Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AO3450

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
95985 / HA ZA 01-901 83511/ HA ZA 00-784
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 21 en 22 EEX-Verdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

95985 / HA ZA 01-901 RECHTBANK BREDA

83511/ HA ZA 00-784

27 augustus 2003 Sector Handelsrecht

Meervoudige Kamer

V O N N I S

In de zaak met rolnummer 95985 / HA ZA 01-901 van:

de vennootschap naar Belgisch recht EUROPEAN CONSULT CENTER B.V.B.A.,

gevestigd te Brussel (België),

e i s e r e s bij dagvaarding van 26 april 2001,

procureur: mr. I.M. van den Heuvel,

t e g e n:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CUSTOMER FOCUS EUROPE B.V.,

gevestigd te Breda,

g e d a a g d e,

procureur: mr. I.E.M. Sutorius,

en in de zaak met rolnummer 83511/ HA ZA 00-784 van:

de vennootschap naar Belgisch recht EUROPEAN CONSULT CENTER B.V.B.A.,

gevestigd te Brussel (België),

e i s e r e s bij dagvaarding van 20 april 2000,

procureur: mr. I.M. van den Heuvel,

t e g e n:

[gedaagde],

wonende te Breda,

g e d a a g d e,

procureur: mr. I.E.M. Sutorius.

1. Het verdere verloop van het geding.

In de zaak met rolnummer 95985 / HA ZA 01-901

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

- het tussenvonnis van 28 augustus 2001, waarbij deze zaak is gevoegd met de zaak met rolnummer 83511 / HA ZA 99-784, en alle daarin genoemde stukken;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, met de producties I tot en met VI;

- de conclusie van dupliek, met 5 producties;

- het audiëntieblad van de terechtzitting van 1 april 2003, waaruit blijkt dat de raadslieden van partijen een akte houdende productie hebben overgelegd, alsmede de zaak hebben bepleit onder overlegging van een pleitnotitie, waarbij mr. Sutorius tevens een kopie van het vonnis van 17 mei 2002 van de rechtbank van koophandel te Brussel heeft overgelegd.

In de zaak met rolnummer 83511 / HA ZA 00-784

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

- de dagvaarding;

- de conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, met 7 producties;

- de conclusie van dupliek.

Op 1 april 2003 heeft tegelijk met de bovenvermelde zaak en op overeenkomstige wijze pleidooi plaatsgevonden.

Partijen zullen in het hierna volgende worden aangeduid als "ECC", "CFE" en "[gedaagde]".

2. Het geschil.

In de zaak met rolnummer 95985 / HA ZA 01-901

ECC vordert om CFE hoofdelijk met [gedaagde], althans CFE te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ECC te betalen de somma van BEF 2.801.903,87, te weten het totaal van de hoofdsom plus rente tot en met 15 april 2000 plus buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over BEF 2.490.489 vanaf 16 april 2000 tot en met de dag der algehele voldoening, met veroordeling van CFE in de proceskosten.

CFE weerspreekt de vordering.

In de zaak met rolnummer 83511 / HA ZA 00-784

ECC vordert om [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ECC te betalen de somma van BEF 2.801.903,87, te weten het totaal van de hoofdsom plus rente tot en met 15 april 2000 plus buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over BEF 2.490.489 vanaf 16 april 2000 tot en met de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling.

In beide zaken

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

a. Bestuurder en enig aandeelhouder van CFE is [gedaagde]. Bestuurder en enig aandeelhouder van ECC is mw. [C.]. [gedaagde] en [C.] hebben gedurende enkele jaren een affectieve relatie gehad. [gedaagde] heeft in beperkte mate werkzaamheden voor ECC verricht. Tussen hen heeft geen dienstverband of arbeidsovereenkomst bestaan.

b. CFE heeft bij gelegenheid van de pleidooien in een kort geding-procedure voor het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 30 maart 1999 erkend dat CFE een vordering op Levi Strauss heeft geïncasseerd.

c. Na afloop van de pleidooien op 30 maart 1999 heeft ECC zowel [gedaagde] als CFE gesommeerd tot betaling van BEF 2.490.489. Zowel CFE als [gedaagde] hebben dit bedrag niet betaald.

d. CFE heeft ECC bij dagvaarding van 3 juli 1998 gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Brussel. In de aldaar tussen partijen gevoerde procedure heeft ECC een tegeneis ingediend. Op 7 mei 2002 heeft de rechtbank te Brussel vonnis gewezen.

3.2 ECC legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde], althans CFE een vordering op Levi Strauss ten bedrage van BEF 2.490.489 heeft geïncasseerd en dat dit geld aan ECC afgedragen had moeten worden omdat de vordering op Levi Strauss toebehoorde aan ECC. Volgens ECC heeft CFE bij gelegenheid van de pleidooien voor het gerechtshof, hiervoor genoemd, erkend dat zij een vordering op Levi Strauss heeft geïncasseerd. CFE, althans [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld en dient dit bedrag dan ook aan ECC te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, tot en met 15 april 2000 berekend op een bedrag van BEF 156.372,69, alsmede vermeerderd met een bedrag van BEF 155.042,18 wegens buitengerechtelijke kosten, berekend overeenkomstig het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten.

In de zaak met rolnummer 95985 / HA ZA 01-901

3.3 CFE heeft als verweer aangevoerd dat ECC op grond van artikel 21 EEX-Verdrag niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat ECC in de procedure bij de rechtbank van koophandel te Brussel (hierna te noemen: de Belgische rechter) als tegeneis heeft gevorderd een geldsom ten provisonele titel ter zake van de gelden die CFE onregelmatig en rechtstreeks bij klanten van ECC heeft geïncasseerd, daaronder Levi Strauss. Het door ECC gevorderde bedrag ten provisionele titel betreft eenzelfde onderwerp en berust op dezelfde oorzaak als de onderhavige procedure, namelijk het beweerdelijk door CFE bij Levi Strauss geïncasseerde bedrag van BEF 2.490.489,-- dat ECC pretendeert van Levi Strauss te vorderen te hebben, aldus CFE.

ECC betwist dat zij in de onderhavige vordering niet-ontvankelijk zou zijn.

3.4 Het doel van art. 21 EEX is het voorkomen van een cumulatie van internationale bevoegdheden, waardoor tegenstrijdige beslissingen zouden kunnen worden gegeven. Indien aan de voorwaarden van art. 21 EEX is voldaan en vast staat dat de Belgische rechter - bij wie de zaak het eerst aanhangig is gemaakt - bevoegd is, leidt dit niet tot niet-ontvankelijkheid, doch tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en dus tot onbevoegdheid van deze rechtbank. Voor de toepassing van deze bepaling is vereist dat vorderingen aanhangig zijn tussen (a) dezelfde partijen, die (b) hetzelfde onderwerp betreffen en (c) op dezelfde oorzaak berusten. Deze begrippen dienen verdragsautonoom te worden toegepast. De processuele rol van partijen in de twee procedures speelt geen rol. Het "onderwerp" in de zin van art. 21 EEX is het doel van de vordering en het begrip "oorzaak" omvat de feiten en de rechtsregel die tot staving van de vordering worden aangevoerd (vgl. Hof van Justitie EG 6 december 1994, NJ 1995, 659).

3.5 Blijkens het overgelegde vonnis van de Belgische rechter is sprake van een vordering tussen dezelfde partijen. Omdat de processuele rol van partijen niet van belang is, is niet relevant dat ECC haar vordering bij wege van tegeneis heeft ingesteld. Het doel van de vordering is betaling van een som geld, hetgeen in beide procedures wordt gevorderd, zodat het onderwerp gelijk is. Ook de aangevoerde feiten en de rechtsregel zijn, voor zover hier van belang, voor de toepassing van art. 21 EEX gelijk. In haar conclusie voor de Belgische rechter (door CFE overgelegd als prod. 1 bij CvD) blijkt namelijk dat de door ECC geformuleerde tegeneis deels is gegrond op gelden die CFE "onrechtmatig en rechtstreeks bij klanten van concluante [ECC] heeft geïncasseerd, o.a. bij LEVI STRAUSS".

3.6 Aan het voorgaande doet niet af dat CCE ten overstaan van de Belgische rechter de tegeneis heeft ingediend uit hoofde van een provisionele vordering. Uit het vonnis van de Belgische rechter (p. 2, onder "II. Voorwerp van de tegeneis") blijkt immers dat ECC akte heeft verzocht "haar vordering bij latere conclusies uit te breiden en/of definitief te begroten". Die akte is haar in het dictum van het vonnis (p. 6) verleend en tevens is"heropening van de debatten" bevolen. De in geschil zijnde vordering ter zake van Levi Strauss kan derhalve in de procedure bij de Belgische rechter worden afgedaan.

3.7 Staat de bevoegdheid van de Belgische rechter vast, dan dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren. Zolang de bevoegdheid van de Belgische rechter niet vast staat, dient de rechtbank de zaak ambtshalve aan te houden.

De Belgische rechter is gebonden aan de bepalingen van het EEX-Verdrag. In het geval beide partijen zijn verschenen dwingt slechts artikel 19 EEX de rechter ambtshalve zijn onbevoegd uit te spreken, namelijk indien volgens art. 16 EEX een gerecht van een andere Staat bij uitsluiting bevoegd is, hetgeen hier niet aan de orde is. Nu niet gesteld of gebleken is dat één der partijen zich heeft beroepen op de onbevoegdheid van de Belgische rechter en uit het overgelegde vonnis op geen enkele wijze van bevoegdheidsperikelen blijkt, moet worden aangenomen dat de Belgische rechter conform art. 18 EEX bevoegd is van de door CCE ingestelde vordering kennis te nemen. De rechtbank moet zich daarom onbevoegd verklaren. Aldus zal worden beslist.

3.8 ECC dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van het incident.

In de zaak met rolnummer 83511 / HA ZA 00-784

3.9 Overeenkomstig art. 22 EEX kan, indien sprake is van samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende Staten die in eerste aanleg aanhangig zijn, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden. Samenhangend zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven.

3.10 De vraag of CFE een vordering op Levi Strauss heeft geïncasseerd zal worden beoordeeld door de Belgische rechter. Aangenomen mag worden dat daarbij als voorvraag zal worden behandeld of CCE kan aantonen een vordering te hebben gehad op Levi Strauss. In de hier aanhangig gemaakte procedures is dit immers uitdrukkelijk betwist en het ligt voor de hand dat CFE dat verweer ook bij de Belgische rechter zal voeren. Het oordeel van de Belgische rechter hierover is van belang, omdat dit betekenis heeft voor het door de rechtbank te geven oordeel over de vraag of [gedaagde] onrechtmatig jegens CCE heeft gehandeld. Dit betekent dat tussen de onderhavige procedure en de hiervoor genoemde procedure bij de Belgische rechter sprake is van samenhangende vorderingen. Teneinde tegenstrijdige uitspraken te vermijden, zal de rechtbank daarom de zaak aanhouden. Deze aanhouding zal plaatsvinden door de zaak te verwijzen naar de parkeerrol. De zaak zal daarbij worden verwezen voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van CCE. CCE zal daarbij in elk geval het eindvonnis van de Belgische rechter dienen over te leggen. [gedaagde] zal kunnen reageren bij antwoordconclusie.

3.11 In afwachting van de nadere conclusiewisseling tussen partijen wordt de verdere beoordeling van de zaak aangehouden.

3.12 Duidelijkheidshalve zal worden bepaald dat van dit vonnis geen zelfstandig hoger beroep kan worden ingesteld.

4. De beslissing.

De rechtbank:

In de zaak met rolnummer 95985 / HA ZA 01-901

verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen, tot op heden begroot op € 4.796,47, waarvan € 3.475,97 wegens salaris procureur, daaronder begrepen de kosten van het incident tot voeging;

In de zaak met rolnummer 83511 / HA ZA 00-784

verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 6 april 2005 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van eiseres;

bepaalt, dat van dit vonnis geen hoger beroep kan worden ingesteld dan tegelijk met het eindvonnis;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Kooijman, Warnaar en Römers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 augustus 2003.