Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AH9342

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
08-07-2003
Zaaknummer
265450 AZ 03-464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Servecom verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in een zodanige verandering van omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn dient te worden beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknr. : 265450 AZ 03-464

Gegeven : 26 juni 2003

Typ : RvdK

RECHTBANK BREDA

Sector Kanton - Locatie Bergen op Zoom

B E S C H I K K I N G in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SERVECOM AUTOMATISERING B.V.,

gevestigd te Etten-Leur aan de Ecustraat 9,

verzoekster,

gemachtigde: mr. T. van der Dussen,

tegen

[verweerder], wonende te [adres]

verweerder,

gemachtigde: mr. E.J.L. Mulderink

Partijen worden hierna "Servecom" respectievelijk "[verweerder]" genoemd.

1. Procesgang

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties,

- het verweerschrift met producties,

- het faxbericht van de zijde van Servecom van 6 juni 2003 en de daarbij gevoegde producties,

- de mondelinge behandeling van het verzoek ter terechtzitting van woensdag 11 juni 2003, waarbij de heer R. H. Visser aanwezig was namens Servecom en werd bijgestaan door mr. Van der Dussen en waarbij [verweerder] in persoon aanwezig was en werd bijgestaan door mr. Mulderink.

De inhoud van genoemde stukken, van de daarbij behorende producties en van de door mr. Dussen ter zitting overgelegde pleitaantekeningen geldt hier als ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht wordt hierna, voor zoveel nodig, teruggekomen.

2. Geschil

Servecom verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in een zodanige verandering van omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn dient te worden beëindigd.

[verweerder] voert verweer.

3. Beoordeling

3.1

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken het navolgende vast:

- De thans 32-jarige [verweerder] is sedert 2 januari 1995 in dienst van (de rechtsvoorgangster van) Servecom.

- Laatstelijk was [verweerder] werkzaam als [functie] tegen een -basis-salaris van

€ 2.538,47 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

- Tot haar oprichting op 1 oktober 2000 handelde Servecom onder de naam Roantex; nadien is Servecom opgericht ten behoeve van de (kantoor)automatiseringsvraag en ging Roantex verder als bedrijf dat kantoormeubilair en projectinrichtingen levert.

- De werknemers van beide bedrijven werken onder één dak en de (personeels)administratie wordt door dezelfde afdeling verwerkt.

- [verweerder] is in het jaar 2002 een relatie aangegaan met de bij Roantex werkzame mevrouw [verweerder]-[de vrouw], met wie hij later in dat jaar is gehuwd.

- Tegen [verweerder]-[de vrouw] is door Roantex bij dit kanton eveneens een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend (hier bekend onder zaaknr. 265480 AZ 03-465), welk verzoek

-met instemming van partijen- gelijktijdig mondeling is behandeld met onderhavige zaak; de inhoud van de in het kader van die procedure gewisselde stukken geldt hier als ingelast.

- Begin februari 2003 is door Servecom aan de Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) verzocht haar toestemming te verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder], zulks op bedrijfseconomische gronden.

- [verweerder] is lopende die procedure vrijgesteld van de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden.

- Bij beslissing van 1 april 2003 heeft het CWI haar toestemming onthouden aan het ontslag van [verweerder] wegens het -kort gezegd- onvoldoende aangetoond zijn van een bedrijfseconomische noodzaak tot ontslag.

- Twee dagen nadien, op 3 april 2003, heeft Servecom in een mailing aan haar klanten kenbaar gemaakt dat [verweerder] de organisatie recentelijk had verlaten.

- De periode van non-activiteit duurt tot op heden onafgebroken voort.

3.2

Servecom heeft aan haar verzoek een verstoring van de arbeidsrelatie en disfunctioneren van de zijde van [verweerder] ten grondslag gelegd. In de visie van Servecom heeft [verweerder] door zijn gedrag, tezamen met [verweerder]-[de vrouw], het gezag van de directie ondermijnd, de bedrijfsvoering geschaad en de werksfeer binnen het bedrijf negatief beïnvloed. Daarnaast zijn de prestaties van [verweerder] voor Servecom steeds onderwerp van zorg geweest en heeft [verweerder] door zijn onvoldoende functioneren het bedrijfsresultaat negatief beïnvloed, aldus Servecom. Voorts blijft Servecom, ondanks de afwijzende beslissing van het CWI van mening dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ook op bedrijfseconomische gronden is geïndiceerd.

3.3

[verweerder] heeft zich gemotiveerd verweerd en primair betoogd dat Servecom in haar verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu zij in onderhavige procedure poogt een soort appèl te vinden van de voor haar negatieve beslissing van het CWI. Subsidiair heeft hij geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. In zijn visie is van disfunctioneren van zijn zijde geen sprake, terwijl hij ook overigens de hem gemaakte verwijten betwist. [verweerder] wijst er op dat die verwijten ook niet zijn geuit in de

CWI-procedure.

Indien desondanks wordt gekomen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt hij uiterst subsidiair aan die ontbinding een vergoeding te verbinden van € 86.112,72 bruto.

3.4

Het primaire betoog van [verweerder], strekkende tot niet-onvankelijk verklaring van Servecom in haar verzoek, faalt, nu een ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW ook aanhangig kan worden gemaakt, indien reeds een procedure bij het CWI is gevoerd. Bovendien is het onderhavige verzoek, anders dan de ontslagaanvraag bij het CWI, primair gebaseerd op disfunctioneren en een verstoring van de arbeidsrelatie.

3.5

Voldoende is gebleken, dat beide partijen -uiteindelijk- van oordeel zijn, dat er geen basis meer is voor een vruchtbare samenwerking. Hoewel zij ieder op eigen gronden tot dit oordeel komen, kan reeds op basis van dat oordeel de conclusie niet anders luiden dan dat een situatie is ontstaan, die maakt dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs onafwendbaar is.

3.6

Nagegaan dient te worden of aan de ontbinding een vergoeding dient te worden verbonden en zo ja, van welke omvang die zou moeten zijn. Daartoe is van belang de oorzaak te kunnen aanwijzen van het ontstaan van de situatie die maakt dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs onafwendbaar is.

Waar Servecom meent dat de oorzaak van de ontstane situatie bij [verweerder] ligt, heeft [verweerder] dit gemotiveerd betwist. Servecom heeft het verweer van [verweerder] aangaande het gestelde disfunctioneren, in het kader van deze procedure onvoldoende kunnen ontzenuwen. Het vermeende disfunctioneren is onvoldoende onderbouwd, terwijl bovendien niet -voldoende- is gebleken dat [verweerder] op zijn functioneren is aangesproken -schriftelijke bescheiden dienaangaande ontbreken-, laat staan dat -tijdig- gelegenheid is geboden om in het functioneren verbetering te brengen.

De oorzaak van de ontstane situatie lijkt dan ook niet zozeer gelegen in het gestelde disfunctioneren van [verweerder], maar veeleer in het feit dat tussen [verweerder] en [verweerder]-[de vrouw] lopende de dienstverbanden een affectieve relatie is ontstaan, (het bestaan van) welke relatie, naar voldoende aannemelijk is geworden heeft geleid tot spanningen, tweespalt en een onaangename sfeer op "de werkvloer". Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de -overigens tegenstrijdige- verklaringen van (ex-)werknemers, die door partijen in het geding zijn gebracht, waaruit -wat er verder ook van zij- van een negatieve sfeer blijkt.

Het bestaan van een affectieve relatie op de werkvloer doet in zijn algemeenheid vaak geen goed aan het functioneren op het werk, maar in casu geldt dat temeer nu [verweerder] en [verweerder]-[de vrouw] -naar voldoende is gebleken- beiden deel uitmaken van het leidinggevend team van Servecom en Roantex. Er lijkt daardoor een wederzijds wantrouwen te zijn ontstaan tussen de eigenaar-directeur van beide bedrijven, Visser, enerzijds en [verweerder] en [verweerder]-[de vrouw] anderzijds. Visser heeft kennelijk niet goed geweten hoe daarmee om te gaan, waardoor de standpunten zich hebben verscherpt en een verwijdering is kunnen ontstaan.

Niet is gebleken dat één van partijen hiervan in overwegende mate een verwijt treft, zodat de kantonrechter aanleiding ziet aan de ontbinding een vergoeding te verbinden.

3.7

Aan het vorenstaande doet het door Servecom gevoerde "habe nichts" verweer niet af, nu de gebleken financiële situatie onvoldoende aanleiding geeft om een dergelijk verweer te honoreren. Het verzoek om een betaling in termijnen toe te staan wordt om diezelfde reden eveneens gepasseerd.

3.8

Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding zal, anders dan Servecom wenst, geen rekening worden gehouden met de periode van non-activiteit. Gebleken is dat Servecom [verweerder] begin februari 2003 op non-actief heeft gesteld, dat zij, direct na het bekend worden van de voor haar negatieve uitslag van het CWI, in een mailing aan haar klanten kenbaar heeft gemaakt dat [verweerder] de organisatie heeft verlaten en dat zij kort nadien ook haar website heeft aangepast, in die zin dat zij [verweerder] en [verweerder]-[de vrouw] als personeelsleden heeft "gewist".

Servecom heeft daarmee voor [verweerder] in redelijkheid de pas afgesneden de werkzaamheden te hervatten, althans om -in rechte- een dergelijke hervatting te vorderen, zodat dat thans niet met reden aan [verweerder] kan worden tegengeworpen.

Anderzijds zal geen rekening worden gehouden met de maandelijkse provisie, waarop [verweerder] stelt aanspraak te kunnen maken, nu deze afhankelijk is van de omzet en er al langere tijd geen omzet door [verweerder] wordt gegenereerd.

Ook het (bestaan van een) concurrentiebeding zal niet worden meegenomen in de vergoeding. De kantonrechter heeft, na kennisname van dit beding, partijen in overweging gegeven het beding onderdeel te laten uitmaken van een eventuele regeling tussen partijen. Nu partijen een dergelijke regeling niet hebben bereikt, zal het beding in het kader van deze procedure verder buiten beschouwing worden gelaten.

3.9

Alles tegen elkaar afwegende en in aanmerking nemende gebruikelijke factoren als lengte van het dienstverband en leeftijd van [verweerder] oordeelt de kantonrechter dat een vergoeding van € 22.000,--

bruto billijk is.

3.10

Alvorens de ontbinding met die vergoeding uit te spreken, worden partijen van dat voornemen in kennis gesteld en wordt Servecom een termijn gegund om het verzoek in te trekken.

3.11

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding te bepalen, zowel bij handhaving als bij intrekking van het verzoek, dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 15 juli 2003 onder toekenning aan [verweerder] ten laste van Servecom van de hierboven genoemde vergoeding;

- gunt aan Servecom een termijn tot uiterlijk 11 juli 2003 om het verzoek desgewenst alsnog in te trekken door middel van een schriftelijke verklaring aan de griffier van deze rechtbank, alsmede aan de gemachtigde van de wederpartij.

en voor het geval Servecom haar verzoek handhaaft:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen en wel per 15 juli 2003;

- kent aan [verweerder] ten laste van Servecom toe en veroordeelt Servecom tot betaling aan [verweerder] van een vergoeding van € 22.000,-- (tweeëntwintig duizend euro) bruto;

en zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek:

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beslissing is gegeven te Bergen op Zoom door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 juni 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.