben/heeft doorzocht en/of betast en/of meermalen, althans eenmaal hebben/heeft geschopt en/of geslagen,

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat uit de verklaringen van verdachte, waaronder hetgeen hij heeft verklaard tegenover de psycholoog drs. Neissen, volgt dat sprake is geweest van een moment van reflectie bij verdachte waarna hij het slachtoffer meermalen heeft gestoken. De officier van justitie heeft daaruit afgeleid dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld, hetgeen in zijn ogen betekent dat verdachte dient te worden veroordeeld wegens moord.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de dood van [slachtoffer 1].

Verdachte was op de noodlottige avond onder invloed van verdovende middelen en gedroeg zich agressief en opgefokt. Tijdens de vechtpartij met het slachtoffer in de Dalenstraat werd hij extra kwaad omdat [slachtoffer 1] kennelijk sterker was en hij het gevecht dreigde te verliezen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich ervan bewust was dat [slachtoffer 1] door zijn steken zou kunnen overlijden. De rechtbank is van oordeel dat dit besef bij verdachte niet direct met zich brengt dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte, toen hij het mes op straat zag liggen, in een opwelling het mes heeft gepakt en het slachtoffer vier maal diep in de rug heeft gestoken. Aldus was sprake van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij verdachte ingegeven door woede.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een enige tijd tevoren genomen besluit gericht op de dood van [slachtoffer 1], is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs aanwezig is om verdachte wegens moord te veroordelen.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1

op 18 juli 2003 te Tilburg tezamen en in vereniging met opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers verdachte en zijn mededader met dat opzet

genoemde Raaijmakers meermalen

-met een mes gestoken en

-geschopt engeslagen,

tengevolge waarvan voornoemde Raaijmakers is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van geld, gepleegd tezamen en in vereniging met anderen welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld enbedreiging met geweld tegen genoemde Raaijmakers, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin

bestonddat hij, verdachte enzijn mededader genoemde Raaijmakers tot stoppen hebbengedwongen ende woorden hebbentoegevoegd "heb je geld" en"ik wil geld" in de kleding hebben doorzocht hebbengeschopt engeslagen

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers straffeloosheid enhet bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2

op 18 juli 2003 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en

bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken , met zijn mededaders, die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tot stoppen heeft gedwongen en de woorden heeft toegevoegd "heb je geld" en "ik wil geld" en de zakken van hun kleding heeft doorzocht en

meermalen heeft geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank heeft in het bovenstaande kennelijke schrijffouten verbeterd.

Hetgeen onder 1 eerste subsidiair en onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Verdachte en twee van zijn medeverdachten hebben vroeg op de avond van 18 juli 2003 een krat bier gestolen in een supermarkt, waarna zij meerdere flesjes bier hebben gedronken en een joint hebben gerookt in een park in de Tilburgse wijk De Reeshof. Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten volgt dat onder invloed van alcohol en soft-drugs een agressieve sfeer onder hen ontstond en dat zij die avond zonder enige aanleiding fel, opgefokt en agressief reageerden op andere in het park aanwezige jongeren.

Op enig moment die avond heeft verdachte met medeverdachten Rojer en Autar, en daarna ook met medeverdachte De Graaf, bedacht om iemand te gaan beroven, enerzijds omdat zij geld nodig hadden om de volgende avond naar een discotheek te kunnen gaan en anderzijds omdat zij zin hadden om te vechten. De termen 'droppen' (beroven) en 'doekoes' (geld) zijn daarbij meermalen gevallen. Besproken werd dat de beroving plaats moest vinden in de wijk De Blaak, omdat niemand hen daar kent en omdat daar mensen met geld wonen. Voorts kwam aan de orde of medeverdachte De Graaf wel mee mocht doen met de beroving, omdat hij nogal opzichtig gekleed was. Verdachte en zijn medeverdachten hebben voorts gesproken over het gebruik van wapens bij de beroving. Medeverdachte De Graaf was in het bezit van een mes, dat hij aan de anderen heeft getoond. Hem is op dat moment de vraag gesteld, of hij het mes durfde te gebruiken, en tevens is hem voorgedaan hoe hij met het mes moest zwaaien als bij de beroving niet snel genoeg geld aan hen werd afgestaan. Om bij de beroving sneller uit de voeten te kunnen heeft verdachte thuis zijn bromfiets opgehaald en voorts een mes meegenomen.

Verdachte en zijn medeverdachten zijn met een bromfiets en een bromscooter op pad gegaan. Op de Reeshofdijk zagen zij de drie latere slachtoffers naast elkaar fietsen. Verdachte en zijn medeverdachten naderden de jongens van achteren en trapten tegen de fiets en het been van één van de slachtoffers. Zij hebben hen gevraagd waar zij naar toe gingen. Verdachte en zijn medeverdachten zijn hierop om een flatgebouw gereden waar zij zijn gestopt en wederom hebben afgesproken dat ze de voorgenomen beroving en het geplande gevecht zouden uitvoeren. Daarbij is ook afgesproken dat zij de fietsers zouden gaan 'blammen'(mensen in elkaar slaan). Teruggekeerd bij de fietsende slachtoffers op de Reeshofdijk, hebben zij de slachtoffers tot stoppen gedwongen. Verdachte heeft de slachtoffers om geld gevraagd en daarbij tevens in de broekzakken gevoeld. Verdachte en zijn medeverdachten hebben daarbij direct geweld gebruikt door tegen de fietsen van de slachtoffers te trappen en de slachtoffers te slaan.

Hierop is het slachtoffer [slachtoffer 1] weggevlucht en de nabijgelegen Dalenstraat ingerend. Verdachte is hem achterna gerend, heeft hem in de Dalenstraat ingehaald en is toen in gevecht geraakt met [slachtoffer 1]. Tijdens dit handgemeen kwamen zij beiden op de grond te liggen, waarbij verdachte op enig moment onderop lag. Medeverdachte Rojer is verdachte te hulp geschoten en heeft [slachtoffer 1] van verdachte afgetrokken en hem daarbij een aantal harde trappen tegen zijn lichaam en hoofd gegeven. Verdachte was inmiddels opgestaan en heeft het slachtoffer eveneens een aantal malen tegen het lichaam en hoofd geschopt. Bij de uitoefening van dit geweld lag het slachtoffer [slachtoffer 1] de gehele tijd op de grond. Zowel verdachte als Rojer hebben het mes van verdachte, dat kennelijk tijdens de vechtpartij uit de kleding van verdachte op straat was gevallen, op de grond zien liggen, waarna verdachte zijn mes heeft opgeraapt en [slachtoffer 1] hiermee vier maal krachtig in de rug heeft gestoken. Het slachtoffer [slachtoffer 1] is enige tijd later in een ziekenhuis in Tilburg overleden. Bij sectie op het slachtoffer zijn vier steekverwondingen geconstateerd, waarbij het langste steekkanaal circa 13 centimeter bedroeg. Bij de steken waren de longen (beiderzijds en op drie plaatsen) en de onderste holle ader geperforeerd. Daarnaast zijn op het lichaam min of meer ernstige oppervlakkige huidletsels geconstateerd.

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat bij verdachte niet het opzet op de dood van [slachtoffer 1] bestond.

De rechtbank stelt, gelet op de bovenstaande weergave van de feiten, vast dat verdachte en zijn medeverdachten agressief en opgefokt waren en dat zij vooraf de beroving hebben gepland, niet slechts met het oog op geldelijk gewin maar tevens om te kunnen vechten. Zij zijn de drie jongens bij toeval tegengekomen, maar hebben hen daarna heel uitdrukkelijk uitgekozen als hun slachtoffers. Kort vóór het gebeuren hebben zij hun plannen nog onderling besproken. Verdachte heeft zich op geen enkel moment van de geplande beroving gedistantieerd, terwijl hiertoe voor hem zeer zeker de mogelijkheid bestond.

Toen verdachte en zijn medeverdachten de slachtoffers tot stoppen hadden gedwongen, hebben zij direct geweld tegen hen toegepast. Verdachte is actief betrokken geweest bij de doodslag op [slachtoffer 1] in de Dalenstraat. Hij heeft het slachtoffer daarbij met een mes meermalen krachtig in de rug gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat, nu uit de verklaringen van verdachte blijkt dat verdachte zich ten tijde van het plegen van het feit bewust was van de mogelijke gevolgen van zijn handelen, bij verdachte het opzet op de dood van [slachtoffer 1] bestond.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1,

eerste subsidiair:

Doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

2,

primair

Diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf en maatregel behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen ter zake van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren en TBS met dwangverpleging.

Om te kunnen vechten en uit verveling en geldgebrek hebben verdachte en zijn drie vrienden besloten om iemand te gaan beroven.

Op weg naar een wijk waar zij dachten niet herkend te zullen worden, zagen zij drie jongens fietsen en besloten zij dat die drie jongens de slachtoffers zouden worden van hun beroving. Bij die beroving - waarbij overigens geen geld is buit gemaakt - is excessief geweld toegepast op [slachtoffer 1], die als gevolg daarvan is overleden.

Ter terechtzitting heeft verdachte spijt betuigd van het feit dat de beroving zo dramatisch is afgelopen. Hij heeft echter geen spijt betuigd van hetgeen daaraan vooraf is gegaan, namelijk het besluit om mensen met geweld te gaan beroven.

De drie slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], waren op weg naar het centrum van Tilburg om uit te gaan. Zij hebben geen enkele aanleiding gegeven voor deze gewelddadige overval. Het was puur toeval dat juist zij door de vier verdachten als volstrekt willekeurige slachtoffers werden gekozen. Dit toeval heeft echter hun leven alsmede dat van hun familie en bekenden op dramatische wijze en voor altijd veranderd. Immers, toen de vier daders wegvluchtten lieten zij [slachtoffer 1], dodelijk verwond door vier diepe messteken in zijn rug, op straat achter.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben daarmee geen enkel respect getoond voor het leven van een medemens, doch uitsluitend gedacht aan hun eigen behoeftebevrediging en gewin. Het spreekt voor zich dat een misdrijf als het onderhavige een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden, en dat het voor hen zeer moeilijk moet zijn om een dergelijk zwaar verlies te dragen. Ook in de samenleving heeft deze zinloze daad gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat de rechtsorde door dit zinloze misdrijf ernstig is geschokt, waarbij de rechtbank wijst op de grote hoeveelheid reacties van afschuw die de dood van [slachtoffer 1] heeft veroorzaakt.

Daarnaast zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] beiden eveneens slachtoffer geworden van de poging tot beroving door verdachten en hebben zij de uiterst gewelddadige aanval op hun broer respectievelijk vriend [slachtoffer 1] voor hun ogen zien gebeuren, terwijl zij hebben getracht om hulp te halen. Het hoeft geen betoog dat dit voor hen een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest, waaraan zij de rest van hun leven herinnerd zullen worden.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, gelet op de persoonlijkheid van verdachte. Aanwijzingen die het standpunt van de raadsman ondersteunen zijn te vinden in de rapportages die over verdachte zijn opgemaakt en die de rechtbank in het hiernavolgende zal bespreken. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan zich verzetten tegen toepassing van het jeugdstrafrecht, zodat de rechtbank hiervoor geen grond aanwezig vindt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportages die zijn uitgebracht over verdachte:

- het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 10 november 2003;

- de rapportage van psycholoog drs. Neissen d.d. 15 september 2003;

- de rapportage van psychiater Van Eyk d.d. 15 december 2003;

- de triple-rapportage van dr. drs. Ligthart d.d. 29 december 2003, met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door laatstgenoemde.

Neissen en Van Eyk concluderen in hun rapportages dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Daarnaast achten zij beiden de kans op recidive bij verdachte groot. Van Eyk adviseert voorts tot het opleggen van de maatregel van onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte.

De door Ligthart opgemaakte triple-rapportage is, blijkens de rapportage, tot stand gekomen enerzijds na een aanvullend onderzoek verricht door Ligthart en anderzijds na een multidisciplinair overleg tussen Ligthart, Neissen en Van Eyk, alsmede de betrokken reclasseringsambtenaar van Reclassering Nederland.

Ligthart concludeert samenvattend dat verdachte imponeert als een beneden gemiddeld intelligente, identiteitsarme jonge man met een aanzienlijke achterstand in de persoonlijkheids- en sociale ontwikkeling met daarbij opvallende passief-agressieve en vermijdende trekken. Er is sprake van een gebrekkige gevoelsintegratie. Volgens Ligthart vormt zijn onderzoek een bevestiging van eerder onderzoek door Neissen en Van Eyk met daarbij de aantekening dat deze gestapelde persoonlijkheidsproblematiek echter (nog) niet het niveau van een persoonlijkheidsstoornis in engere zin bereikt, doch wel aangemerkt kan worden als een gebrekkige ontwikkeling. Volgens Ligthart leeft bij rapporteurs de overtuiging dat een strafafdoening zonder enige vorm van behandeling geen enkele garantie inhoudt dat betrokkene niet zal recidiveren. Sterker nog: het gevaar van recidive wordt hoog ingeschat gezien de gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid van verdachte. Deze constatering leidt in de ogen van de onderzoekers tot de conclusie dat er naast strafafdoening sprake moet zijn van een groeibevorderende behandeling. De maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt door Ligthart geadviseerd.

De rechtbank neemt de conclusies uit het rapport van Ligthart over en maakt die tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond en dat hij verminderd toerekeningsvatbaar was. Gelet op het rapport van Ligthart zal de rechtbank aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers op het door verdachte begane misdrijf is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. Voorts eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die maatregel, nu uit de rapporten moet worden afgeleid dat de kans dat verdachte zich opnieuw aan soortgelijke feiten zal schuldig maken in sterke mate aanwezig is.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Voor wat betreft de duur van een op te leggen vrijheidsstraf overweegt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling van verdachte, zoals hiervoor overwogen, naar alle waarschijnlijkheid een vrijheidsbeneming en behandeling van verdachte gedurende langere tijd zal meebrengen. Het is de rechtbank bekend, dat de gemiddelde intramurale behandelingsduur in geval van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging in de orde van grootte van vijf jaren beloopt. De rechtbank overweegt dat bij een dergelijke te verwachten vrijheidsbeneming niet past de oplegging van een gevangenisstraf als door de officier van justitie gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat voor verdachte enig uitzicht moet bestaan op het begin van de bij verdachte noodzakelijk geachte behandeling. Daar staat tegenover dat, gelet op de ernst van de feiten en de mate waarin deze aan verdachte kunnen worden toegerekend, een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. Alles afwegend zal de rechtbank aldus aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van na te melden duur.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [1] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 6.214,23 terzake van hetgeen hierboven als feit 1 onder 7.2 eerste subsidiair is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van dit bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Daarom kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd als feit 1 eerste subsidiair onder 7.2, is toegebracht.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

De benadeelde partij [2] heeft, als voorschot, schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 5.180,00 terzake van hetgeen hierboven als feit 1 eerste subsidiair en als feit 2 primair onder 7.2 is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van dit bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Daarom kan de vordering, als voorschot, tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd als feit 1 eerste subsidiair en als feit 2 primair onder 7.2, is toegebracht.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

De benadeelde partij [3] heeft, als voorschot, schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 3.000,00 terzake van hetgeen hierboven als feit 1 eerste subsidiair en als feit 2 primair onder 7.2 is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van dit bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Daarom kan de vordering, als voorschot, tot dat bedrag worden toegewezen.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd als feit 1 eerste subsidiair en als feit 2 primair onder 7.2, is toegebracht.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is derhalve niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 287, 288, 310 en 312 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 eerste subsidiair en feit 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.214,23 (zegge: zesduizend tweehonderd en veertien euro en drieëntwintig cent), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 6.214,23 (zegge: zesduizend tweehonderd en veertien euro en drieëntwintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 124 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan. (BP.20)

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.180,00 (zegge: vijfduizend honderd en tachtig euro), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.180,00 (zegge: vijfduizend honderd en tachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 103 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan. (BP.20)

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan. (BP.20)

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Peters en mr. Geurts-De Veld, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van der Straaten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 februari 2004.