Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AO0057

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-12-2003
Datum publicatie
15-12-2003
Zaaknummer
001403-02
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2004:AR0479
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de nacht van 16 op 17 maart 2002 schuldig gemaakt aan één van de zwaarste delicten uit het wetboek van strafrecht door A.R. en haar dochtertje N. op een gruwelijke wijze van het leven te beroven.

Het feit dat N. een weerloos kindje van twee jaar oud was, maakt het geheel des te schokkender. De hele woning van de slachtoffers is doorzocht en verdachte heeft diverse goederen, waaronder een kluis met inhoud, weggenomen. Vervolgens is door onbekend gebleven oorzaak brand ontstaan in de woning van de slachtoffers.

Het plegen van gekwalificeerde doodslag is een zeer ernstig feit. Hierdoor is de familie van de slachtoffers onherstelbaar leed toegebracht. Bovendien heeft dit feit een grote schok, zowel in de directe omgeving van de slachtoffers, als in de maatschappij in het algemeen teweeggebracht.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, waarbij door verdachte onder meer gebruik werd gemaakt van een stroomstootwapen. Ten slotte heeft verdachte gedeald in XTC en amfetamine en heeft hij een partij van circa 10.000 XTC pillen vervoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 001403-02

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[C.A. v. D. ],

geboren op [geboortedatum en plaats] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te -, -,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsvrouwe.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans hij verdachte, opzettelijk A.E.

Rimkute en/of N. van Heck van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet:

- voornoemde Rimkute (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp, in haar buik en/of rug en/of haar hals en/of keel,

althans op een of meer plaats(en) in haar lichaam, gestoken en/of gesneden

en/of uitwendig mechanisch samendrukkend geweld en/of (door middel van een

audiosnoer) uitwendig mechanisch omsnoerend geweld uitgeoefend/toegepast

op de hals en/of keel van voornoemde Rimkute en/of

- voornoemde Van Heck op enigerlei wijze chloroform toegediend, althans in

aanraking gebracht met chloroform en/of (vervolgens) (door middel van een

nylonkous/nylonsokje) uitwendig mechanisch omsnoerend geweld

uitgeoefend/toegepast op de hals en/of keel van voornoemde Van Heck,

tengevolge waarvan, althans mede tengevolge waarvan, voornoemde Rimkute en/of

Van Heck is/zijn overleden,

welke (twee) vorenomschreven doodslag(en) (telkens) werd(en) gevolgd,

vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal

(met geweld) van een kluis (met inhoud) en/of een hoeveelheid sierraden en/of

een of meer horloge(s) en/of een GSM en/of een of meer geluidsboxen en/of een

(digitale) camera en/of een of meer andere goed(eren),

en welke (twee) doodslag(en) (telkens) werd(en) gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om,

bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met een ander(en), althans hij verdachte,

- opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, A.E. Rimkute

van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, voornoemde Rimkute (meermalen) met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp, in haar buik en/of rug en/of haar hals

en/of keel, althans op een of meer plaats(en) in haar lichaam, gestoken

en/of gesneden en/of uitwendig mechanisch samendrukkend geweld en/of (door

middel van een audiosnoer) uitwendig mechanisch omsnoerend geweld

uitgeoefend/toegepast op de hals en/of keel van voornoemde Rimkute

en/of

- opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, N. van Heck

van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, voornoemde N. van Heck op enigerlei wijze chloroform

toegediend, althans in aanraking gebracht met chloroform en/of

(vervolgens) (door middel van een nylonkous/nylonsokje) uitwendig

mechanisch omsnoerend geweld uitgeoefend/toegepast op de hals en/of keel

van voornoemde Van Heck,

tengevolge waarvan, althans mede tengevolge waarvan, voornoemde Rimkute en/of

Van Heck is /zijn overleden,

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans hij verdachte, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (met inhoud) en/of

een hoeveelheid sierraden en/of een of meer horloge(s) en/of een GSM en/of

een of meer geluidsboxen en/of een (digitale) camera en/of een of meer andere

goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten

dele toebehorende aan A.E. Rimkute en/of R. van Heck, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen A.E. Rimkute en/of N. van Heck, gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- voornoemde Rimkute een of meer malen tegen het hoofd en/of in het gelaat

en/of tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of (meermalen) met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar buik en/of rug

en/of haar hals en/of keel, althans op een of meer plaats(en) in haar

lichaam, heeft/hebben gestoken en/of gesneden en/of uitwendig mechanisch

samendrukkend geweld en/of (door middel van een audiosnoer) uitwendig

mechanisch omsnoerend geweld heeft/hebben en/of uitgeoefend/toegepast op

de hals en/of keel van voornoemde Rimkute

en/of

- voornoemde N. van Heck op enigerlei wijze chloroform heeft/hebben

toegediend, althans in aanraking gebracht met chloroform en/of

(vervolgens) (door middel van een nylonkous/nylonsokje) uitwendig

mechanisch omsnoerend geweld heeft/hebben uitgeoefend/toegepast op de hals

en/of keel van voornoemde Van Heck,

terwijl dat feit (mede) de dood van die Rimkute en/of N. van Heck ten gevolge

heeft gehad;

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

derde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met een ander(en), althans hij verdachte, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning, althans uit een schuur

behorend bij een woning, gelegen aan de Eikenlaan 8, heeft/hebben weggenomen

een kluis (met inhoud) en/of een hoeveelheid sierraden en/of een of meer

horloge(s) en/of een GSM en/of een of meer geluidsboxen en/of een (digitale)

camera en/of een of meer andere goed(eren), in elk geval enig(e) goed(eren)

geheel of ten dele toebehorende aan A.E. Rimkute en/of R. van Heck, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming en/of een valse sleutel en/of insluiping;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

vierde subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met een ander(en), althans hij verdachte, een kluis (met inhoud)

en/of een hoeveelheid sierraden en/of een of meer horloge(s) en/of een GSM

en/of een of meer geluidsboxen en/of een (digitale) camera heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte,

en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van dat goed/die goed(eren) wist(en) dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof(fen);

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met een ander(en), althans hij verdachte, opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning , gelegen aan de Eikenlaan 8, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar opzettelijk een of meer

goed(eren) in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met een (of meer) brandbare stof(fen) en/of een (of meer)

brandbare stof(fen) in aanraking gebracht en/of laten komen met open vuur

en/of (een) brandend(e)/smeulend(e)/warmte-ontwikkelend(e) voorwerp(en), ten

gevolge waarvan een deel van de inboedel van die woning en/of die woning

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woning en/of de

belendende woning en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor de zich in de belendende woning

bevindende persoon of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2002

tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, tezamen en in

vereniging met een ander(en) althans hij verdachte, in een woning, gelegen

aan de Eikenlaan 8, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of onachtzaam, (open) vuur in aanraking gebracht met een (of

meer) brandbare stof(fen) en/of een (of meer) brandbare stof(fen) in aanraking

gebracht of laten komen met open vuur en/of (een)

brandend(e)/smeulend(e)/warmte-ontwikkelend(e) voorwerp(en), ten gevolge

waarvan het aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten is geweest, dat

een deel van de inboedel van die woning en/of die woning geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, terwijl

daardoor gemeen gevaar voor de inboedel van die woning en/of de belendende

woning en/of de daarin aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, en/of levensgevaar voor de zich in de belendende woning bevindende

persoon of personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen,

ontstond;

art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 158 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 08 maart 2002 te Prinsenbeek, althans in de gemeente

Breda, in elk geval in het arrondissement Breda, aan een persoon (te weten

WB), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar

lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen en/of een

kneuzing/verdraaiing van een/het gewricht tussen het sleutelbeen en het

schouderblad rechts en/of een of meer gekneusde rib(ben) rechts en/of een

nierkneuzing rechts en/of een of meer brandwond(en) heeft toegebracht door

deze WB, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans

opzettelijk, een of meer ma(a)l(en) een stroomstootwapen op/tegen de hals/nek

en/of het lichaam te zetten en/of houden en/of dit vervolgens in werking te

stellen en/of deze WB een of meer ma(a)l(en) tegen het hoofd en/of het

lichaam te trappen en/of schoppen en/of slaan en/of stompen

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 maart 2002 te Prinsenbeek, althans in de gemeente

Breda, in elk geval in het arrondissement Breda, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten WB),

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk, die WB een of meer ma(a)l(en) een stroomstootwapen

op/tegen de hals/nek en/of het lichaam heeft gezet en/of gehouden en/of dit

vervolgens in werking heeft gesteld en/of die WB een of meer ma(a)l(en)

tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen

en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 maart 2002 te Prinsenbeek, althans in de gemeente

Breda, in elk geval in het arrondissement Breda, opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten WB), een of meer ma(a)l(en) een stroomstootwapen

op/tegen de hals/nek en/of het lichaam heeft gezet en/of gehouden en/of dit

vervolgens in werking heeft gesteld en/of die WB een of meer ma(a)l(en)

tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen

en/of gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken

sleutelbeen en/of een kneuzing/verdraaiing van een/het gewricht tussen het

sleutelbeen en het schouderblad rechts en/of een of meer gekneusde rib(ben)

rechts en/of een nierkneuzing rechts en/of een of meer brandwond(en)), althans

enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2001 tot en met 27 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, en/of

Prinsenbeek en/of Fijnaart, althans op een of meer plaatsen in het

arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans hij verdachte, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft

gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) amfetamine en/of een of meer

hoeveelhe(i)d(en) XTC-pillen en/of een partij van ongeveer 10.000 XTC-pillen,

althans een (grote) partij XTC-pillen, bevattende voornoemde XTC-pillen

telkens (meth)amfetamine en/of MDMA en/of en/of MDA en/of MDEA en/of

N-ethylMDA, in elk geval (telkens) een of meer middel(en) vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I, en zijnde voornoemde amfetamine en/of

(meth)amfetamine en/of MDMA en/of en/of MDA en/of MDEA en/of N-ethylMDA

(telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

art 2 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen verdachte berecht had dienen te worden in beginsel 16 maanden bedraagt nu verdachte gedetineerd zit ( vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 ). De rechtbank constateert dat deze termijn is overschreden. Immers, verdachte diende vanaf de datum van zijn inverzekeringstelling rekening te houden dat het Openbaar Ministerie jegens hem strafvervolging zou instellen en pas thans is aan deze strafzaak een einde gekomen. Het gaat om een overschrijding van bijna 5 maanden.

De rechtbank zal evenwel aan de overschrijding van de 16 maanden-termijn geen gevolgen verbinden, omdat zij van oordeel is dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM niet is overschreden. Immers, onderhavige strafzaak dient als ingewikkeld en omvangrijk te worden beschouwd.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de redelijke termijn van artikel 6 EVRM niet geschonden. Het openbaar ministerie kan derhalve in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 primair én subsidiair en

feit 3 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 (primair en subsidiair) is de rechtbank van oordeel dat geen sluitende uitspraak kan worden gedaan omtrent enige vorm van opzet dan wel schuld aan de zijde van verdachte ten aanzien van de brandstichting in het pand Eikenlaan 8 te Klundert.

Verdachte heeft de hem tenlastegelegde brandstichting ontkend, terwijl uit het FTO-rapport van 9 april 2003 niet kan worden afgeleid wat de precieze oorzaak van de betreffende brand op 17 maart 2002 is geweest.

Ten aanzien van feit 3 primair is de rechtbank van oordeel dat op grond van de medische informatie welke zich in het dossier bevindt, niet is komen vast te staan dat het slachtoffer WB ten tijde van de mishandeling op 8 maart 2002 een gebroken sleutelbeen heeft opgelopen. Het overige letsel, zoals beschreven in de medische informatie, laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1 primair

op tijdstippen in de periode van 16 maart 2002 tot en met 17 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, opzettelijk A.E.

Rimkute en N. van Heck van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet:

- voornoemde Rimkute meermalen met een mes in haar buik en rug en haar hals of keel gestoken of gesneden en door middel van een audiosnoer uitwendig mechanisch omsnoerend geweld uitgeoefend op de hals van voornoemde Rimkute en

- voornoemde Van Heck op enigerlei wijze chloroform toegediend en door middel van een nylonkous/nylonsokje uitwendig mechanisch omsnoerend geweld uitgeoefend op de hals van voornoemde Van Heck, tengevolge waarvan voornoemde Rimkute en Van Heck zijn overleden, welke twee vorenomschreven doodslag en werd en gevolgd,

vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal van een kluis (met inhoud) en een GSM en geluidsboxen en een of meer andere goederen, en welke twee doodslag en werd en gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

3 subsidiair

op 08 maart 2002 te Prinsenbeek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten WB), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die WB meermalen een stroomstootwapen tegen het lichaam heeft gehouden en dit in werking heeft gesteld en die WB meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4

op tijdstippen in de periode van 1 december 2001 tot en met 27 maart 2002 te Klundert, gemeente Moerdijk, en/of

Prinsenbeek en/of Fijnaart, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en

verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid amfetamine en een hoeveelheid XTC-pillen en een partij van ongeveer 10.000 XTC-pillen, bevattende voornoemde XTC-pillen telkens MDMA , en zijnde voornoemde amfetamine en MDMA telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I van artikel 2 van die wet;

Hetgeen onder de feiten 1 primair, 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

* ten aanzien van feit 1 primair:

Zowel uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk (hierna: NFI)

d.d. 17 oktober 2002 als uit de contra-expertise van het Forensisch Laboratorium voor

DNA-onderzoek te Leiden d.d. 20 december 2002, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het aangetroffen celmateriaal onder de nagels van de linkerhand van Asta Rimkute afkomstig is van het slachtoffer én de verdachte.

Uit de verklaring van dr. P. de Knijff, afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 27 augustus 2003 volgt bovendien dat er in het onderwerpelijke DNA-mengprofiel, géén aanwijzingen zijn gevonden voor DNA afkomstig van een derde persoon.

Verdachte ontkent evenwel enig aandeel te hebben gehad in de dood van Asta Rimkute en haar dochtertje Naomi van Heck. Verdachte stelt zich daarbij onder meer op het standpunt dat zijn DNA-materiaal, dat is aangetroffen onder de nagels van het slachtoffer Asta Rimkute nadat zij was gedood in de nacht van 16 op 17 maart 2002, afkomstig is van een incident dat heeft plaatsgevonden op 28 februari 2002, waarbij Asta Rimkute verdachte heeft gekrabd.

De rechtbank ziet zich in dit verband geplaatst voor de vraag of het DNA-materiaal dat onder de nagels van de linkerhand van het slachtoffer Asta Rimkute werd aangetroffen, daaronder gekomen is in de nacht van 16 op 17 maart 2002 óf dat dit DNA-materiaal nog kan dateren van het door de verdachte aangehaalde incident van 28 februari 2002?

De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag dient te worden gebaseerd op de inhoud van een viertal wetenschappelijke rapportages, welke rapportages specifiek gericht zijn op voornoemde vraagstelling, in combinatie met de uit het strafdossier voortvloeiende vaststaande gegevens.

· de wetenschappelijke rapportages:

Drs. Kocks van het NFI te Rijswijk heeft bij brief van 2 september 2002 aangegeven dat het hem onwaarschijnlijk lijkt dat bij normaal actief leven, celmateriaal van een andere persoon langer dan een termijn van een week nog aantoonbaar blijft onder de nagels van een levende persoon.

Dr. De Knijff van de Universiteit Leiden geeft in zijn brief van 7 maart 2003 aan dat, hoewel hij over de invloed van externe factoren op het onder de nagel achtergebleven celmateriaal en de kwaliteit van DNA daarin, niet over exacte gegevens beschikt, het hem logisch lijkt dat zowel tijd, de mate van reinigende handelingen en blootstelling aan DNA-beschadigende straling de kwaliteit van het DNA-profiel zullen beïnvloeden.

Dr. Baetchel, werkzaam als forensisch DNA-medewerker bij de Federal Bureau of Investigation te Virginia (USA), geeft in zijn brief van 2 oktober 2003 aan dat het onwaarschijnlijk is, dat enig celmateriaal van de verdachte dat onder de vingernagels van het slachtoffer kan zijn achtergebleven gedurende het krabben tijdens het voorval op 28 februari 2002, daar is achtergebleven tot de dood van het slachtoffer op 17 maart 2002. Dr. Baetchel geeft hierbij aan zijn mening te baseren op de verwachting dat door dagelijkse hygiëne, zwemmen, cosmetische nagelbehandelingen en natuurlijke afbraakprocessen zulk materiaal is verdwenen.

Dr. Whitaker, werkzaam als senior forensic scientist bij de Forensic Science Service te Birmingham (Engeland), geeft ten slotte in zijn schrijven van 24 november 2003 aan dat, zelfs bij afwezigheid van een volledige registratie van de gewoontes van het slachtoffer op het gebied van reiniging en wassen, etc., met gezond verstand moet worden overwogen dat DNA onder de vingernagels vandaan verdwijnt bij het uitvoeren van alledaagse bezigheden. Om die reden is er een veel lagere mate van zekerheid dat het verkregen resultaat ook na drie weken nog zou worden waargenomen, aldus Whitaker.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het DNA-materiaal van verdachte afkomstig is van de nacht van 16 op 17 maart 2002 en niét van 28 februari daaraan voorafgaand.

· de uit het strafdossier voortvloeiende vaststaande gegevens:

Op grond van de inhoud van het strafdossier dienen, naar het oordeel van de rechtbank, de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen:

1. Uit de verklaring van [J.M.] d.d. 2 april 2002 (p. 1445-1448) blijkt dat verdachte aan [J.M.], één tot drie weken vóór de brand aan de Eikenlaan 8 te Klundert, heeft verteld dat hij, verdachte, van plan was om in te breken in de woning van RvH.

2. Uit de verklaringen van getuige [D.v.d.H.] d.dis 16 en 17 april 2002 (p. 977-979) en de verklaringen van verdachte d.dis 16 en 18 april 2002 (p. 1573-1589) blijkt dat verdachte op vrijdag 15 maart 2002 bij ATM te Moerdijk uit het laboratorium een glazen flesje, gevuld met chloroform, heeft meegenomen.

Uit het rapport van de NFI d.d. 21 mei 2002 blijkt dat in het bloed van Naomi van Heck chloroform werd aangetoond en in het bloed van Asta Rimkute een aanwijzing werd gevonden voor de aanwezigheid van chloroform.

Ten aanzien van het meenemen van de chloroform heeft verdachte verklaard dit te hebben gedaan op verzoek van WB, dit in verband met de verzorging van de wonden van haar honden en om deze honden rustig te kunnen houden. WB heeft in diverse verklaringen evenwel ontkend aan verdachte te hebben verzocht om chloroform voor haar honden mee te nemen danwel van hem chloroform te hebben ontvangen. Ook uit nader door de politie ingesteld onderzoek, waarvan de resultaten zijn weergegeven in het proces-verbaal d.d. 17 april 2002 (p. 983-984), blijkt dat chloroform een oud narcosemiddel is dat tegenwoordig niet meer voor dat doel wordt gebruikt. Gebruik van chloroform als wondverzorgend middel voor dieren is bij een drietal daartoe bevraagde dierenartsen, blijkens voornoemd proces-verbaal, niet bekend.

3. Uit de verklaring van GW d.d. 10 april 2002 (p. 819-827) blijkt dat verdachte aan GW op zaterdag 16 maart 2002, tussen 15.00 uur en 16.00 uur, heeft verteld dat hij, verdachte, door zijn buurvrouw Asta werd afgeperst met een foto waarop hij, verdachte, en Asta stonden terwijl zij seks hadden en dat Asta deze foto in haar bezit had. Verdachte heeft in dat verband tevens verklaard dat hij niet van plan was om zijn gezin door Asta kapot te laten maken.

4. Getuige G, werkzaam als wachtchef bij ATM Moerdijk, heeft zowel op 3 april 2002 tegenover de politie (p. 952) als op 26 februari 2003 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat verdachte zeker 14 dagen voor het weekend van de brand aan G heeft gevraagd vrij te kunnen zijn in de nacht van zaterdag 16 maart 2002 op zondag 17 maart 2002.

5. Uit de verklaring van getuige M. d.d. 9 april 2002 (p. 987-988) blijkt dat Asta Rimkute op 16 maart 2002 omstreeks 10.30 nog een nagelbehandeling heeft ondergaan.

6. Uit de verklaring van verdachte d.d. 18 april 2002 (p. 1581-1589) als ook uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat verdachte, nadat hij in de nacht van 16 op 17 maart 2002 de woning van JvdM te Klundert had verlaten, tussen circa 01.00 en 03.00/03.30 uur meermalen langs de woning van Asta Rimkute is gereden en zelfs eenmaal met zijn auto de parkeerplaats, gelegen achter de woning aan de Eikenlaan 8, is opgereden.

7. Verdachte heeft tot driemaal toe wisselende verklaringen afgelegd omtrent het binnentreden en het aantreffen van het kluisje in de woning Eikenlaan 8. Zo verklaart verdachte op 17 maart 2002, waarbij verdachte overigens toen nog als getuige door de politie werd gehoord, dat hij omstreeks 11.00 uur 's morgens de betreffende woning zou hebben betreden. Door verdachte wordt in zijn verklaring in het geheel niet gesproken over een kluisje. Op 28 maart 2002 verklaart verdachte dat hij in de vroege ochtend van 17 maart 2002, omstreeks 06.00 - 06.15 uur, de woning aan de Eikenlaan 8 heeft betreden en een kluisje op de trap in de hal zag staan, welk kluisje door hem werd meegenomen. In zijn verklaringen vanaf 11 april 2002 verklaart verdachte ten slotte dat hij, nadat hij daarover door WB zou zijn geïnformeerd, op 17 maart 2002 omstreeks 06.00 - 06.15 uur, het kluisje in de schuur achter de woning aan de Eikenlaan 8 heeft aangetroffen en meegenomen.

8. Uit de verklaringen van getuige H d.dis 17 maart 2002 (p. 159-161) en 28 maart 2002 (p. 162-163) blijkt dat er op 17 maart 2002, tussen 05.30 en 06.00 uur, in de woning aan de Eikenlaan 8 op de zolder en de beide achterkamers op de eerste verdieping licht brandde, welk licht omstreeks 07.00 uur weer uit was. Uit de verklaring van RvH d.d. 22 mei 2002 (p. 320-328) blijkt voorts dat de kluis op de eerste verdieping in één van de achterkamers van de woning aan de Eikenlaan 8 in een witte kast stond. Gelet op deze beide verklaringen volgt hieruit, naar het oordeel van de rechtbank, dat iemand in voornoemde tijdspanne op de achterkamer moet zijn geweest, waar het betreffende kluisje laatstelijk heeft gestaan.

9. GvdK heeft op 28 maart 2002 (p. 1336-1337) verklaard dat verdachte hem in de ochtend van 17 maart 2002 heeft gevraagd om hem, verdachte, een alibi te verschaffen voor de nacht van 16 op 17 maart 2002.

10. Uit de verklaringen van verdachte d.d. 24 en 25 juni 2002 blijkt dat verdachte in de keuken van de woning aan de Eikenlaan 8 uit een pak melk heeft gedronken en dit pak melk vervolgens heeft neergezet. Uit de rapportage van de FTO d.d. 9 april 2003 blijkt dat dit pak melk in de nabijheid van de messenlade is neergezet en dat uit deze messenlade het grootste mes ontbrak. Dit mes, met een lengte van 23,5 cm., werd aangetroffen op de slaapkamervloer nabij het slachtoffer Asta Rimkute. Uit het sectieverslag d.d. 7 mei 2002 van arts en patholoog Hens betreffende Asta Rimkute blijkt onder meer dat bij Rimkute een steekverwonding rechts in de rug met een lengte van 19 cm. werd aangetroffen, welk letsel met een mes zou kunnen zijn veroorzaakt. In de FTO-rapportage van 9 april 2003 wordt voorts expliciet de mogelijkheid opengehouden dat de steekverwondingen zouden kunnen zijn toegebracht met het op de vloer van de slaapkamer aangetroffen vleesmes.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat Asta Rimkute is gestoken met vleesmes dat uit de messenlade van de keuken ontbrak en op de slaapkamervloer is teruggevonden.

11. Uit de rapportage van het FTO d.d. 9 april 2003 blijkt dat de grote staande klok in de woonkamer van de woning Eikenlaan 8 van zijn plaats is verschoven en stil is komen te staan op 06.30 uur, dan wel 18.30 uur.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het samenstel van bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bekeken, voor wat betreft feit 1 primair, voldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert.

* feit 3 subsidiair:

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van de mishandeling van het slachtoffer B op

8 maart 2002 onder meer aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank dat uit diverse verklaringen, waaronder die van verdachte zelf, blijkt dat verdachte door Asta Rimkute werd afgeperst. Verdachte verklaart in dit verband dat Asta hem onder druk had gezet om WB te mishandelen. Uit de verklaring van GS d.d. 18 april 2002 blijkt voorts dat verdachte één tot anderhalve week vóór de brand in de woning aan de Eikenlaan 8 te Klundert een stroomstootwapen bij voornoemde GS had geleend. Vervolgens is verdachte, gewapend met dit stroomstootwapen - welk wapen volgens GS door verdachte nog was voorzien van nieuwe batterijen - op 8 maart 2002 naar WB gegaan om haar te mishandelen. Volgens GS heeft hij het betreffende wapen een week nadat verdachte het bij hem had opgehaald, weer van verdachte teruggekregen.

De rechtbank concludeert op basis van het bovenstaande dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld nu hij na kalm beraad en rustig overleg heeft geprobeerd WB zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het op dit punt gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.

* waardering van de bewijsmiddelen:

De raadsvrouwe van verdachte voert aan ( vgl. p. 38 van de pleitaantekeningen ) dat het DNA dat is aangetroffen onder de vingernagels van Asta Rimkute en het aangetroffen chloroform in het lichaam van Naomi van Heck en de aanwijzing daarvoor in het lichaam van Asta Rimkute geen wettige bewijsmiddelen zijn.

In artikel 339 Wetboek van Strafvordering is limitatief opgesomd welke bewijsmiddelen als wettige bewijsmiddelen worden beschouwd. De resultaten van het onderzoek naar het aangetroffen DNA onder de nagels van Asta Rimkute en het onderzoek naar de aanwezigheid van chloroform in de lichamen van de slachtoffers zijn vastgelegd in schriftelijke bescheiden van diverse deskundigen. Deze bescheiden zijn bescheiden in de zin van artikel 339 lid 1 onder 5 Wetboek van Strafvordering en deze bescheiden zijn derhalve wettige bewijsmiddelen.

Het verweer vindt derhalve geen steun in het recht en het wordt derhalve door de rechtbank verworpen.

* tunnelvisie:

De raadsvrouwe van verdachte heeft aangevoerd ( vgl. p. 26 e.v. van de pleitaantekeningen )

dat het Openbaar Ministerie in deze strafzaak heeft gewerkt met een tunnelvisie.

Voor zover de raadsvrouwe met dit betoog heeft beoogd aan te voeren dat door het Openbaar Ministerie op onrechtmatige wijze bewijs is vergaard, oordeelt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat verdachte niet de enige verdachte in deze strafzaak is geweest, maar dat ook talrijke andere personen als verdachten zijn aangemerkt en dat zij ook als zodanig door de politie zijn verhoord en dat jegens hen dwangmiddelen zijn toegepast.

Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag.

* Meer en Vaart verweer

De raadsvrouwe van verdachte voert aan ( vgl. p. 13 e.v. en p. 33 e.v. van de pleitaantekeningen ) dat de mogelijkheid bestaat dat een ander, of anderen, zelfs op een ander tijdstip, de slachtoffers van het leven heeft/hebben beroofd.

De rechtbank is van oordeel dat een andere feitelijke toedracht dan dat verdachte op 17 maart 2002 de beide slachtoffers van het leven heeft beroofd niet aannemelijk is geworden.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

Feit 1 primair:

Doodslag meermalen gepleegd, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Feit 3 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad.

Feit 4:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft zich in de nacht van 16 op 17 maart 2002 schuldig gemaakt aan één van de zwaarste delicten uit het wetboek van strafrecht door Asta Rimkute en haar dochtertje Naomi op een gruwelijke wijze van het leven te beroven.

Het feit dat Naomi een weerloos kindje van twee jaar oud was, maakt het geheel des te schokkender. De hele woning van de slachtoffers is doorzocht en verdachte heeft diverse goederen, waaronder een kluis met inhoud, weggenomen. Vervolgens is door onbekend gebleven oorzaak brand ontstaan in de woning van de slachtoffers.

Het plegen van gekwalificeerde doodslag is een zeer ernstig feit. Hierdoor is de familie van de slachtoffers onherstelbaar leed toegebracht. Bovendien heeft dit feit een grote schok, zowel in de directe omgeving van de slachtoffers, als in de maatschappij in het algemeen teweeggebracht.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, waarbij door verdachte onder meer gebruik werd gemaakt van een stroomstootwapen. Ten slotte heeft verdachte gedeald in XTC en amfetamine en heeft hij een partij van circa 10.000 XTC pillen vervoerd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte terzake feiten

1 primair, 3 subsidiair en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 jaar.

De rechtbank heeft kennis genomen van het omtrent verdachte uitgebrachte - enigszins gedateerde - rapport van de reclassering d.d. 5 juni 2002. Van een omtrent verdachte uitgebracht persoonlijkheidsonderzoek is de rechtbank niets gebleken, zodat de rechtbank zich voor wat betreft de persoonlijkheid van verdachte dient te verlaten omtrent hetgeen ter terechtzitting daarover is besproken. De rechtbank gaat er mede op grond hiervan uit dat verdachte ter zake de bewezenverklaarde feiten volledig toerekeningsvatbaar is te achten.

De rechtbank rekent verdachte de door hem gepleegde feiten zwaar aan en is van oordeel dat slechts een aanmerkelijke vrijheidsbenemende sanctie recht doet aan de ernst hiervan.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden dat verdachte een nagenoeg blanko strafblad heeft.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij RvH heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van

€ 4394,97 terzake van hetgeen onder feit 1 primair is bewezen verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreekse schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Daarom kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts heeft de benadeelde partij schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 7229,92 terzake van hetgeen verdachte onder feit 2 (primair en subsidiair) is ten laste gelegd.

Nu voor het onder feit 2 aan verdachte tenlastegelegde geen straf of maatregel wordt opgelegd dient de benadeelde partij in dat gedeelte van zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van nabestaande RvH, nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd onder feit 1 primair, is toegebracht.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 47, 57, 91, 287, 288 en 303 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vordering.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 primair en subsidiair en

feit 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 1 primair, 3 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij RvH toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 4394,97 (zegge: vierduizenddriehonderdvierennegentig euro 97/100), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is.(BP.09)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemde RvH, te betalen een som geld ten bedrage van € 4394,97 (zegge: vierduizenddriehonderdvierennegentig euro 97/100), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 87 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen. Indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, komt daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Peters en mr. Luijks, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roelandt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2003.