Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2004:AO2305

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
26-01-2004
Zaaknummer
128337 / KG ZA 04-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. het innen via derden door de schuldeiser van een onder de schuldenaar beslagen vordering is onrechtmatig;

2. de schuldenaar is jegens de schuldeiser geen rente verschuldigd over een ten laste van de schuldeiser beslagen vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

128337 / KG ZA 04-6 RECHTBANK BREDA

26 januari 2004 Sector handelsrecht

Voorzieningenrechter

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MESSA ELECTRONICS B.V.,

gevestigd te Elshout, gemeente Heusden,

e i s e r e s ,

procureur: mr. L.Y. Pawlikowski,

t e g e n :

1. de vennootschap onder firma

HANS VAN MIERLO INTERIEUR- EN INDUSTRIESPUITERIJ,

gevestigd te Waalwijk,

2. [gedaagde 1],

wonende te Waalwijk,

3. [gedaagde 2],

wonende te Waalwijk,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITDEUK- EN SPUITINRICHTING HANS VAN MIERLO WAALWIJK B.V.,

gevestigd te Waalwijk,

g e d a a g d e n,

procureur: mr. N.C.M. Koch,

advocaat: mr. J.A.J. van de Wouw te 's-Hertogenbosch.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding d.d. 8 januari 2004;

- de pleitnota en producties van mr. Pawlikowski;

- de pleitnota en producties van mr. Van de Wouw.

Partijen hebben ter zitting van 16 januari 2004 hun stellingen nader toegelicht.

2. Het geschil.

Eiseres, verder te noemen: Messa, vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden te veroordelen:

1. de executie van het arrest van 18 mei 2000 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch onmiddellijk na het uitspreken van dit vonnis althans en in ieder geval binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te staken c.q. te schorsen en gestaakt c.q. geschorst te houden in afwachting van het verdere verloop van het ten verzoeke van Schoenfabriek Beclere B.V. te Drunen onder Messa ten laste van gedaagden op 8 augustus 2001 gelegde conservatoir derdenbeslag;

2. de in punt 9 van de inleidende dagvaarding genoemde executoriale beslagen onmiddellijk na het uitspreken van dit vonnis althans en in ieder geval binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te heffen met gelijktijdige mededeling daarbij aan de betrokken derdenbeslagenen inhoudende: 'Het op (datum beslag) ten verzoeke van Van Mierlo c.s. onder u gelegde executoriaal derdenbeslag ten laste van Messa is misleidend, daar waar in strijd met de waarheid uit de aan u betekende beslagstukken volgt dat Messa in gebreke zou zijn met enige betalingsverplichting jegens Van Mierlo c.s. Dit laatste is niet waar en er is geen sprake van een in gebreke zijn van Messa met een betalingsverplichting.' althans een mededeling met een inhoud als door de voorzieningenrechter in goede justitie juist wordt beoordeeld ter rectificatie van de onjuiste uit de beslagstukken op te maken gevolgtrekking dat Messa in gebreke zou zijn met een betalingsverplichting jegens gedaagden;

3. bij niet of niet tijdige voldoening aan de sub 1 en/of 2 toe te wijzen veroordelingen aan Messa tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd een dwangsom van € 25.000,- voor elke dag dat gedaagden in gebreke zullen zijn met de voldoening aan de sub 1 en/of 2 toe te wijzen veroordelingen;

4. aan Messa te voldoen de kosten van deze procedure.

Gedaagden, tezamen verder te noemen: Van Mierlo c.s., hebben de vorderingen van Messa gemotiveerd bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Bij arrest d.d. 18 mei 2000 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch is Messa veroordeeld om aan thans gedaagde sub 1, verder te noemen: v.o.f. Van Mierlo, te betalen de somma van NLG 9.740,71 plus rente, alsmede tot betaling van een bedrag van NLG 53.031,23 plus rente aan thans gedaagde sub 4, verder te noemen: Van Mierlo B.V. Tevens is Messa veroordeeld tot betaling van de door v.o.f. Van Mierlo en Van Mierlo B.V. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

- Thans gedaagden sub 2 en 3 zijn de vennoten van v.o.f. Van Mierlo.

- Bij brief van 10 april 2001 aan de raadsman van Messa heeft de raadsman van Van Mierlo c.s. verzocht dat Messa, in afwachting van een eventuele cassatieprocedure, zekerheid zal verschaffen voor de door het gerechtshof toegewezen bedragen.

- Messa heeft tegen voornoemd arrest van het gerechtshof geen rechtsmiddel meer aangewend en is gestart met afbetaling van de door het hof toegewezen bedragen.

- Met verlof van de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft de besloten vennootschap Schoenfabriek Beclere B.V. te Drunen op 8 augustus 2001 ten laste van Van Mierlo c.s. conservatoir derdenbeslag gelegd onder Messa op, kort gezegd, de gelden die Messa ingevolge eerdergenoemd arrest van 18 mei 2000 aan Van Mierlo c.s. verschuldigd is, waarbij de vordering van Schoenfabriek Beclere B.V. door de president is begroot op een bedrag van NLG 67.500,- (€ 30.630,16) inclusief rente en kosten.

- Behoudens het door voornoemd beslag getroffen bedrag van NLG 67.500,- heeft Messa aan Van Mierlo c.s. datgene betaald waar Van Mierlo c.s. krachtens eerdergenoemd arrest van 18 mei 2000 recht op meenden te hebben.

- Bij vonnis van 14 mei 2002 heeft deze rechtbank de vordering van Schoenfabriek Beclere B.V. tegen Van Mierlo c.s. afgewezen.

- Bij arrest van 28 oktober 2003 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voornoemd vonnis van deze rechtbank bekrachtigd.

- Het bestuur van Schoenfabriek Beclere B.V. beraadt zich thans over het instellen van cassatie tegen laatstgenoemd arrest.

- Stellende dat zij aanspraak hebben op een restantsom van € 48.556,46 plus rente, hebben Van Mierlo c.s. ten laste van Messa op 12 december 2003 executoriaal derdenbeslag gelegd onder R.H.J. van der Luit te 's-Gravenhage, Feedback Rotterdam B.V. te Rotterdam, vennootschap onder firma New Line Licht en Geluid te Harlingen, N.P.Chr. Werkhoven te Leiden, A.G.M.M. Mattern te Zoeterwoude en Satronic B.V. te Elshout, zulks op alle gelden, geldswaarden en roerende zaken die zij ten behoeve van Messa onder zich hebben.

- Op 19 december 2003 hebben Van Mierlo c.s. ten laste van Messa executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ABN AMRO Bank te Amsterdam op alle gelden, geldswaarden en roerende zaken die deze ten behoeve van Messa onder zich heeft.

- Op 22 december 2003 hebben Van Mierlo c.s. ten laste van Messa executoriaal beslag gelegd onder Messa op de op 8 augustus 2001 door Schoenfabriek Beclere B.V. ten laste van Van Mierlo c.s. beslagen vordering.

3.2

De vorderingen van Messa zijn gebaseerd op de stellingen dat zij ingevolge het door Schoenfabriek Beclere B.V. op 8 augustus 2001 onder haar ten laste van Van Mierlo c.s. gelegde conservatoir derdenbeslag gehouden is om een bedrag van NLG 67.500,- onder zich te houden, dat zij overigens alles heeft betaald hetgeen zij ingevolge het arrest van 18 mei 2000 aan Van Mierlo c.s. verschuldigd was, dat zij als gevolg van het onder haar gelegde conservatoir derdenbeslag vanaf 8 augustus 2001 geen rente meer verschuldigd is aan Van Mierlo c.s. over het beslagen bedrag, dat het door Schoenfabriek Beclere B.V. gelegde conservatoir derdenbeslag nog steeds kleeft en dat derhalve de door Van Mierlo c.s. getroffen executiemaatregelen onrechtmatig zijn. Messa stelt in verlegenheid te zijn gebracht jegens haar relaties omdat de executiemaatregelen suggereren dat zij in gebreke is gebleven met een betalingsverplichting, zodat een rectificatie op zijn plaats is.

3.3

Van Mierlo c.s. betwisten in de eerste plaats het spoedeisend belang van Messa bij deze procedure. Verder voeren zij aan dat Messa en Schoenfabriek Beclere B.V. dezelfde bestuurder hebben, dat zij alle belang hebben bij een executoriaal beslag onder Messa op dezelfde vordering c.q. hetzelfde bedrag als waarop Schoenfabriek Beclere B.V. conservatoir beslag heeft gelegd, dat Messa over dat beslagen bedrag rente verschuldigd is, dat zij op legitieme wijze gebruik hebben gemaakt van het executoriaal beslagrecht en dat Messa de derdenbeslagenen zelf kan informeren omtrent de feitelijke gang van zaken, waarmee zij de door haar gestelde schade zelf kan en dient te beperken. Van Mierlo c.s. stellen bereid te zijn om de gelegde beslagen op te heffen indien door Messa afdoende zekerheid wordt gesteld ten aanzien van de nog openstaande restantvordering.

3.4

De bevoegdheid van Messa om op te komen tegen de door Van Mierlo c.s. aangevangen executie en zich in dat verband te wenden tot de voorzieningenrechter, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 438 lid 2 Rv, welke bepaling het hebben van een spoedeisend belang niet als ontvankelijkheidseis stelt. Overigens is het spoedeisend belang van Messa bij een voorlopige voorziening inherent aan het voor haar bezwarende karakter van de door Van Mierlo c.s. genomen executiemaatregelen. Ten onrechte betwisten Van Mierlo c.s. dan ook de ontvankelijkheid van Messa in dit kort geding.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat het door Schoenfabriek Beclere B.V. op 8 augustus 2001 onder Messa gelegde conservatoir beslag op dit moment nog kleeft. Evenmin is in geschil dat Messa in 2001, behoudens het door voornoemd conservatoir beslag getroffen bedrag, alles heeft voldaan hetgeen zij destijds uit hoofde van het arrest d.d. 18 mei 2000 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch aan Van Mierlo c.s. verschuldigd was. Daarmee beperkt het geding zich tot de vragen of Van Mierlo c.s. in weerwil van het door Schoen-fabriek Beclere B.V. onder Messa gelegde conservatoir beslag bevoegd zijn om zich op andere wijze op Messa te verhalen, en of Messa rente verschuldigd is over het bedrag dat door het door Schoenfabriek Beclere B.V. gelegde conservatoir beslag is getroffen.

3.6

Met betrekking tot beide vragen stelt de voorzieningenrechter voorop dat Messa, als gevolg van het door Schoenfabriek Beclere B.V. gelegde conservatoir beslag, jegens deze gehouden is om het met dat beslag gemoeide bedrag onder zich te houden. Of Messa onder deze omstandigheid rente over het beslagen bedrag aan Van Mierlo c.s. verschul-digd is, hangt naar het oordeel van de voorzieningenrechter af van het antwoord op de vraag of de door het gelegde beslag ontstane betalingsonmacht van Messa aan haar is toe te rekenen. Toerekening is slechts mogelijk indien de beslaglegging door Schoenfabriek Beclere B.V. naar verkeersopvattingen voor haar risico dient te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt de beslaglegging door Schoenfabriek Beclere B.V. voor risico van Van Mierlo c.s. De beslaglegging houdt immers verband met een vorde-ring die Schoenfabriek Beclere B.V. pretendeert te hebben op Van Mierlo c.s. Indien Van Mierlo c.s. menen dat de pretentie van Schoenfabriek Beclere B.V. niet terecht is, ligt het op haar weg om opheffing van het conservatoir derdenbeslag te vorderen of een andere vorm van zekerheid aan te bieden, hetgeen zij om haar moverende redenen niet heeft gedaan. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden aangenomen dat Messa aan Van Mierlo c.s. rente verschuldigd is over het door het beslag getroffen bedrag. Dat Messa en Schoenfabriek Beclere B.V. dezelfde bestuurder hebben, maakt zulks niet anders. Deze vennootschappen zijn immers zelfstandige entiteiten met een eigen belang, ook al hebben ze dezelfde bestuurder.

3.7

Vastgesteld hebbend dat de vordering van Van Mierlo c.s. op Messa gelijk is gebleven aan het bedrag dat is getroffen door het onder Messa gelegde conservatoir derdenbeslag, moet in het kader van de beantwoording van de eerste vraag worden aangenomen dat Van Mierlo c.s. zich ten koste van Messa onttrekken aan het ten laste van hen door Schoen-fabriek Beclere B.V. gelegde conservatoir beslag indien zij het arrest d.d. 18 mei 2000 via derden jegens Messa ten uitvoer proberen te leggen. Een dergelijke handelwijze is onrechtmatig jegens Messa. Dit onrechtmatig handelen wordt niet gerechtvaardigd door het door Van Mierlo c.s. gestelde belang bij zekerheid tot voldoening van hun vordering door Messa. Met het in kracht van gewijsde gegaan arrest van 18 mei 2000 hebben Van Mierlo c.s. immers reeds een middel om, na opheffing van het conservatoir beslag, door Messa te worden voldaan. Niet valt in te zien welk belang zij onder die omstandigheid nog hebben bij een bewarende maatregel. Bovendien is een executoriaal beslag naar haar aard niet aan te merken als een bewarende maatregel.

3.8

Van Mierlo c.s. hebben op 22 december 2003 tevens executoriaal beslag gelegd onder Messa op de op 8 augustus 2001 door Schoenfabriek Beclere B.V. in conservatoir beslag genomen vordering. Destijds heeft de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch Schoenfabriek Beclere B.V. verlof verleend tot het leggen van beslag onder Messa op hetgeen deze aan Van Mierlo c.s. verschuldigd was. Het verlof ziet derhalve niet op een geldsom maar op een vordering. Op 8 augustus 2001 heeft de deurwaarder in dat verband beslag gelegd op de vordering van Van Mierlo c.s. op Messa, niet op een gesepareerd geldbedrag. Door thans beslag te leggen op deze beslagen vordering, leggen Van Mierlo c.s. beslag op hun eigen vordering, waarmee geen enkel belang is gediend.

3.9

Gelet op het voorgaande kan de gevorderde staking van de executie van het arrest van 18 mei 2000 worden toegewezen voor de periode dat het door Schoenfabriek Beclere B.V. gelegde conservatoir beslag nog kleeft. Verder dienen alle door Van Mierlo c.s. sinds 12 december 2003 gelegde executoriale beslagen worden opgeheven. De daartoe strekkende vorderingen zullen worden toegewezen op straffe van verbeurte van een gematigde en gemaximeerde dwangsom. Ook de gevorderde rectificatie, waar Messa voldoende belang bij heeft, zal als navolgend worden toegewezen, eveneens op straffe van een gematigde en gemaximeerde dwangsom.

4. De kosten.

Als de in het ongelijk te stellen partij zullen Van Mierlo c.s. worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

veroordeelt gedaagden om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de executie van het op 18 mei 2000 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen arrest te staken en gestaakt te houden zolang het op 8 augustus 2001 door Schoenfabriek Beclere B.V. ten laste van gedaagden onder eiseres gelegde conservatoir beslag, zulks op de vordering van gedaagden op eiseres, kleeft;

veroordeelt gedaagden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de in het kader van de tenuitvoerlegging van voornoemd arrest van 18 mei 2000 op 12 december 2003, 19 december 2003 en 22 december 2003 ten laste van eiseres gelegde executoriale beslagen op te heffen, zulks onder gelijktijdige schriftelijke mededeling aan de betrokken derdenbeslagen van de volgende tekst:

'Op bevel van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda delen wij u mee dat het door ons op 12 respectievelijk 19 december 2003 onder u gelegde executoriaal beslag ten laste van de besloten vennootschap Messa Electronics B.V. te Elshout ten onrechte is gelegd. Met dat beslag hebben wij ten onrechte gesuggereerd dat Messa Electronics B.V. jegens ons in gebreke zou zijn gebleven met een betalingsverplichting. In kort geding heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat Messa Electronics B.V. jegens ons niet in gebreke is gebleven met een betalingsverplichting en dat het onder u gelegde beslag ten onrechte is gelegd.'

bepaalt dat gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalend de anderen zullen zijn bevrijd, een dwangsom verbeuren van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijven aan één van voormelde veroordelingen te voldoen, met bepaling dat per veroor-deling aan dwangsommen maximaal € 50.000,- kan worden verbeurd;

bepaalt dat een in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van verbeurte van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding, voorzover aan de zijde van eiseres gevallen, tot op heden begroot op € 978,40, waaronder begrepen een bedrag van € 703,- aan salaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.E. Poerink, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van maandag 26 januari 2004, in tegenwoordigheid van mr. M.A.M. de Baar, waarnemend griffier.