Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AN9935

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
122815 / HA ZA 03-1285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Perikelen rondom de Europese betekeningsverordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

122815 / HA ZA 03-1285 RECHTBANK BREDA

10 december 2003 Sector Handelsrecht

Enkelvoudige Kamer

V O N N I S

In de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PINVIDEO B.V.,

gevestigd te Tilburg,

e i s e r e s bij dagvaarding van 15 juli 2003,

procureur: mr. C.W. Ching,

t e g e n:

1. de vennootschap onder firma MOVIE CITY,

kantoorhoudende te [adres],

2. [gedaagde],

vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [adres],

3. [gedaagde],

vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [adres],

g e d a a g d e n,

niet verschenen.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

- de dagvaarding van 15 juli 2003;

- het extract uit het audiëntieblad van de rolzitting van 10 september 2003;

- de dagvaarding van 16 september 2003 met bijbehorende betekeningsstukken.

Tegen de niet verschenen gedaagden is verstek verleend.

2. Ambtshalve beoordeling.

2.1 In de dagvaarding van 15 juli 2003 zijn gedaagden opgeroepen te verschijnen tegen een niet bestaande rechtsdag. Ter rolzitting van 10 september 2003 heeft de rolrechter bepaald dat gedaagden dienen te worden opgeroepen tegen de rolzitting van woensdag 29 oktober 2003, met herstel van het gebrek op kosten van de eisende partij. Op de rolzitting van 26 november 2003 is tegen gedaagden verstek verleend.

2.2 De dagvaarding van 16 september 2003 is op 21 oktober 2003 door een Belgische deurwaarder aan gedaagden betekend door middel van betekening aan "De Heer Procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen", zulks overeenkomstig art. 38 § 2 Gerechtelijk Wetboek. Uit de betekening blijkt dat gedaagden sub 2 en 3 op 23 september 2003 "gerechtelijk zijn uitgedreven zonder dat zij overbrenging van woonplaats hebben aangevraagd." Voor deze wijze van betekening is kennelijk gekozen omdat gedaagden geen woon- of verblijfplaats hadden op het opgegeven adres in België, en evenmin op een ander adres in het bevolkingsregister waren ingeschreven. Dit betekent dat gedaagden op het moment van betekening geen bekend adres hadden. Artikel 1 lid 2 van de Europese Betekeningsverordening leidt dan tot de conclusie dat op de betekening per deurwaardersexploot in België de Verordening niet van toepassing was. De ontvangende instantie in België had daarom op de voet van artikel 6 lid 3 van de Verordening de aanvraag met bijbehorende stukken dienen terug te zenden aan de eisende partij. Dit gebrek heeft echter geen rechtsgevolgen. Omdat de Verordening niet van toepassing was had betekening te geschieden overeenkomstig art. 54 Rv. Omdat daaraan niet is voldaan heeft in zoverre geen geldige betekening van de dagvaarding plaatsgevonden.

2.3 Uit de dagvaarding van 16 september 2003 blijkt dat de Nederlandse deurwaarder een afschrift van de dagvaarding op dezelfde datum per aangetekende brief met bevestiging van ontvangst aan gedaagden heeft toegezonden. Omdat hiervoor is gebleken dat gedaagden eerst per 23 september 2003 een onbekend adres hadden, is op deze wijze van betekening de Europese Betekeningsverordening wel van toepassing. Artikel 14 van de Verordening staat toe dat betekening rechtstreeks per post kan plaatsvinden. Lid 2 van dat artikel bepaalt echter ook dat elke lidstaat, overeenkomstig art. 23, lid 1, kan bepalen onder welke voorwaarden hij de betekening per post aanvaardt. België heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, waarop de Commissie overeenkomstig artikel 23 lid 2 de gegevens in het Publicatieblad van de EG heeft bekend gemaakt. België heeft niet alleen als voorwaarde gesteld dat betekening geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of een daarmee vergelijkbaar bewijs, maar ook dat zich bij de postzending een vastgesteld en ingevuld formulier bevindt (PbEG C 151/5 van 22 mei 2001 en PbEG C 202/11 van 18 juli 2001). Uit het exploot van dagvaarding blijkt niet dat aan laatstgenoemde voorwaarde is voldaan. Reeds hierom heeft geen geldige betekening per post plaatsgevonden, nog daargelaten dat uit de overgelegde poststukken ook niet blijkt dat gedaagden daadwerkelijk de postzending in ontvangst hebben genomen.

2.4 Uit het voorgaande volgt dat geen geldige betekening heeft plaatsgevonden. Het verleende verstek moet daarom vervallen worden verklaard. De aard van het gebrek brengt met zich dat herstel van dit verzuim enkel kan geschieden door de dagvaarding opnieuw te laten betekenen.

3. De beslissing.

De rechtbank:

verklaart het verleende verstek vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Römers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 december 2003.