Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AF6777

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
117267 / KG ZA 03-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

117267 / KG ZA 03-84 RECHTBANK BREDA

2 april 2003 Sector handelsrecht

Voorzieningenrechter

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de rechtspersoon

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

e i s e r e s ,

procureur: mr. M.C. de Regt,

advocaat: mr. D. Nobel te 's-Gravenhage,

t e g e n :

1. [gedaagde],

2. [gedaagde],

beide verblijvende te Tilburg,

g e d a a g d e n ,

verschenen in persoon.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding d.d. 13 februari 2003;

- de pleitnota en producties van mr. Nobel.

Partijen hebben ter zitting van 19 maart 2003 hun stellingen nader toegelicht. Bij brief van 26 maart 2003 heeft mr. Nobel jurisprudentie ingezonden, zulks ter voldoening aan het ter zitting gedane verzoek van de voorzieningenrechter.

2. Het geschil.

Eiseres, verder te noemen: COA, vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden te veroordelen het AZC Tilburg te Tilburg binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met het al het hunne en de hunnen, met machtiging van het COA om dit vonnis, na betekening, ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien gedaagden aan deze veroordeling niet voldoen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

Gedaagden, verder te noemen: [gedaagde] en [gedaagde], hebben de vordering bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de over-gelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- [gedaagde] en [gedaagde], echtelieden, zijn afkomstig uit voormalig Joegoslavië. Met hun twee minderjarige kinderen hebben zij in Nederland asiel gezocht. Zij verblijven thans met hun kinderen in het AZC Tilburg.

- Aan [gedaagde] en [gedaagde] is per 12 september 2002 een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd verleend.

- Naar aanleiding van de toekenning van een verblijfsvergunning heeft het COA aan [gedaagde] en [gedaagde] het zogenaamde Infoblad A-status en VTV toegezonden, waarin onder meer wordt uiteengezet dat het COA hen eenmalig een woning zal aanbieden. In dat kader wordt onder meer gesteld: "Voor het COA is het belangrijk om u snel aan woonruimte te helpen, want uw plaats in het centrum moet vrijgemaakt worden voor een andere asielzoeker. Woonruimte die aangeboden wordt is passend. Passende huisvesting mag niet worden geweigerd. Weigert u toch dan zullen de verstrekkingen in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) worden beëindigd en dient u het centrum te verlaten op de dag dat deze passende huisvesting kon worden gerealiseerd." alsmede "Op het moment dat het COA u een woning aanbiedt, dan moet u die accepteren."

- Bij brief van 23 september 2002 heeft de gemeente Best [gedaagde] en [gedaagde] uitgenodigd voor een bezichtiging van een woning in die gemeente op 11 december 2002.

- Op 23 oktober 2002 zijn [gedaagde] en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een zogenaamd Bijlage 6-formulier in te (laten) vullen, waarin wordt gevraagd naar medische of sociale indicaties voor huisvesting in een bepaalde gemeente. Op basis van de door [gedaagde] en [gedaagde] gegeven informatie heeft het COA voor hun een indicatie aangenomen voor de gemeente Tilburg.

- Op 11 december 2002 hebben [gedaagde] en [gedaagde] de aangeboden woning in de gemeente Best bezichtigd. Zij hebben besloten om de woning te weigeren.

- Naar aanleiding van de weigering van voornoemde woning heeft op 11 december 2002 een gesprek plaatsgevonden met [gedaagde] en [gedaagde], zulks aan de hand van een vragenformulier. Op vraag 5 (Is het betrokkene duidelijk dat het COA betrokkene een woonruimte heeft aangeboden op grond van de door betrokkene opgegeven informatie op bijlage 6?) hebben zij ontkennend geantwoord. Als redenen voor de weigering hebben zij opgegeven: vanwege de probleemsituaties in het land van herkomst kunnen zij niet in een dorp wonen, de kinderen gaan al langere tijd naar school in Tilburg en [gedaagde] is in behandeling bij het maatschappelijk werk in Tilburg.

- Bij brief van 27 januari 2003 heeft het COA aan [gedaagde] en [gedaagde] medegedeeld dat het COA de aangeboden woonruimte in Best wel passend voor hen acht omdat deze woonruimte is gelegen binnen een straal van 50 km van de gemeente Tilburg, voor welke gemeente zij een indicatie hebben, dat naar aanleiding van de door hen aangevoerde argumenten geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot heroverweging van de aangeboden woning moeten leiden en dat de verstrekkingen krachtens de Rva per die datum worden beëindigd, hetgeen onder meer betekent dat zij het AZC te Tilburg onmiddellijk dienen te verlaten.

- Bij aangetekende brief van 5 februari 2003 heeft de raadsvrouw van het COA [gedaagde] en [gedaagde] gesommeerd om het AZC Tilburg binnen drie dagen te verlaten. Aan deze sommatie hebben [gedaagde] en [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3.2

De vordering van het COA is gebaseerd op de stelling dat, nu daadwerkelijk passende woonruimte voor [gedaagde] en [gedaagde] gerealiseerd kon worden en zij die woonruimte hebben geweigerd, de opvang in het AZC op grond van artikel 8 lid 1 sub a Rva 1997 in ieder geval per 27 januari 2003 is beëindigd, zodat gedaagden zich per die datum zonder recht of titel in het AZC bevinden en daarmee onrechtmatig handelen jegens het COA.

3.3

Tegen de vordering hebben [gedaagde] en [gedaagde] zich verweerd met de navolgende stellingen. Aangezien reeds in september 2002 een woning voor hen was gevonden, was het invullen van het bijlage 6-formulier in oktober 2002 nog maar een formaliteit. De aangeboden woning in Best is een appartement op de derde verdieping. Andere families kregen tot nu toe een eengezinswoning. Dat was de eerste reden om de aangeboden woning te weigeren. In de tweede plaats krijgen de kinderen medische begeleiding van het TweeStedenziekenhuis in Tilburg. In de derde plaats moest hun dochter in februari 2003 een Cito-toets doen in groep 8, maar voor die datum moesten zij al ontruimen. Tot slot achten [gedaagde] en [gedaagde] het om medische en sociale redenen nodig dat hun kinderen in Tilburg kunnen blijven.

3.4

De beëindiging van de opvang van [gedaagde] en [gedaagde] door het COA in het AZC te Tilburg is gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder a van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997, ingevolge welke bepaling de opvang en andere verstrekkingen eindigen indien op de asielaanvraag inwilligend is beslist, zulks op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten een centrum kan worden gerealiseerd. Uit de redactie van deze bepaling volgt dat aan het COA een discretionaire bevoegdheid toekomt om te bepalen wat moet worden begrepen onder passende huisvesting. Deze discretionaire bevoegdheid kan de rechter slechts terughoudend toetsen.

3.5

Aan haar discretionaire bevoegdheid heeft het COA invulling gegeven middels het beleid dat is weergegeven in het ook door [gedaagde] en [gedaagde] ontvangen Infoblad A-status en VTV. Dat beleid neemt als uitgangspunt dat in beginsel een voor de gezinssamenstelling passende huisvesting op elke plaats in Nederland kan worden aangeboden en dat, in het geval er rekening moet worden gehouden met een medische of sociale indicatie, men in de geïndiceerde gemeente of binnen een straal van 50 km van deze gemeente een aangeboden woning dient te aanvaarden. Dit beleid wordt door de bestuursrechter niet onjuist of onredelijk geacht, bij welk standpunt de voorzieningenrechter zich zal aansluiten.

3.6

De door [gedaagde] en [gedaagde] op 11 december 2002 en de ter zitting aangevoerde argumenten om de hen aangeboden woning in Best te weigeren, zijn voor een deel nieuw, in die zin dat deze argumenten niet zijn vermeld op het in oktober 2002 ingevulde bijlage 6-formulier, hetgeen het geëigende moment was om deze argumenten aan te voeren. Gelet op het feit dat het COA blijkbaar is uitgegaan van het bestaan van een indicatie voor de gemeente Tilburg, zijn de argumenten die ertoe strekken dat het gezin in Tilburg moet wonen, in het kader van voornoemd beleid niet relevant. Aangenomen moet worden dat deze argumenten ook niet zodanig klemmen dat zij het COA aanleiding zou moeten geven om van het beleid af te wijken. Op de mogelijkheid dat hen een appartement in plaats van een eengezinswoning zou kunnen worden toegewezen, waren [gedaagde] en [gedaagde] blijkbaar niet bedacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter onvoldoende gebleken dat een appartement met voldoende kamers niet passend zou zijn voor het gezin van [gedaagde] en [gedaagde]. Overigens is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] en [gedaagde] beroep hebben aangetekend tegen de op 27 januari 2003 aan hen medegedeelde beëindiging van de verstrekkingen, zodat van de formele rechtskracht van de beëindiging van die verstrekkingen moet worden uitgegaan. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat [gedaagde] en [gedaagde] thans zonder recht of titel in het AZC te Tilburg verblijven.

3.7

Voor toewijzing van een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening bestaat slechts aanleiding indien zulks na afweging van de betrokken belangen voldoende wordt gerechtvaardigd. Gelet op de wijze waarop het COA in dit geval uitvoering heeft gegeven aan haar voornoemd beleid, ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding om de gevorderde ontruiming, als sluitstuk van de beëindiging van de door het COA verzorgde opvang, toe te wijzen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.8

Voornoemd beleid van het COA gaat uit van de premisse dat de aan de asielzoeker aangeboden woonruimte passend is, mede omdat in dat verband rekening wordt gehouden met een voor die asielzoeker geldende indicatie. Deze premisse suggereert dat door het COA bij de woningtoewijzing zorgvuldig wordt gehandeld en dat wordt gezocht op basis van zo'n indicatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een zorgvuldige uitvoering van voornoemd beleid met zich dat allereerst door het COA wordt onderzocht of ten aanzien van een asielzoeker een indicatie voor een bepaalde gemeente bestaat, dat in dat onderzoek alle door de asielzoeker aangevoerde argumenten worden gewogen, dat vervolgens door het COA eerst in de geïndiceerde gemeente wordt gezocht naar passende woonruimte en dat pas bij gebreke van een passende woning in de geïndiceerde gemeente wordt gezocht naar passende woonruimte in een gemeente die is gelegen binnen een straal van 50 km van de geïndiceerde gemeente.

3.9

In de praktijk van het onderhavige geval blijkt echter dat het COA voor [gedaagde] en [gedaagde] eerst woonruimte in een willekeurige gemeente heeft gereserveerd en dat pas daarna onderzoek is gedaan naar een mogelijke indicatie voor een bepaalde gemeente. In het kader van dat onderzoek heeft het COA een indicatie geaccepteerd voor de gemeente Tilburg. Ter zitting is namens het COA toegegeven dat in dit geval niet is gezocht in de gemeente Tilburg. Dat de door het COA in de gemeente Best gevonden woning gelegen is binnen een straal van 50 km van de geïndiceerde gemeente Tilburg, berust geheel op toeval. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het COA met deze aanpak van de woningtoewijzing op basis van de door haar geaccepteerde indicatie voor de gemeente Tilburg jegens [gedaagde] en [gedaagde] onzorgvuldig gehandeld. Voorzover het COA had willen aanvoeren dat het grote aantal woningzoekende asielzoekers een andere aanpak in de weg staat, merkt de voorzieningenrechter op dat zulks nog niet kan rechtvaardigen dat op onzorgvuldige wijze met geaccepteerde indicaties wordt omgesprongen.

3.10

Ondanks voornoemde onzorgvuldige handelwijze ziet de voorzieningenrechter toch aanleiding om de gevorderde voorziening toe te wijzen, mits het COA aan de hand van door haar te verstrekken gegevens aannemelijk kan maken dat in de gemeente Tilburg voor [gedaagde] en [gedaagde] redelijkerwijs geen passende woonruimte beschikbaar is. In dat kader heeft de voorzieningenrechter behoefte aan een overzicht van de door het COA in de afgelopen drie kalenderjaren (2000 tot en met 2002) toegewezen woonruimte in de gemeente Tilburg aan asielzoekende gezinnen die laatstelijk in het AZC Tilburg verbleven, waarbij tevens wordt vermeld of en hoeveel kinderen deel uitmaakten van het gezin en of voor dat gezin al dan niet een indicatie voor de gemeente Tilburg werd aangenomen. Het COA zal een termijn van vier weken worden gegund voor het verstrekken van het gevraagde overzicht. In afwachting van het door het COA te verstrekken overzicht zal de voorzieningenrechter iedere uitspraak aanhouden. Naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van het COA zal de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen dit vonnis worden opengesteld.

4. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

stelt eiseres in de gelegenheid om het in rechtsoverweging 3.10 genoemde overzicht te verstrekken binnen vier weken na de datum van deze uitspraak;

bepaalt dat tegen dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Kooijman, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openba-re terecht-zit-ting in kort geding van woensdag 2 april 2003, in tegenwoordig-heid van mr. M.A.M. de Baar, waarnemend griffier.