Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO2788

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-02-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
002147-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tijdens een dobbelspel op een zaterdagavond in een café in Tilburg een vuurwapen op het lichaam van zijn oom en tevens vriend gezet en een schot afgevuurd ten gevolge waarvan deze is overleden. De afgevuurde kogel is door het lichaam van het slachtoffer gegaan en heeft een bezoekster van het café verwond. Aanleiding voor deze daad waren de beledigende opmerkingen van het slachtoffer jegens verdachte en het feit dat het slachtoffer zich geld van verdachte had toegeëigend. De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte het vereiste kalm beraad en rustig overleg heeft gehad. De rechtbank is wel van oordeel dat hij met opzet op het slachtoffer heeft geschoten en daarmee voorwaardelijke opzet op de dood van de cafébezoekster heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 002147-03

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [datum en [adres],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadslieden, mr. Buntsma, advocaat te Breda en mr. Spong, advocaat te Amsterdam.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2003 te Tilburg opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, S. [H.] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen een kogel in het lichaam van

die [H.] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [H.] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 oktober 2003 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk A. [P.] van het leven te

beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam en/of in de

richting van S. [H.] heeft geschoten, terwijl die [P.] zich achter

en/of in de nabijheid van die [H.] bevond en/of waarna die kogel (mede)

door de arm en/of in de borst, althans in het lichaam, van die [P.]

is gegaan en/of terechtgekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 oktober 2003 te Tilburg aan een persoon genaamd A.

[P.], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (in- en uitschotopening rechter

bovenarm en inschotopening rechtermamma (borst), kogel uit rechtermamma

(borst) verwijderd, locale verdoving), heeft toegebracht, door opzettelijk

met een vuurwapen een kogel in het lichaam en/of in de richting van S.

[H.] te schieten, terwijl die [P.] zich achter en/of in de nabijheid

van die [H.] bevond en/of waarna die kogel (mede) door de arm en/of in de borst, althans in het lichaam, van die [P.] is gegaan en/of terechtgekomen.

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 11 oktober 2003 te Tilburg opzettelijk, S. [H.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [H.] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [H.] is overleden;

2. primair

op 11 oktober 2003 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk A. [P.] van het leven te

beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van S. [H.] heeft geschoten, terwijl die [P.] zich achter en in de nabijheid van die [H.] bevond en waarna die kogel door de arm en in de borst, , van die [P.] is gegaan en terechtgekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder feit 1 en feit 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De raadsman van verdachte heeft gepleit voor een algehele vrijspraak van beide feiten op de tenlastelegging. Hij heeft daartoe -kort weergegeven- aangevoerd dat de omstandigheden waaronder de schietpartij heeft plaatsgevonden van dien aard zijn dat van voorbedachte rade geen sprake is. Ook doodslag kan zijns inziens niet worden bewezen omdat het bewijs van opzet, voorwaardelijk opzet inbegrepen, op de dood van beide slachtoffers niet toereikend is.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank het navolgende komen vast te staan. Op zaterdagavond 11 oktober 2003 bevonden zich ruim 20 bezoekers in een café in Tilburg. Achterin het café werd door een aantal mannen, waaronder verdachte en het latere slachtoffer [H.], deelgenomen aan een dobbelspel. Gaandeweg de avond veranderde de sfeer aan de speeltafel; de gemoederen raakten verhit. [H.] had kwetsende opmerkingen gemaakt in de richting van de verdachte en diens winst van tafel gepakt. Verdachte heeft daarop een vuurwapen uit zijn broeksband getrokken, op de borst van [H.] gericht en eenmaal geschoten. Daarbij was sprake van een opgezet schot, met een schootsafstand van 0 cm. Tengevolge van dit schot is [H.] dodelijk getroffen. Het slachtoffer [P.], die achter het slachtoffer [H.] aan de bar zat, werd door dezelfde kogel getroffen en raakte gewond aan haar rechterarm -en borst.

[H.] was familie van verdachte en zij waren tevens vrienden. Ter terechtzitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij het wapen al een dag of tien bij zich droeg omdat zijn familie door derden was bedreigd. Niet is gebleken dat hij die avond het wapen had meegenomen met de bedoeling om dit tegen de latere slachtoffers te gebruiken.

Wellicht dat op grond van de toedracht van het gebeuren geoordeeld zou kunnen worden tot moord omdat aan verdachte voldoende tijd resteerde tot kalm beraad en overleg, maar de rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval uit het geheel van feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer [H.] van het leven heeft beroofd. Bij het oordeel moet worden betrokken de aanleiding tot het gebeuren en de vriendschappelijke relatie die er tussen verdachte en [H.] bestond. In die situatie is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte het vereiste kalm beraad en rustig overleg heeft gehad.

Wel moet worden geoordeeld dat verdachte met opzet op [H.] heeft geschoten. Verdachtes verklaring ter terechtzitting dat er sprake was van een ongeluk en dat hij [H.] slechts met de vlakke kant van het wapen heeft geslagen, waarop het schot is afgegaan, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit de verklaringen van diverse getuigen blijkt immers dat verdachte het wapen op het slachtoffer heeft gericht en ook de op het lichaam van het slachtoffer [H.] aangetroffen inschotwond weerlegt de lezing van verdachte. Bovendien heeft een drietal getuigen het geluid gehoord van het doorladen van een vuurwapen. Door aldus te handelen heeft verdachte tevens willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een andere bezoeker in het café op een fatale plek zou kunnen worden geraakt. Dat het slachtoffer [P.] slechts verwond is door de doorgeschoten kogel is te danken aan omstandigheden buiten verdachte om.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

Feit 1 Doodslag.

Feit 2 primair Poging tot doodslag.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijn laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

De officier van justitie is van oordeel dat bewezen is dat verdachte het onder feit 1 en onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. Ten aanzien van feit 1 is de officier van justitie van oordeel dat moord bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van het feit onder 1 heeft de rechtbank doodslag bewezen verklaard. Verder heeft de rechtbank zich bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft tijdens een dobbelspel op een zaterdagavond in een café in Tilburg een vuurwapen op het lichaam van zijn oom en tevens vriend, [H.], gezet en een schot afgevuurd ten gevolge waarvan deze is overleden. De afgevuurde kogel is door het lichaam van [H.] gegaan. Een bezoekster van het café raakte door dit zogenoemde doorschot gewond. De kogel is door een operatieve ingreep uit haar borst verwijderd. Aangenomen moet worden dat verdachte geen andere aanleiding voor zijn daad had dan dat [H.] die avond beledigende opmerkingen had gemaakt en zich geld had toegeëigend. Deze twee zeer ernstige delicten, gepleegd op een uitgaansavond in een drukbezocht café, waarbij aan een jonge man het leven is ontnomen en een bezoekster gewond is geraakt die volkomen buiten het gebeuren tussen verdachte en [H.] stond, hebben de rechtsorde in hoge mate geschokt. Tevens is onherstelbaar leed aan de nabestaanden van het slachtoffer [H.] toegebracht, waarbij des te schrijnender is dat er tussen hen en de verdachte een familieband bestaat. De rechtbank realiseert zich daarbij dat deze familiebanden het de verdachte na zijn detentie wellicht extra moeilijk zullen maken om zijn leven te hervatten, maar dat neemt niet weg dat verdachte deze gedragingen zwaar moeten worden aangerekend. De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene, van oordeel dat geen andere straf dan een die een vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt, dient te worden opgelegd. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden, acht zij een gevangenisstraf van na te noemen duur in deze een passende straf.

12 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 57 en 287 van het wetboek van strafrecht.

13 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Luijks en mr. Geurts-De Veld, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van Balkom-Den Haan en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 februari 2004.