Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AI0675

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
122601/KG ZA 03-370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De door gedaagde sub 3 gedane uitlating in dagblad is onnodig grievend en krenkend voor eiser. Er zijn door gedaagde sub 3 geen deugdelijke gronden aangevoerd voor de gedane beschuldiging. De vordering tegen het dagblad omdat zij de betreffende uitlating heeft gepubliceerd wordt afgewezen. Veroordeling van gedaagde sub 3 tot rectificatie in het bewuste dagblad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

122601/KG ZA 03-370 RECHTBANK BREDA

sector handelsrecht

voorzieningenrechter

30 juli 2003

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [Woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding van 18 juli 2003,

procureur en advocaat: mr. C.G.M. Liesker,

t e g e n :

1. [gedaagde 1], wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2], wonende te [Woonplaats],

3. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats],

g e d a a g d e n,

procederende in persoon,

advocaat: mr. S.G. van der Galiën te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERIJ BN/DE STEM B.V.,

g e d a a g d e,

advocaat: mr. R. Gijsen te Ede.

1. Het verloop van het geding.

Gedaagden sub 1 t/m 3 zijn verwillig verschenen.

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

- de conceptdagvaarding tegen gedaagden sub 1 t/m 3;

- de dagvaarding tegen gedaagde sub 4;

- de pleitnota van mr. Liesker de door eiser in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Van der Galiën, en de door gedaagden sub 1 t/m 3 in het geding gebrachte producties;

- de pleitnota van mr. Gijsen, en de door gedaagde sub 4 in het geding gebrachte producties.

Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht.

2. Het geschil.

Eiser, verder te noemen [eiser], vordert, na vermindering van eis, bij wege van vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden, verder te noemen [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en BN/De Stem, te veroordelen om binnen 2 x 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de voorzieningenrechter aan te geven wijze en op kosten van [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en BN/De Stem, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag dat [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en BN/De Stem dan wel één van hen hiertoe in gebreke blijft of blijven met een maximum van € 500.000,=;

II. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te verbieden in het openbaar negatieve uitspraken te doen, dan wel negatieve uitspraken te (doen) publiceren, omtrent eiser of diens onderneming(en), zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,= voor iedere keer dat dit verbod wordt overtreden;

III. [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en BN/De Stem te veroordelen in de kosten van het geding.

[gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en BN/De Stem weerspreken de vordering.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. [eiser] is directeur/eigenaar van een gerenommeerd assurantiebemiddelingsbedrijf te Breda en daarnaast is hij onder meer bekend als voormalig elftalleider van NAC en sponsor van een wielerclub.

b. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn redacteuren in dienst van de kabelkrant TV Gazet West Brabant B.V.

c. [eiser] is op 1 augustus 2002 de functie van interim manager bij TV Gazet West Brabant B.V. gaan vervullen.

d. Onlangs is gebleken dat de door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde pensioenpremies vanaf september 2000 niet door TV Gazet West Brabant B.V. zijn afgedragen.

e. Namens de redacteuren heeft Mr. Van der Galiën TV Gazet West Brabant B.V. gesommeerd achterstallig salaris en een voorschot op de geleden pensioenschade te betalen. Tevens is aangifte gedaan van verduistering.

f. TV Gazet West Brabant B.V. is in staat van faillissement verklaard.

g. In dagblad BN/De Stem is op 16 juli 2003 een artikel geplaatst getiteld: "Redactie: Directie TVGazet misdadig"

h. In voornoemd artikel komt onder meer de volgende passage voor: "Wij stellen de hele directie aansprakelijk laat [gedaagde 3] weten. Dus inclusief de ex-directeuren [ex directeuren] en de huidige directeuren [huidige directeur en] [eiser]. Zeker die laatste, want [eiser] is de firma List en Bedrog in eigen persoon."

3.2. [eiser] stelt dat de over hem gedane uitlatingen door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], zoals hierboven onder 3.1. sub h. weergegeven, een ernstige aantasting van zijn eer en goede naam vormt. [eiser] stelt dat BN/De Stem onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het klakkeloos overnemen van het betreffende citaat. Door het afdrukken van de gewraakte citaten heeft BN/De Stem de eer en goede naam van [eiser] geschaad.

3.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren ten verweer aan dat zij ten onrechte door [eiser] zijn gedagvaard omdat zij geen onrechtmatige uitlatingen jegens [eiser] hebben gedaan. Immers, de onder 3.1. sub h. weergegeven uitlating is gedaan door [gedaagde 3]. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren (verder) aan dat de gewraakte uitlating gerechtvaardigd is.

3.4. BN/De Stem voert aan dat [eiser] geen belang heeft bij de gevraagde voorziening omdat op grond van de beginselverklaring en het redactiestatuut de verantwoordelijkheid voor de redactionele inhoud van de te publiceren artikelen bij de (hoofd)redactie ligt en omdat zij in haar artikelen d.d. 18 en 19 juli 2003 de mening en visie van [eiser] expliciet en uitdrukkelijk heeft vermeld. Verder betwist BN/De Stem dat zij door publicatie van het gewraakte citaat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

3.5. Op grond van artikel 10 van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Ingevolge het tweede lid vindt dit recht zijn beperking onder meer indien door de uitoefening daarvan de goede naam of de rechten van anderen worden geschaad.

3.6. Thans is aan de orde de vraag of [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en BN/De Stem in strijd hebben gehandeld met de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt. Hierbij staan twee belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan.

3.7. De gewraakte uitlating zoals hierboven onder 3.1. sub h. is weergegeven is gedaan door [gedaagde 3], zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervoor niet aansprakelijk kunnen worden gehouden. Ter zitting heeft [eiser] zijn stelling aangevuld in die zin dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door in een persverklaring te laten weten dat zij de handelwijze van TVGazet "ronduit misdadig" vinden en te stellen dat "Het faillissement en de doorstart louter zijn bedoeld om lastige redacteuren te lozen."

3.8. Vaststaat dat de redacteuren en TV Gazet West Brabant B.V. een arbeidsconflict hebben en de redacteuren met ontslag worden geconfronteerd. In de gegeven omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich krachtiger uitdrukken dan onder normale omstandigheden gebruikelijk zou zijn. Dit geldt temeer nu vaststaat dat de betaalde pensioenpremies van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] vanaf september 2000 niet door TVGazet West Brabant B.V. zijn afgedragen waardoor over een periode van meer dan drie jaar geen pensioen is opgebouwd. Bovendien is de geponeerde stelling van algemene aard. [eiser] hoeft zich dan ook niet direct aangesproken te voelen. In dit licht bezien kan de uitlating niet onrechtmatig worden geoordeeld.

3.9. Blijkens het betoog van [eiser] richten zijn bezwaren zich tegen die ene door [gedaagde 3] geuite zin: "Zeker die laatste, want [eiser] is de firma List en Bedrog in eigen persoon." [eiser] stelt daarnaast nog dat [gedaagde 3] ten onrechte heeft verklaard dat [eiser] de huidige directeur van TV Gazet is, omdat hij slechts gedurende twee maanden als interim manager bij TV Gazet werkzaam is geweest. Ook indien er van moet worden uitgegaan dat van Eekelen ten onrechte of voor een te lange periode als directeur heeft aangemerkt is deze uitlating op zich zelf niet onrechtmatig jegens [eiser]. Gesteld noch gebleken is dat de goede naam of rechten van [eiser] door deze uitlating worden geschaad.

3.10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 3] met de uitlating: "Zeker die laatste, want [eiser] is de firma List en Bedrog in eigen persoon" wel jegens [eiser] over de schreef gaat. Deze, zonder enig voorbehoud gedane, uitlating betreft een ernstige aantijging aan het adres van [eiser]. Ter onderbouwing van de door [gedaagde 3] geuite kritiek verwijst hij naar het door hem overgelegde chronologisch overzicht betreffende [eiser] als directeur. Verder stelt hij dat [eiser] gezien zijn functie van interim manager moet hebben geweten dat de op de lonen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingehouden pensioenpremies niet werden afgedragen. [gedaagde 3] heeft het door hem gestelde niet met stukken onderbouwd. Zelfs indien de aan de uitlating ten grondslag gelegde omstandigheden juist zouden zijn, rechtvaardigt zulks niet een dergelijke laatdunkende mededeling. De uitlating van [gedaagde 3] is onnodig grievend en krenkend voor [eiser]. Dat [eiser] in het verspreidingsgebied van BN/De Stem een bekende persoon is en zich daarom meer zou dienen te laten welgevallen dan een onbekende Nederlander, rechtvaardigt evenmin de gewraakte uitlating.

3.11. Geconcludeerd wordt dat het algemeen belang niet gediend kan zijn met beschuldigingen in het openbaar waarvoor geen deugdelijke gronden kunnen worden aangevoerd en dat de gewraakte uitlating van [gedaagde 3] als onrechtmatig jegens [eiser] wordt gekwalificeerd, nu aannemelijk is dat [eiser] door de gewraakte uitlating schade lijdt. Gelet op de zwaarte van de beschuldiging en de wijze waarop [gedaagde 3] de publiciteit heeft gezocht, bestaat aanleiding om via dezelfde weg te rectificeren.

3.12. [eiser] heeft ter zitting zijn eis aangevuld in die zin dat de gevorderde rectificatie dient te geschieden door plaatsing van een advertentie in BN/De Stem. [gedaagde 3] heeft zich verzet tegen deze aanvulling. De voorzieningenrechter verwerpt het bezwaar nu niet is gebleken dat [gedaagde 3] door deze aanvulling in zijn verdediging is geschaad. Op grond van het bepaalde in artikel 6:167 BW stelt de rechter de wijze van rectificatie vast, zodat [eiser] zijn eis niet in voormelde zin behoefde aan te vullen.

3.13. De hierna in het dictum vermelde rectificatietekst en voorschriften voor de wijze waarop deze geplaatst dient te worden, doen voldoende recht aan het gerechtvaardigde verlangen van [eiser] tot correctie en komt ook tegemoet aan de door [gedaagde 3] geuite bezwaren dat de door [eiser] voorgestelde tekst te algemeen is. De door [eiser] gevraagde verontschuldigingen worden niet in de rectificatietekst opgenomen: de rechter kan niemand bevelen spijt te hebben van zijn gedragingen.

3.14. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gebonden aan een maximum als hierna vermeld.

3.15. Het gevorderde verbod om in de toekomst verdere negatieve uitlatingen te doen omtrent [eiser] zal worden geweigerd. Het gevraagde verbod is vrij algemeen geformuleerd en bovendien staat thans nog onvoldoende vast dat [gedaagde 3] zich opnieuw aan soortgelijke onrechtmatige uitlatingen zou schuldig maken.

3.16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat BN/De Stem niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door het gewraakte citaat te publiceren. Het gewraakte citaat betreft een 100% overgenomen citaat van [gedaagde 3], inhoudende een waardeoordeel c.q. mening van [gedaagde 3] over [eiser]. Vaststaat dat de redacteur van het artikel van [gedaagde 3] toestemming heeft gekregen om tot publicatie van het citaat over te gaan. Door het gebruik van aanhalingstekens kan er geen misverstand over bestaan dat het een citaat betreft. Ook de herkomst van het citaat is in het artikel vermeld. BN/De Stem heeft in de bestreden publicatie op geen enkele wijze dan ook de indruk gewekt het "standpunt" van [gedaagde 3] te delen. Als niet door [eiser] weersproken staat vast dat de redacteur contact heeft gehad met [eiser] voor een reactie op de gewraakte uitlatingen. In het meerbedoelde krantenartikel wordt het gewraakte citaat vervolgd met: "[eiser] liet vorige week in een reactie weten niets meer met TVGazet te maken te hebben. Ik ben daar interim-manager geweest, maar presenteer nu alleen nog maar het programma Brabant en andere zaken." Ook heeft BN/De Stem in door haar gepubliceerde artikelen d.d. 18 en 19 juli 2003 aandacht besteed aan de mening van [eiser]. Voorts is de inhoud van het citaat niet zodanig dat BN/De Stem op grond daarvan had dienen te oordelen dat het citaat niet mocht worden gepubliceerd. De vordering tegen BN/De Stem dient dan ook te worden geweigerd. In het licht van het vorenstaande behoeven de overige door BN/De Stem gevoerde verweren geen bespreking.

4. De kosten.

[gedaagde 3] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser]. Ten aanzien van gedaagden [gedaagde 1], [gedaagde 2] en BN/De Stem dient [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

beveelt gedaagde sub 3 om binnen acht dagen nadat dit vonnis aan hem is betekend opdracht te geven aan de administratie van het dagblad BN/De Stem om voor zijn rekening in de eerstvolgende editie(s) van de bedoelde krant waarin de gewraakte uitspraak was geplaatst, op de eerste pagina van de katern "stad en streek" een advertentie te plaatsen over de breedte van twee kolommen en omkaderd, in een lettertype en lettergrootte dat gelijk is aan het lettertype en de lettergrootte van de overigens op die pagina te publiceren artikelen, met als kop het woord "rectificatie" in een voor een publicatie van dit formaat gebruikelijk lettertype en lettergrootte, met de navolgende inhoud:

"Op 16 juli 2003 verscheen in het dagblad BN/De Stem een artikel met als kop "Redactie: "Directie TVGazet misdadig". Dit artikel bevat de volgende door mij gedane uitlating: "Zeker die laatste, want [eiser] is de firma List en Bedrog in eigen persoon."

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda heeft in zijn vonnis in kort geding d.d. 31 juli 2003 beslist dat deze uitlating onrechtmatig is jegens de heer [eiser]. [eiser] en dat ik mij van deze beschuldiging had behoren te onthouden. Ik beschik immers niet over zodanige gegevens dat deze uitlating gerechtvaardigd is. Daarenboven is mijn uitlating voor betrokkene nodeloos grievend en krenkend. De voorzieningenrechter heeft mij opgedragen deze laatdunkende mededeling in te trekken, aan welke opdracht ik hierbij voldoe.

[gedaagde 3]",

zulks op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag voor iedere dag dat gedaagde sub 3 in gebreke blijft met de nakoming van deze veroordeling, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal € 10.000,= kan worden verbeurd;

bepaalt dat deze dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van de hiervoor gekozen dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

veroordeelt gedaagde sub 3 in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van eiser gevallen tot op heden begroot op € 908,36, waaronder begrepen een bedrag van € 703,36 aan salaris;

weigert de gevraagde voorzieningen ten aanzien van gedaagde sub 1, 2 en 4;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van gedaagde sub 1 gevallen tot op heden begroot op € 439,45, waaronder begrepen een bedrag van € 234,45 aan salaris;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van gedaagde sub 2 gevallen tot op heden begroot op € 439,45, waaronder begrepen een bedrag van € 234,45 aan salaris;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van gedaagde sub 4 gevallen tot op heden begroot op € 908,36, waaronder begrepen een bedrag van € 703,36 aan salaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van woensdag 30 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. J. te Kloese, waarnemend griffier.