Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AF8365

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-05-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
1290-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 1290-02

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

(naam),

geboren op te

wonende te (woonplaats),

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg opzettelijk (naam) van

het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet,

- met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal (gericht) geschoten, althans

(gericht) een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam van die (naam),

en

(nadat die (naam) met een vuurwapen was neergeschoten/beschoten) (vervolgens)

- opzettelijk nagelaten die (naam) hulp te verlenen en/of

- (vervolgens) opzettelijk nagelaten aan de hulpdienst(en) en/of

opsporingsambtena(a)r(en) te melden dat die (naam) gewond was geraakt en/of

- opzettelijk nagelaten te melden dat die (naam) medische hulp/verzorging

nodig had,

(mede) tengevolge van welk schieten en/of nalaten die (naam) is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling met

strafoplegging mocht leiden

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg grovelijk, althans

aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

(nadat hij, verdachte, (naam) had neergeschoten/beschoten)

(vervolgens) heeft nagelaten die (naam) hulp te verlenen en/of (vervolgens)

heeft nagelaten aan de hulpdienst(en) en/of opsporingsambtena(a)r(en) te

melden dat die (naam) gewond was geraakt,

en/of (vervolgens) heeft nagelaten te melden dat die (naam) medische hulp/

verzorging nodig had,

waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die

(naam) aan de gevolgen van de/het hem, (naam), toegebracht(e) letsel(s) is

overleden;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (naam), althans een

onbekend gebleven persoon, van het leven te beroven, met dat opzet,

met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal (gericht) heeft geschoten,

althans (gericht) een of een aantal kogel(s) heeft afgevuurd op/in het lichaam

van die (naam), althans die onbekend gebleven persoon, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (naam) van het leven te

beroven, met dat opzet genoemde (naam) met kracht tegen diens hoofd heeft

geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (naam),

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde

(naam) met kracht tegen diens hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten (naam)), met kracht tegen diens hoofd heeft geschopt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 28 februari 2002 te Tilburg een of meer wapens van

categorie III, te weten

een pistool (merk Walther, type p38) en/of een hagelgeweer,

en/of munitie van categorie III, te weten

13, althans meerdere patronen (9mm) en/of 63, althans meerdere hagelpatronen

(merk Remington), voorhanden heeft gehad.

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank hetgeen verdachte als feit 1. primair, voor zover het betreft het "nalaten …." en 1. subsidiair en 3. primair is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De officier van justitie verwijt de verdachte onder 1 primair en onder 1 subsidiair dat de dood van de overvaller (naam) (mede) het gevolg is geweest van

a.) het -al dan niet opzettelijk- nalaten aan die (naam) hulp te verlenen,

b.) het vervolgens -al dan niet opzettelijk- nalaten aan de hulpdiensten te melden dat die (naam) gewond was geraakt en/of

c.) het -al dan niet opzettelijk- nalaten aan de opsporingsambtenaren te melden dat die (naam) gewond was geraakt en/of te melden dat die (naam) medische hulp of verzorging nodig had.

De rechtbank acht dit om na te melden redenen niet bewezen.

Ad a.

Het aan de verdachte gemaakte verwijt dat hij heeft nagelaten aan de overvaller (naam) hulp te verlenen is op zichzelf feitelijk juist. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gelet op de aard van het letsel, niet valt in te zien hoe de verdachte het overlijden van (naam) aan diens ernstige inwendige verwondingen had kunnen voorkomen. Tussen dit verweten "nalaten…" en het overlijden van (naam) bestaat onvoldoende causaal verband.

Ad b.

Voor wat betreft het aan de verdachte gemaakte verwijt dat hij heeft nagelaten aan de hulpdiensten te melden dat de overvaller (naam) gewond was geraakt, merkt de rechtbank op dat geen enkele hulpdienst ter plaatse is geweest. Voorts is komen vast te staan dat door de vrouw van verdachte onmiddellijk het alarmnummer was gebeld. Van dit aan verdachte verweten "nalaten…." is derhalve geen sprake geweest.

Ad c.

Met betrekking tot het verwijt dat de verdachte heeft nagelaten aan een of meer opsporingsambtenaren te melden dat de overvaller (naam) gewond was geraakt en heeft nagelaten te melden dat die (naam) medische hulp of verzorging nodig had, wil de rechtbank het navolgende opmerken.

Bij de beoordeling hiervan spelen met name een rol de wetenschap van verdachte dat de overvaller (naam) door het afvuren van kogels gewond was geraakt, het causale verband tussen het nalaten dat te melden en de dood van de overvaller en het nemo tenetur-beginsel en het daaruit voortvloeiende zwijgrecht van verdachte.

Zowel ter terechtzitting als tegenover de politie heeft de verdachte verklaard, dat hij niet wist dat de overvaller (naam) was geraakt door een of meer van de door verdachte op hem afgevuurde kogels. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet aannemelijk.

Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte in het verleden lid is geweest van een schietvereniging en daarom beschikte over een vuurwapen. Hij was derhalve bekend met het gebruik van vuurwapens en had met het afvuren van vuurwapens ervaring opgedaan. Voorts blijkt uit de stukken dat door verdachte op korte afstand, naar schatting ongeveer anderhalve meter, twee of driemaal gericht op de overvaller (naam) is geschoten en dat deze vervolgens ruggelings op de grond terecht is gekomen. (naam) is daarna op de grond blijven liggen en is niet -zoals zijn mededader- de juwelierszaak uitgevlucht. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de op de grond liggende (naam) heeft horen zeggen "Hospitaal". Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte, ondanks dat een verwonding uiterlijk moeilijk waarneembaar was, op grond van voornoemde omstandigheden hebben geweten dat hij de overvaller (naam) had neergeschoten.

Uit het sectierapport van de patholoog (naam) blijkt dat de door het schieten aan (naam) toegebrachte verwondingen hebben geleid tot diens dood. De vraag of tijdig medisch ingrijpen de dood van (naam) had kunnen voorkomen, is door de patholoog niet beantwoord. Om antwoord te krijgen op die vraag heeft de rijksrecherche zich ten behoeve van het naar het handelen van de ter plaatse aanwezige politieambtenaren ingestelde onderzoek, gewend tot de chirurg (naam). Uit het schriftelijke antwoord van de chirurg (naam) blijkt dat er sterke aanwijzingen zijn dat (naam) is overleden aan de gevolgen van een spanningspneumothorax, wat inhoudt dat door een collaps van een deel van de linkerlong de zuurstofuitwisseling in die long verminderde. Volgens de chirurg moet deze situatie zich snel hebben verergerd doordat niet alleen de ingeklapte long, maar tevens het hart en de rechterlong van (naam) werden weggedrukt.

Geconcludeerd wordt: "… Los van de door mij genoemde aannames is een behandeling van een schotwond door de schouder en linkerlong met als gevolg een inklappen van die long met bloedverlies in de linker borstholte, een medisch goed te behandelen aandoening. Over het algemeen volstaat het aanbrengen van een drainagesysteem in de borstholte en het eventueel toedienen van bloed danwel vocht om de bloeddruk adequaat op peil te houden. Gezien het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen is er in het door u (lees: de Rijksrecherche) geschetste beeld voldoende tijd om de patiënt tijdig naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis te vervoeren.

Wel ga ik hier dan volstrekt voorbij aan het feit dat de verwoning niet eenvoudig te onderkennen was en het klinische beeld van de patiënt gedurende lange tijd geen aanleiding gaf om te denken dat hij ernstig danwel levensgevaarlijk gewond was. …."

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat naast het door het schieten opgelopen letsel ook het uitblijven van een adequate medische behandeling heeft geleid tot de dood van (naam).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de beslissing om (naam) niet naar het ziekenhuis over te brengen, maar af te voeren naar het politiebureau is genomen door de ter plaatse aanwezige politieambtenaren. Zij hadden (naam) aangetroffen liggend op de grond en onder schot gehouden door verdachte. Zij hadden (naam) bij herhaling en ondubbelzinnig horen klagen over benauwdheid en pijn en hem horen zeggen naar het ziekenhuis te willen voor behandeling, maar zij namen die klachten en dat verzoek kennelijk niet serieus en hielden het ervoor dat (naam) onwillig was mee te gaan naar het politiebureau. Ook de omstandigheid dat (naam) niet kon of wilde lopen, waardoor zij hem moesten slepen en in het dienstvoertuig moesten leggen, bracht hen niet op andere gedachten.

Terwijl er was gemeld dat er was geschoten, hebben de politieambtenaren (namen), zonder hem ter plaatse aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, overgebracht naar het politiebureau.

De officier van justitie is van oordeel dat de beslissing van de betreffende politieambtenaren om de overvaller niet voor medische behandeling naar het ziekenhuis over te brengen mede het gevolg is geweest van de omstandigheid dat de verdachte niet aan de opsporingsambtenaren ter plaatse heeft gemeld dat (naam) gewond was geraakt. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, mits de mededeling van verdachte zwaarwichtig genoeg was geweest, het aannemelijk is dat de betreffende politieambtenaren anders hadden gereageerd op het verzoek en de klachten van (naam). Door onvermeld te laten dat er was geschoten, dat (naam) daarbij was geraakt en dat hij medische verzorging nodig had, heeft de verdachte bijgedragen aan het uitblijven van tijdig medisch ingrijpen, met welk ingrijpen de dood van (naam) wellicht had kunnen worden voorkomen.

Dit brengt de rechtbank bij de vraag of op verdachte de plicht rustte aan de politieambtenaren voormelde mededeling te doen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op verdachte onder de gegeven omstandigheden in ieder geval de morele verplichting rustte mede te delen dat er was geschoten, dat (naam) daarbij was geraakt en dat hij medische verzorging nodig had. Door die mededeling had wellicht de dood van (naam) kunnen worden voorkomen. Buiten twijfel moet staan dat elk mensenleven telt; ook dat van een gewapende overvaller.

Het antwoord op de vraag of op de verdachte ook de rechtsplicht rustte voormelde mededeling te doen, is veel moeilijker te geven. Het nemo tenetur-beginsel brengt met zich dat niemand actief aan zijn proces hoeft mee te werken of een bijdrage aan zijn eigen veroordeling hoeft te leveren. Het zwijgrecht is een uitwerking van dat beginsel. Nu (naam verdachte) twee overvallers had beschoten met een vuurwapen waarvoor hij geen vergunning bezat, kon hij zichzelf beschouwen als verdachte. Hem kwam derhalve het recht toe te zwijgen over hetgeen was voorgevallen.

De officier van justitie heeft het zwijgrecht afgezet tegen het recht op leven van (naam) en daarbij kennelijk geoordeeld dat aan de verdachte slechts een relatief en beperkt zwijgrecht toekwam. Uit de literatuur blijkt evenwel dat het zwijgrecht als zodanig absoluut is: er zijn geen feiten of omstandigheden op grond waarvan hierop een uitzondering wordt gemaakt. Op de verdachte rustte derhalve niet de rechtsplicht enige mededeling te doen omtrent hetgeen was voorgevallen; ook niet de mededeling dat de overvaller gewond was geraakt. (naam) mocht zich immers als verdachte beschouwen ook al was hij nog niet als zodanig door de betreffende politieambtenaren aangemerkt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, hoe moreel verwerpelijk dat ook moge zijn, de verdachte niet aan de ter plaatse aanwezige politieambtenaren hoefde te zeggen dat er was geschoten waarbij (naam) gewond was geraakt.

Nu de verdachte mocht nalaten voormelde mededeling te doen, kan hem ter zake geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Ten aanzien van feit 3. primair.

Hetgeen verdachte als feit 3. primair ten laste is gelegd acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, waarbij de rechtbank het volgende overweegt.

Vast staat dat verdachte het slachtoffer (naam) eenmaal met kracht een trap tegen het hoofd heeft gegeven, nadat deze door hem was neergeschoten. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van de verbalisanten (namen).

Voor het aannemen van opzet tot het doden van iemand -ook in de voorwaardelijke variant-, zal in het algemeen één trap, ook al is het een flinke, tegen het hoofd onvoldoende zijn. Uit het eenmalig trappen met geschoeide voet tegen het hoofd van (naam), kan de rechtbank de opzet van verdachte tot het doden van (naam) niet afleiden, zodat verdachte van poging doodslag dient te worden vrijgesproken.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1. primair

op 28 februari 2002 te Tilburg opzettelijk (naam) van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet,

- met een vuurwapen meermalen gericht geschoten, op het lichaam van die (naam),

tengevolge van welk schieten die (naam) is overleden;

2.

op 28 februari 2002 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (naam) van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen meermalen, gericht heeft geschoten, op het lichaam van die (naam), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. subsidiair

op 28 februari 2002 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (naam), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde (naam) met kracht tegen diens hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

op 28 februari 2002 te Tilburg wapens van categorie III, te weten

een pistool merk Walther, type p38 en een hagelgeweer,

en munitie van categorie III, te weten

13 patronen 9mm en 63 hagelpatronen

merk Remington, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 primair, onder 2, onder 3 subsidiair en onder 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Ten aanzien van hetgeen hiervoor onder 1. primair is bewezen verklaard overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij meerdere kogels heeft afgevuurd op het lichaam van (naam). Uit het hiervoor aangehaalde sectieverslag van patholoog (naam) blijkt dat sprake is van een inschotverwonding links op de schouder met een schotkanaal naar voren, naar beneden en naar rechts verlopend, waarbij perforaties van de linkerlong en de wervelkolom zijn opgetreden. Deze letsels ten gevolge van de schotverwonding hebben de dood tot gevolg gehad door orgaanbeschadiging en groot inwendig bloedverlies.

Ten aanzien van feit 3. subsidiair.

Hierbij overweegt de rechtbank dat de verbalisanten (namen) verklaard hebben gezien te hebben dat verdachte met zijn rechtervoet tegen het hoofd van (naam) heeft getrapt. Beide verbalisanten hoorden dat (naam) werd geraakt; zij zagen dat het hoofd naar achteren bewoog, waarbij het hoofd een ruime beweging maakte.

De rechtbank is van oordeel nu er sprake is van eenmalig schoppen met kracht tegen het hoofd, dit in casu een poging tot zware mishandeling oplevert.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

ten aanzie van feit 1. primair:

doodslag;

ten aanzien van feit 2.:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 3. subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 4.:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid onder a, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

9.1 De overwegingen met betrekking tot het aangevoerde noodweer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer, uitsluitend voor zover het betreft het schieten van verdachte op (naam) en (naam).

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte inderdaad ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat ook in haar optiek sprake is van noodweer ten aanzien van het schieten op beide overvallers.

In het kader van de beoordeling van het noodweerverweer acht de rechtbank navolgende omstandigheden van belang.

De feiten hebben zich voorgedaan in een periode waarin met name juweliers steeds vaker slachtoffer werden van overvallen waarbij grof geweld werd gepleegd. Recentelijk zijn bij overvallen op juweliers slachtoffers gevallen waarbij zelfs doden te betreuren zijn geweest.

Niet alleen verdachte maar de gehele juweliersbranche heeft zich hiermee geconfronteerd gezien. Hierdoor heeft die branche voor zichzelf steeds hogere eisen moeten stellen aan haar veiligheidsmaatregelen. Vaak zijn juwelierszaken niet meer vrij toegankelijk voor publiek en wordt de klant pas na aanbellen toegelaten. De toegang, de etalages en vitrines zijn beveiligd moeten worden middels dik veiligheidsglas en veelal wordt beveiligingspersoneel ingehuurd.

Deze ontwikkeling heeft bij juweliers geleid tot een toenemende angst voor gewelddadige overvallen en voorts tot bezorgdheid over de veiligheid van het in die branche werkzame personeel en de cliëntèle.

Met nadruk wijst de rechtbank er op dat de onderhavige zaak op zijn eigen merites beoordeeld wordt waarbij de te leggen grens tussen noodzakelijke zelfverdediging en verbod van eigenrichting afhankelijk is van de specifieke feiten en omstandigheden die zich in deze zaak hebben voorgedaan.

Ten aanzien van het schieten op (naam) en (naam) overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de voorhanden zijnde stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Vast staat dat verdachte in het verleden al eerder slachtoffer is geweest van een overval op zijn juwelierszaak.

Op 28 februari 2002 omstreeks 11.45 uur, waren in het winkelgedeelte van de zaak aanwezig twee verkopers. Voorts waren in het winkelgedeelte aanwezig twee medewerkers van een met onderhoudswerkzaamheden belaste firma.

Verdachte en zijn echtgenote bevonden zich omstreeks dat tijdstip op de eerste verdieping in gezelschap van een bevriend echtpaar. Zij zaten gevieren rond een bureau. In de nabijheid van dat bureau bevond zich een monitor waarop negen videobeelden te zien waren van camera-opnamen van de zaak. Verdachte had op dat moment, naar hij zelf heeft verklaard, geen zicht op de monitor omdat hem het zicht werd ontnomen door zijn echtgenote.

Verdachte hoorde zijn vrouw een angstkreet slaken. Omstreeks 11.45 uur slaakte de echtgenote van verdachte naar aanleiding van haar waarnemingen op de video-beelden op zo'n indringende wijze een kreet, dat verdachte daar onmiddellijk de conclusie aan verbond dat het om iets ernstigs zou moeten gaan. Zonder vervolgens te kijken op de monitor en zonder nader te informeren wat er aan de hand was, is verdachte naar de kluis gerend, die zich op een afstand van ongeveer 23 meter bevond van de plaats waar verdachte was gezeten. In de kluis aangekomen heeft verdachte een foedraal met daarin het pistool gepakt. Uit de kluis rennend heeft verdachte het pistool uit het foedraal gehaald waarna hij het pistool vervolgens heeft doorgeladen. Deze feiten hebben zich voorgedaan in een tijdsbestek van ongeveer een halve minuut.

Inmiddels werden de vier personen in het winkelgedeelte onder dreiging van een vuurwapen door de overvallers gedwongen op de grond te gaan liggen. Nadat zij op de grond lagen hebben beide overvallers met een hamer de ruiten van vitrinekasten kapotgeslagen, waarna zij sieraden in hun tassen zijn gaan stoppen.

Verdachte is vervolgens naar het portaal gerend waar de trap van de begane grond naar de eerste verdieping op uit komt. Op het portaal is verdachte de goudsmid tegengekomen en hij begreep uit diens woorden dat het om een gewapende overval ging.

Verdachte heeft vervolgens de veiligheidspal van zijn wapen afgehaald en is via de trap naar beneden gegaan. Verdachte wist dat er op dat moment in het winkelgedeelte buiten de overvallers vier personen aanwezig waren.

Het vermoeden van verdachte dat er op dat moment sprake was van een gewapende overval werd bevestigd door het feit dat hij, op het moment dat hij bijna beneden was, twee overvallers zag staan. Eén van hen stond bij een vitrine aan de kant van de Willem-II straat, met de rug naar verdachte toe ((naam)). De andere overvaller, waarvan verdachte zag dat deze een vuurwapen naar de grond gericht had, stond bij de Chopard-zuil, welke zuil tegen de zijde van de trap bevond ((naam)).

Verdachte heeft vervolgens, staand op de trap, op een afstand van ongeveer anderhalve meter, twee of drie keer op (naam) geschoten, waarna hij nog twee keer op de overvaller (naam) heeft geschoten op het moment dat deze zich juist omdraaide.

Van deze feiten en omstandigheden, zoals deze blijken uit de diverse verklaringen van verdachte en getuigen, gaat de rechtbank bij haar beoordeling uit.

De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de hiervoor geschetste algemene omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan in de juweliersbranche en met name gelet op de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, gebruik van het wapen door verdachte geboden was voor de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf. Immers voor de in de juwelierszaak aanwezige personen was sprake van een levensbedreigende situatie; onder dreiging van een vuurwapen moesten zij op de grond gaan liggen en blijven liggen. De rechtbank is van oordeel dat, zolang sprake is geweest van die levensbedreigende situatie voor het aanwezige personeel, voor verdachte een noodweersituatie heeft bestaan.

Met de verdediging en het Openbaar Ministerie is de rechtbank dan ook van oordeel dat ten aanzien van (naam) sprake is van noodweer.

Ten aanzien van de tweede overvaller, (naam), overweegt de rechtbank het volgende.

Nadat verdachte (naam) had neergeschoten, heeft hij vervolgens op (naam) geschoten. (naam) stond op dat moment nog met zijn rug naar verdachte toe.

Verdachte kon op dat moment zelf niet waarnemen of deze (naam) zelf een wapen in zijn handen had, maar mocht daar wel van uitgaan.

Gebruik van het vuurwapen door verdachte tegen (naam) was dan ook geboden voor de noodzakelijke verdediging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zowel ten aanzien van (naam) als ten aanzien van (naam) daarbij de grenzen van noodzakelijke verdediging niet heeft overschreden.

Hieraan doet niet af dat verdachte geen vergunning had voor het bezit van een vuurwapen.

Bij de beoordeling van de situatie als hierboven weergegeven, speelt geen rol of verdachte al dan niet een wapen voorhanden mocht hebben. Ons strafrechtelijk systeem beoordeelt het verboden wapenbezit als een afzonderlijk ernstig strafbaar feit (op de tenlastelegging vermeld onder feit 4.).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet geoordeeld worden dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer ten aanzien van het schieten op beide overvallers.

In zoverre dient verdachte dan ook terzake van feit 1. primair en feit 2. te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Ten aanzien van feit 3. heeft de verdediging een beroep gedaan op extensief noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de emoties van verdachte van dien aard waren dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door die eerdere wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Nadat de verdachte de ene overvaller had ontwapend en onder schot had en de andere overvaller was gevlucht, was de acute levensbedreigende situatie beëindigd. Nadat de politie de zaak had overgenomen bestond er in het geheel geen dreiging meer. De verdachte heeft desondanks de overvaller daarna in het gezicht geschopt. Dat hij dit gedaan zou hebben in een hevige gemoedsbeweging acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het gehele optreden van de verdachte tot dan toe werd gekenmerkt door uiterst koelbloedig optreden. Van hevige emoties is niet gebleken. Bij verdachte zal weliswaar sprake zijn geweest van een ontlading, doch dit kan de schop tegen het hoofd niet rechtvaardigen.

Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van feit 3. een beroep gedaan op psychische overmacht. Daartoe is aangevoerd dat verdachte op het moment dat hij trapte geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet anders kon handelen dan hij deed. De verdediging stelt zich daarbij op het standpunt dat sprake was van een onvoorziene toestand van emotionele ontremming, een explosieve reactie, veroorzaakt door een van buiten komende gebeurtenis.

De rechtbank is uit de voorhanden zijnde stukken gebleken, met name uit de verklaring van de goudsmid, dat verdachte, nadat hij het vuurwapen van (naam) had afgenomen, naar hem is toegelopen en hem zijn eigen wapen heeft gegeven om dit op te bergen. Het afgeven van het wapen aan de goudsmid ziet de rechtbank als een berekende rationele gedraging waaruit afgeleid moet worden dat bij verdachte op het daarop volgende moment van schoppen geen sprake was van een zodanige hevige gemoedsbeweging dat verdachte daartegen geen weerstand kon bieden. Ook dit verweer dient derhalve verworpen te worden.

Meer subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van feit 3. een beroep gedaan op de ongeschreven strafuitsluitingsgrond "afwezigheid van alle schuld". Daartoe is aangevoerd dat verdachte tijdens het schoppen van (naam) verkeerde in een onvoorziene toestand van emotionele ontremming, waardoor vrijheid van wilsbepaling tijdelijk uitgesloten was. De verdediging stelt zich op het standpunt dat schuld in de zin van verwijtbaarheid in dit geval dan ook uitgesloten is.

Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Bewezen verklaard is dat verdachte, kort gezegd, opzettelijk (naam) tegen het hoofd heeft geschopt. Het verweer van de verdediging dient gelet op de bewezenverklaring te worden verstaan als een bewijsverweer en kan derhalve niet opgevat worden als een verweer de strafbaarheid van verdachte betreffend.

Ten aanzien van dit bewijsverweer volstaat de rechtbank met een verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 8.2 is overwogen.

Gelet op al het vorenstaande is verdachte strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

De officier van justitie heeft -onder meer- gevorderd de verdachte te veroordelen tot twee jaar gevangenisstraf voor de hem onder 1 primair, onder 3 primair en onder 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een geslaagd beroep op noodweer ter zake van het onder 1 primair ten aanzien van het schieten en het onder 2 ten laste gelegde.

De verdediging heeft verzocht de verdachte niet te veroordelen ter zake van het hem onder 1 primair en subsidiair, onder 2 en onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel gecombineerd met een geldboete, dan wel een taakstraf.

Zoals gezegd zagen juweliers zich genoodzaakt tot kostbare en klantonvriendelijke maatregelen om zich tegen overvallers te verweren. Ook de verdachte had een aantal ingrijpende en kostbare maatregelen genomen, maar die hebben niet kunnen voorkomen dat twee overvallers met behulp van een handlanger op 28 februari 2002 zijn juwelierszaak zijn binnengedrongen en de aldaar aanwezige personen in een levensbedreigende situatie hebben gebracht.

De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij heeft gehandeld ten behoeve van de veiligheid en bescherming van de in zijn winkel aanwezige personen. Hij heeft daartoe een pistool gepakt en heeft kennelijk zonder enige aarzeling met dat pistool geschoten op de beide overvallers.

Deze reactie van verdachte mag op het eerste gezicht prijzenswaardig lijken, zij is dat in feite niet. Immers, niet alleen heeft de verdachte daardoor de in zijn zaak aanwezige mensen en zichzelf aan nog meer levensbedreigend geweld blootgesteld, doch ook is hij daarbij voorbijgegaan aan de zeker niet denkbeeldige mogelijkheid dat de één of beide overvallers om zich heen waren gaan schieten, waardoor er nog meer slachtoffers te betreuren waren geweest. De rechtbank hecht er dan ook op te merken dat dit optreden van verdachte geen navolging verdient.

De rechtbank heeft bewezen geacht dat de verdachte de door hem neergeschoten en gewond op de grond liggende overvaller in het gezicht heeft geschopt. Dit heeft de verdachte gedaan op het moment dat de politie in zijn zaak aanwezig was en de situatie volledig onder controle had. Naar de reden van dit handelen kan de rechtbank slechts gissen, nu de verdachte heeft verklaard zich het schoppen niet te kunnen herinneren. In ieder geval keurt de rechtbank dergelijk onbeheerst gewelddadig optreden tegen een door de politie aangehouden persoon ten zeerste af. Met name ook nu gebleken is dat de verdachte reeds dodelijk letsel aan de overvaller had toegebracht en deze op dat moment hulpeloos was en veel pijn moet hebben gehad.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het illegale bezit van een pistool en een hagelgeweer en voor die vuurwapens geschikte munitie. Uit het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte die wapens niet voorhanden had uit liefhebberij, maar omdat hij deze wapens in geval van een overval of ander misdrijf wilde gebruiken om zijn zaak, personeel en klanten te beschermen. Dat het bezit van vuurwapens met dit oogmerk verboden was, wist de verdachte. In het verleden was hij immers na een inbraakalarm bewapend in zijn zaak door de politie aangetroffen. Ten gevolge van dat feit raakte hij zijn wapenvergunning kwijt en werd zijn vuurwapen hem afgenomen. Noch dat feit, noch de omstandigheid dat de brancheorganisatie zijn leden ten zeerste afraadde zich te bewapenen om overvallers af te schrikken, hebben de verdachte er van kunnen weerhouden wederom een voor gebruik gereed pistool in zijn zaak voorhanden te hebben. Dit met alle desastreuze gevolgen van dien.

Vanwege de gevaarzetting van vuurwapens dient streng tegen het illegale bezit ervan te worden opgetreden. Met name dient te worden voorkomen dat mensen uit angst voor overvallen, inbraken of andere misdrijven zich gaan bewapenen om verzet te kunnen bieden. Zoals de onderhavige strafzaak aantoont, kan dergelijk ongecontroleerd wapenbezit te gemakkelijk leiden tot incidenten met dodelijke afloop. De samenleving is daarmee niet gediend. Bovendien zal een beroep op noodweer -als in deze situatie gedaan- zelden met succes kunnen worden ingeroepen omdat het slagen daarvan van zeer veel omstandigheden afhankelijk is.

Blijkens het rapport van de psychiater (naam) van 9 juni 2002 is er bij verdachte geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het bewezen verklaarde kan hem volledig worden toegerekend.

Het hele voorval zal verdachte niet onaangeroerd hebben gelaten. Een en ander zal onmiskenbaar zijn invloed hebben gehad binnen het gezin van verdachte en op zijn zakelijke vooruitzichten.

Alles tegen elkaar afwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een taakstraf van na te melden duur. De rechtbank zal voorts aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om herhaling van het bewezen verklaarde in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. De rechtbank hoopt daarmee met name te voorkomen dat de verdachte uit een oogpunt van verdediging wederom vuurwapens of andere wapens zal aanschaffen.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

De volgende onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

- 1 wapen, merk Walther, type p38

- 63 (totaal) hagelpatronen

- 13 (totaal) patronen (waaronder 1 kogelpunt)

- 1 hagelgeweer,

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de bewezen verklaarde feiten onder 4. zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen. Voorts zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De overige onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 4 hulzen

zijn eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Voorts behoren deze voorwerpen aan verdachte toe en zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

13 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij (naam), (adres), heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van

€ 5.868,30 terzake van hetgeen hiervoor onder 1. primair is bewezen verklaard. De vordering van de benadeelde partij (naam) is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

14 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 36d, 45, 57, 91, 287 en 302 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

15 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair voorzover het betreft "het nalaten….", 1 subsidiair en onder 3. primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair, 2., 3. subsidiair en 4. meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart het onder 1. primair en onder 2. bewezen verklaarde niet te zijn strafbare feiten en zij ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar voor hetgeen onder 3. subsidiair en 4. is bewezen verklaard.

Zij veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende tweehonderd (200) uren, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, te vervangen door eenhonderd (100) dagen vervangende hechtenis.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden.

Zij beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Zij verklaart aan het verkeer onttrokken de onder 12 omschreven voorwerpen.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij (naam) niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Zij veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, begroot op nihil.(BP.16)

Zij gelast de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Walstock-Krens en mr. Vos, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van den Goorbergh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 mei 2003.