Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AN7684

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-11-2003
Datum publicatie
07-11-2003
Zaaknummer
125991 / KG ZA 03-578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Baileybrug

Eisers vorderen bij vonnis in kort geding de Minister van Verkeer en Waterstaat en gemeente Breda te gebieden de aanwezige tijdelijke Baileybrug over de A16 te handhaven en open te blijven stellen voor fietsers en bromfietsers en voorts te waarborgen dat ook de directe omgeving, die toegang tot de tijdelijke Baileybrug moet bieden, toegankelijk is en blijft, zodat fietsers en bromfietsers uit Prinsenbeek ongehinderd gebruik kunnen blijven maken van de tijdelijke Baileybrug totdat een door een onafhankelijke deskundige als veilig en praktisch aangemerkt alternatief voor het verticaal transport van fietsen en bromfietsen voorhanden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 259
NJF 2004, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

125991 / KG ZA 03-578 RECHTBANK BREDA

Sector Handelsrecht

Voorzieningenrechter

7 november 2003

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1. [eiser],

2. [eiser],

3. [eiser],

4. [eiser],

5. [eiser],

6. [eiser],

wonende te Prinsenbeek,

7. [eiser],

wonende te Breda,

8. [eiser],

9. [eiser],

wonende te Prinsenbeek,

10. [eiser],

wonende te Breda,

11. [eiser],

12. [eiser],

wonende te Prinsenbeek,

13. [eiser],

wonende te Breda,

14. [eiser],

15. [eiser],

16. [eiser],

wonende te Prinsenbeek,

e i s e r s bij dagvaarding

van 30 oktober 2003,

procureur: mr. drs. B.F.J. Bollen,

advocaat : mr. G.C. Kooijman,

t e g e n :

1. DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

mede gevestigd en kantoorhoudende te Breda,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. E.C.M. Wagemakers,

advocaat : mr. J.H. Geerdink

2. GEMEENTE BREDA,

gevestigd en kantoorhoudende te Breda,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. B.P.M. van Ravels.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van mr. G.C. Kooijman en de door hem in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. J.H. Geerdink en de door haar in het geding gebrachte producties

- de pleitnota van mr. B.P.M. van Ravels en de door hem in het geding gebrachte producties

- het audiëntieblad van de terechtzitting van 31 oktober 2003, waaruit blijkt dat de voorzieningenrechter de vordering van eisers tegen de gemeente provisioneel heeft afgewezen en tegen de minister heeft toegewezen.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht.

2. Het geschil.

Eisers vorderen bij vonnis in kort geding, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren gedaagden, verder te noemen 'de Minister' en 'gemeente Breda' te gebieden de thans aanwezige tijdelijke Baileybrug over de A16 te handhaven en open te blijven stellen voor fietsers en bromfietsers en voorts te waarborgen dat ook de directe omgeving, die toegang tot de tijdelijke Baileybrug moet bieden, toegankelijk is en blijft, zodat fietsers en bromfietsers uit Prinsenbeek ongehinderd gebruik kunnen blijven maken van de tijdelijke Baileybrug totdat een door een onafhankelijke deskundige als veilig en praktisch aangemerkt alternatief voor het verticaal transport van fietsen en bromfietsen voorhanden is.

Zulks met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding en de ter zake verschuldigde omzetbelasting.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- Het tracébesluit HSL-Zuid voorziet in de aanleg van een nieuwe verbindingsbrug ten behoeve van onder meer fietsers tussen Prinsenbeek en Breda ter vervanging van - de van oudsher aanwezige - verbinding.

- Bij brief van 7 juni 2002 schrijft de heer Ir. A.F. Preijssers, manager Projectbureau HSL-A16, de heer F. IJpelaar van de gemeente Breda, dat het oorspronkelijke ontwerp van de nieuw aan te leggen fiets- en voetgangersbrug ter hoogte van Prinsenbeek voorzag in hellingbanen en trappen met fietsgoten, maar dat in gezamenlijk overleg uiteindelijk is gekozen voor roltrappen, aangezien het te overwinnen hoogteverschil zodanig is dat niet aannemelijk is dat fietsers gebruik zullen maken van de vaste trap.

- Wegens vertraging bij de bouw van de fiets- en voetgangersverbinding de 'Nieuwe de Burgst' kon de oude 'De Burgst' niet volgens planning worden gesloopt en is tijdelijk een Baileybrug geplaatst om de fiets- en voetgangersverbinding in stand te houden.

- Bij brief van 18 juli 2003 is een bouwvergunning voor deze Baileybrug verleend, waarbij tevens is aangegeven dat voor deze brug een beperkte instandhoudingstermijn tot 1 oktober 2003 geldt, welke termijn bij brief van 30 september 2003 is verlengd tot 1 november 2003.

- Op 9 december 2002 heeft de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak het verzoek van de vereniging "Fietsersbond", gevestigd te Utrecht tegen het college van burgemeester en wethouders van Breda om een voorlopige voorziening te treffen, wegens het ten onrechte verlenen van een vergunning voor de bouw van de fiets- en voetgangersbrug bij station Prinsenbeek afgewezen. De beslissing is, kort en zakelijk weergegeven, gemotiveerd met de vaststelling dat het bouwwerk op zich past binnen de regeling van het tracébesluit en het op grond hiervan vastgelegde bestemmingsplan, waarbij door de Voorzitter is overwogen dat het op grond van de plannen tevens mogelijk is, indien daartoe alsnog het besluit wordt genomen, de aanleg van hellingbanen in een later stadium te realiseren.

- De nieuwe fiets- en voetgangersbrug, de 'Nieuwe de Burgst', is inmiddels gerealiseerd en bestaat uit vaste trappen met fietsgoten, roltrappen en liften ter overbrugging van een hoogteverschil van acht meter. De brug is niet voorzien van hellingbanen.

- Volgens de door het Liftinstituut van de Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek afgegeven certificaten voldoet de brug aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de Richtlijn 98/37/EG.

- OTIS B.V., leverancier van liften en roltrappen, heeft op 6 februari 2003 een risicoanalyse voor het 'Project Roltrap viaduct Hoge Snelheidlijn' opgesteld, die voor zover relevant de volgende passage bevat: 'De hierbij beschreven risicobeoordeling is gebaseerd op de NEN-EN 1050 "Veiligheid van Machines. Principes voor de risicobeoordeling." In het kader van deze risicobeoordeling wordt slechts het gebruik van de roltrap door fietsers beschouwd. Dit is een onwenselijke situatie die in de NEN-EN 115 paragraaf 0.5.3 beschreven staat. De volgende aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om de situatie veilig te maken: Waarschuwingsmaatregelen: Plaatsen van waarschuwingsstickers "Verboden te betreden met fietsen".'

- Holland Railconsult heeft in opdracht van Projectbureau HSL-A16 een risico analyse opgesteld d.d. 11 augustus 2003 met betrekking tot het meenemen van fietsen op de roltrappen ter plaatse van 'De Burgst' te Prinsenbeek. Het gestelde in onderdeel 2 en 3 van het rapport laat zich aldus samenvatten dat risico bij gebruik van de roltrap door fietsers als "goed mogelijk en voortdurend aanwezig" wordt gekwalificeerd met kans op "betekenisvol letsel". Het risico van vallen door senioren, moeders met kinderen, minder validen en overigen met fiets wordt als zeer onwaarschijnlijk gekwalificeerd onder verwijzing naar de aanwezige lift.

- SOAB Adviseurs heeft in opdracht van de gemeente Breda op 27 oktober 2003 een zogenaamde Quick-scan verkeersveiligheid fiets- voetverbinding Haagse Beemden - Prinsenbeek uitgevoerd, waarbij zij concluderen dat het gebruik van de gerealiseerde roltrappen om een fiets te transporteren objectief verkeersonveilig is en dat het gebruik van de trappen vanwege de hellingshoek en de vormgeving van met name de goten een veiligheidsrisico kan vormen.

- Bij brief van 24 oktober 2003 heeft het Liftinstituut aanbevelingen gedaan. Deze brief bevat, voor zover relevant, de volgende passage:

'… Onderwerp van het gesprek was met name de instructies die bij de brug geplaatst zouden moeten worden om een veilig gebruik van de roltrappen te garanderen. Basis voor de instructie moet zijn dat de gebruiker met fiets zich niet gedwongen voelt om van de roltrappen gebruik te maken, maar dat hem alternatieven ter beschikking staan. Daarom werd met alle partijen overeengekomen om de volgende instructie toe te voegen aan de reeds ontwikkelde instructie van 5 punten hoe de fiets veilig mee te voeren op de roltrap: "Gebruik brug via vaste trap, lift of roltrap"...'

- OTIS B.V. heeft bij brief van 30 oktober 2003 op verzoek van HSL-Combinatie Brabant Zuid, op de brief van het Liftinstituut van 24 oktober 2003 gereageerd met de mededeling dat zij de genoemde richtlijn mede onderschrijven en dat er geen wettelijke basis is die het gebruik van fietsen op roltrappen verbiedt.

3.2

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag, dat het thans buiten gebruik stellen en/of verwijderen van de tijdelijke Baileybrug onrechtmatig is. Zij voeren daartoe aan dat de inmiddels gerealiseerde (nieuwe) fiets- en voetgangersbrug de 'Nieuwe de Burgst' de functie van deze tijdelijke brug niet kan vervangen, nu deze nieuwe brug geen veilige mogelijkheid biedt voor het transport van fietsers. In zijn oorspronkelijke opzet was de 'Nieuwe de Burgst' voorzien van hellingbanen, maar blijkbaar is op enig moment besloten om in plaats daarvan te kiezen voor roltrappen. De 'Nieuwe de Burgst' is op dit moment dan ook uitgevoerd met vaste trappen met fietsgoot, kleine liften en roltrappen. Eisers stellen echter dat het gebruik van roltrappen om fietsers en berijders naar boven en beneden te transporteren geen reëel en veilig alternatief voor de hellingbanen kan vormen, aangezien dit grote risico's met zich meebrengt. Ter staving van hun stellingen

hebben eisers verscheidene rapportages overgelegd waarin de risico's bij het gebruik van roltrappen voor het transport van fietsers beschreven worden.

3.3

De Minister betwist dat voor de Baileybrug geen reëel en veilig alternatief voorhanden is. De Minister is van mening dat aan het door eisers gevorderde alternatief, te weten een door een onafhankelijke deskundige als veilig en praktisch aangemerkt alternatief, reeds is voldaan, aangezien het Liftinstituut, de keurende instantie in Nederland, middels de door haar afgegeven certificaten heeft aangegeven dat de roltrappen van de nieuwe fiets- en voetgangersverbinding de 'Nieuwe de Burgst' veilig zijn. Blijkens deze certificaten voldoen de roltrappen immers aan de in de richtlijn 98/37/EG vastgestelde veiligheids- en gezondheidsvoorschriften en aan de technische voorschriften zoals de NEN-EN 115. Daarnaast heeft het Liftinstituut in haar brief van 24 oktober 2003 vastgesteld dat met de reeds ontwikkelde instructie van 5 punten: "Hoe de fiets veilig mee te voeren op de roltrap" en de mededeling dat de brug via de vaste trap, lift of roltrap gebruikt kan worden, een veilig gebruik van de roltrappen gegarandeerd kan worden. OTIS heeft in haar brief laten weten de brief van het Liftinstituut te onderschrijven en geeft daarbij terecht aan dat er geen wettelijke basis bestaat om het gebruik van fietsen op roltrappen te verbieden. De Minister is dan ook van mening dat de aanbevelingen in het SOAB-rapport moeten worden gezien als verbeterpunten van de veiligheid van de verbinding; een verbinding die op zich reeds voldoet aan de daarvoor geldende regelgeving. Voorts is de Minister van mening dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen wanneer de Baileybrug wordt verwijderd, aangezien zij al sinds 12 mei 2003 over een onherroepelijke sloopvergunning beschikt om het resterende deel van het nog bestaande viaduct 'De Burgst' te slopen en daarmee de Baileybrug. Ten slotte wijst de Minister op de grote vertraging op de HSL-Zuid, die zal uitgang van langere handhaving van de Baileybrug als voorzien met een financieel effect van ongeveer € 22.000.000,- per maand en op voortduren van geluidhinder om de handhaving van de Baileybrug het afmaken van het geluidsscherm aan de westzijde van de A16 verhindert.

3.4

De gemeente Breda stelt dat eisers met hun vordering tegen de gemeente Breda aan het verkeerde adres zijn, aangezien het de Minister van Verkeer en Waterstaat die als eigenaar van de tijdelijke Baileybrug voornemens is deze te verwijderen. Daarnaast stelt de gemeente Breda dat haar bestuursorganen niet of nauwelijks keuzemogelijkheden hadden bij de vaststelling van het bestemmingsplan, de beslissing omtrent verlening van de vergunning voor bouw van de fiets- en voetgangersbrug en bij de verlening van de sloopvergunning voor de oude brug, waardoor niet valt in te zien dat zij door medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de nieuwe brug of de sloop van de oude brug onrechtmatig jegens eisers zou handelen en dat daarin een grondslag voor toewijzing van het gevorderde gelegen zou zijn. Tot slot constateert de gemeente Breda dat het gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat eisers geen concrete rechtsplicht hebben gesteld die de gemeente Breda geschonden zou hebben.

3.5

De voorzieningenrechter stelt vast dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de veiligheid van de roltrappen voor het gebruik door fietsers in de huidige feitelijke constellatie ernstig in twijfel moet worden getrokken, nu niet alleen in de overgelegde rapportages geconcludeerd wordt dat het gebruik van de roltrappen voor fietsers veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar ook de heer Lindenberg van het Liftinstituut ter zitting als oordeel van het instituut heeft gegeven dat het gebruik van deze roltrappen door fietsers niet veilig is. De heer Lindenberg heeft ter zitting aangegeven dat roltrappen vaker voor dit doel gebruikt worden, maar dat het Liftinstituut van mening is dat dit ten aanzien van deze brug geen wenselijke situatie is. Ten aanzien van de door het Liftinstituut uitgevoerde keuring geeft de heer Lindenberg aan, dat voor het afgeven van de certificaten slechts beoordeeld wordt of de roltrap voldoet aan de wettelijke eisen. De richtlijnen, zoals de EG-richtlijn 98/37/EG voorzien echter maar zeer beperkt in veiligheidsvoorschriften, met name wanneer het (mede) om ander gebruik dan gebruik door voetgangers gaat. De fabrikant van de roltrappen moet zelf een veiligheidsrapportage op laten stellen voor dit 'andere' gebruik. Het Liftinstituut probeert, bij gebrek aan regels om certificaten te weigeren, te wijzen op mogelijke alternatieven.

3.6

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu het Liftinstituut, dat ook volgens mr. Geerdink de aangewezen keurende instantie is, de veiligheid van de roltrappen voor het gebruik van fietsers in twijfel trekt, de nieuwe brug voorshands niet kan worden aangemerkt als een veilig alternatief voor de tijdelijke Baileybrug. In deze omstandigheden is het onrechtmatig om de Baileybrug te slopen, aan welk oordeel niet wordt afgedaan door het feit dat alle relevante bestuursrechtelijke regelgeving is nageleefd. Eisers als vaste gebruikers van de fietsverbinding Breda-Prinsenbeek hebben een zwaarwegend belang bij de fiets- en voetgangersverbinding, welke een wezenlijk onderdeel vormt van het HSL-project. Dit belang is ook door de Minister onderkend hetgeen reeds blijkt uit de planologische inbedding in de op het HSL-project betrekking hebbende regelgeving. De zwaarwegende belangen van eisers dienen in deze omstandigheden te prevaleren boven de - overigens door eisers, met name in omvang, betwiste - vooral financiële belangen van de Minister. De Baileybrug dient daarom in ieder geval te blijven bestaan, zolang de veiligheid van de nieuwe brug niet objectief is vast komen te staan.

3.7

Gelet op het voorgaande ligt de vordering van eisers jegens de Minister in beginsel voor toewijzing gereed. De in het petitum opgenomen modaliteit, op grond waarvan een te geven gebod zou komen te vervallen na een deskundig oordeel, zal niet in het dictum worden opgenomen nu deze uitnodigt tot executiegeschillen. In plaats daarvan zal de voorzieningenrechter het gebod in tijd limiteren tot twee maanden na heden, nu voorshands aannemelijk wordt geoordeeld dat binnen die tijdsspanne een wel aanvaardbare situatie kan worden bereikt dor het treffen van geëigende maatregelen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat de Minister eisers (raadsman) tijdig op de hoogte zal

stellen zodra de Minister van mening is dat het veilige alternatief voor de Baileybrug aanwezig is en voornemens is tot sloop daarvan over te gaan. Mocht reeds binnen de geldigheidsduur van het gebod die situatie bereikt worden dan staat de Minister de weg naar de voorzieningenrechter open teneinde opheffing van het gebod te vragen.

3.7

De vordering tegen de gemeente Breda wordt afgewezen, nu de gemeente slechts haar door de wet opgelegde medewerking heeft verleend aan de totstandkoming van de nieuwe brug en de sloop van de oude brug, maar zelf geen beslissingsruimte heeft gehad, hetgeen ook niet door eisers wordt bestreden.

4. De kosten.

Ten aanzien van gedaagde sub 1 dient de Minister als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

Ten aanzien van gedaagde sub 2 dienen eisers als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

de voorzieningenrechter:

beveelt de Minister van Verkeer en Waterstaat de thans aanwezige tijdelijke Baileybrug over de A16 te handhaven en open te blijven stellen voor fietsers en bromfietsers en voorts te waarborgen dat ook de directe omgeving, die toegang tot de tijdelijke Baileybrug blijft bieden, zodat fietsers en bromfietsers uit Prinsenbeek ongehinderd gebruik kunnen blijven maken van de tijdelijke Baileybrug, zulks voor de duur van twee maanden na heden;

veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van het geding deze voor zover aan de zijde van eisers gevallen tot op heden begroot op € 989,16, waaronder begrepen een bedrag van € 703,- aan procureurssalaris;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding deze voor zover aan de zijde van de gemeente gevallen tot op heden begroot op € 908,-, waaronder begrepen een bedrag van € 703,- aan procureurssalaris;

verklaart dit vonnis tot hier uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 7 november 2003, in tegenwoordigheid van mr. C.J.A.van der Maas, waarnemend griffier.