Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO3243

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-02-2004
Datum publicatie
09-02-2004
Zaaknummer
001691-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pinpas Fraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 001691-03

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[B.D.],

geboren op [geboortedatum en geboorteplaats]

wonende te [adres],

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 september 2002 tot en met

24 maart 2003 te Breda en/of Schiedam en/of Rumpt en/of Utrecht en/of Veghel

en/of Rotterdam en/of Doetinchem en/of Ten Boer en/of Roden en/of een/of

meerdere (andere) plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met

[M.K.] en/of [H.K.] en/of [W.J.P.] en/of [Z.Y.] en/of

[O.K.] en/of [H.Y.] en/of [C.A.] en/of [T.V.] en/of [H.D]

en/of (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie,

die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het opmaken of vervalsen ('skimmen') van betaalpassen en/of waardekaarten

(art 232 lid 1 Wetboek van Strafrecht) en/of

- het gebruik maken van en/of voorhanden hebben van valse en/of vervalste

waardekaarten en/of betaalpassen (art 232 lid 2 Wetboek van Strafrecht);

(art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

03 oktober 2002 tot en met 10 oktober 2002 te Tiel en/of Wijchen en/of

Nijmegen en/of Rhenen en/of Veenendaal en/of Leerdam en/of Culemborg en/of

De Meern en/of Utrecht en/of Vianen, in elk geval in Nederland en/of Belgie,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) (groot aantal) valse of

vervalste betaalpas(sen) en/of waardekaart(en), bedoeld voor het verrichten

van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware die betaalpas(sen) en/of

betaalkaart(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens)

hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens):

met behulp van die valse of vervalste betaalpas(sen) en/of betaalkaart(en)

(een) (groot aantal) geldopname(s) en/of pintransactie(s) hebben/heeft

gedaan/verricht bij (een) geldautoma(a)t(en) en/of (een) winkelbedrij(f)/

bedrijven ten bedrage van (respectievelijk) Euro 20.200,00 (route 5) en/of

Euro 10.500,00 (route 6) en/of Euro 23.996,50 (route 7) en/of en/of Euro

6.150,00 Euro (route 11) en/of 6.707,60 (route 12), althans (telkens) enig

geldbedrag,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) valselijk:

de oorspronkelijke (magneetstrip)gegevens van 125, althans een of meer,

originele betaalpas(sen) en/of (een) originele waardekaart(en) waren/was

gekopieerd/geladen naar/op (een) (betaal)pas(sen)/kaart(en) welke waren/was

voorzien van een magneetstrip (tengevolge waarvan met die laatstgenoemde

[valse of vervalste] [betaal/waarde]pas[sen]/kaart[en] elektronische

betalingen ten laste van de rechtmatig[e] eigena[a]r[en] van die originele

betaalpas[sen] en/of waardekaart[en] mogelijk waren/was geworden),

in elk geval (telkens) opzettelijk (een) zodanige valse en/of vervalste

betaalpas(sen) of waardekaart(en) (telkens) hebben/heeft afgeleverd of

voorhanden heeft/hebben gehad, zulks (telkens) terwijl hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moesten/moest vermoeden dat

die betaalpas(sen) of waardekaart(en) (telkens) bestemd waren/was voor zodanig

gebruik;

(ZD-03 Veghel:

route 5 [pagina 49/671], route 6 [pagina 51/672], route 7 [pagina 53/672],

route 11 [pagina 62/677 en route 12 [pagina 63/677])

art 232 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1, te weten deelname aan een criminele organisatie, is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank daartoe dat door het telkens opereren in wisselende samenstellingen er naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken kan worden van een duurzame onderlinge samenwerking en een gestructureerd samenwerkingsverband.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

2.

op tijdstippen in de periode van

03 oktober 2002 tot en met 10 oktober 2002 te Tiel en Wijchen en

Nijmegen en Rhenen en Veenendaal en Leerdam en Culemborg en

De Meern en Utrecht en Vianen,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een aantal valse

betaalpassen en/of waardekaarten, bedoeld voor het verrichten

van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware die betaalpassen en/of

waardekaarten echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken

hierin dat hij, verdachte en zijn mededaders toen en daar :

met behulp van die valse betaalpassen en/of waardekaarten

eengroot aantal geldopnames en/of pintransactiesheeft

gedaan/verricht bij geldautomaten en/of winkel

bedrijven ten bedrage van enig

geldbedrag,

en bestaande die valsheid hierin dat valselijk:

de oorspronkelijke magneetstripgegevens van

originele betaalpassen waren

gekopieerd/geladen naar/op (betaal)passen/kaarten welke waren

voorzien van een magneetstrip (tengevolge waarvan met die laatstgenoemde

valse betaal/waarde]pas[sen]/kaart[en] elektronische

betalingen ten laste van de rechtmatige eigenaren van die originele

betaalpassen mogelijk waren geworden)

;

Hetgeen onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Feit 2

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een valse betaalpas als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft zich in oktober 2002 schuldig gemaakt aan het pinnen met een groot aantal valse betaalpasjes, waarbij door hem en een grote groep mededaders in één weekend omvangrijke geldbedragen werden buitgemaakt. Dit gebeurde bij diverse betaalautomaten in Nederland. Tevens heeft verdachte met twee mededaders in voornoemd weekend met behulp van een aantal van de valse betaalpasjes in diverse winkels kleding, laptops, GSM's, computerspellen en dergelijke gekocht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte terzake feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

De rechtbank acht het bewezenverklaarde feit ernstig van aard. Zij heeft bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking genomen dat verdachte dit feit puur uit winstbejag heeft gepleegd. Door zijn handelwijze heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen van de consument en de acceptant in zowel het betaalnetwerk als de pinpas. Daarnaast heeft de handelwijze geleid tot grote financiële schade.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij, zij het geruime tijd geleden, terzake het plegen van vermogensdelicten reeds eerder is veroordeeld. Verder is gebleken dat verdachte in 2001 een transactie heeft betaald terzake een vermogensdelict.

Alles afwegend acht de rechtbank het noodzakelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te melden duur op te leggen. De rechtbank ziet aanleiding een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen, hetgeen mede als "een stok achter de deur" zal moeten dienen.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij Interpay Nederland B.V. heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van €. 654.568,08 terzake van hetgeen hierboven bewezen is verklaard.

Aangezien Interpay Nederland B.V. optreedt namens de gezamenlijke banken die de rekeninghouders schadeloos hebben gesteld, kan zij niet worden aangemerkt als degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, als bedoeld in artikel 51a van het wetboek van strafvordering. Interpay Nederland B.V. is derhalve niet bevoegd zich als benadeelde partij in dit strafproces te voegen. De rechtbank zal Interpay Nederland B.V. niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Interpay Nederland B.V. kan haar vordering alsnog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 232 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 9 vermelde strafbare feit.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Zij beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 3 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij Interpay Nederland B.V. niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Zij veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, begroot op nihil.(BP.16)

Dit vonnis is gewezen door mr. Schoonen, voorzitter, mr. Van den Heuvel en mr. Van Oijen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roelandt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 februari 2004.