Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2003:AF6112

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
117442 / KG ZA 03-93
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 103
JV 2003/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector handelsrecht

Voorzieningenrechter

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de openbare rechtspersoon

GEMEENTE TILBURG,

zetelend te Tilburg,

e i s e r e s ,

procureur: mr. J.M.C. Beunen,

t e g e n :

[naam] [gedaagde],

wonende te Tilburg,

g e d a a g d e ,

procureur: mr. P.H. Hillen.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

- de dagvaarding d.d. 18 februari 2003;

- de pleitnota en producties van mr. Beunen;

- de pleitnota en producties van mr. Hillen.

Partijen hebben ter zitting van 11 maart 2003 hun stellingen nader toegelicht.

2. Het geschil.

Eiseres, verder te noemen: de gemeente, vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te Tilburg met het zijne en de zijnen te verlaten en daarin niet terug te keren;

2. met machtiging van de gemeente om dit vonnis voor zoveel nodig ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, teneinde de daadwerkelijke ontruiming van de woning te verkrijgen;

3. met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

Gedaagde, verder te noemen: [gedaagde], heeft de vordering bestreden.

3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.

3.1

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de over-gelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

- [gedaagde] heeft de Somalische nationaliteit.

- Op of omstreeks 7 maart 1994 is hij Nederland ingereist. Op 7 maart 1994 heeft hij verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

- Sinds 23 mei 1995 verblijft [gedaagde] op basis van een bruikleenovereenkomst in een woning die hem door de gemeente ter beschikking is gesteld, laatstelijk in de woning aan de [adres] te Tilburg.

- De aanvragen van [gedaagde] zijn niet ingewilligd. Het daartegen door hem ingestelde bezwaar is ongegrond verklaard. Zijn beroep tegen deze ongegrondverklaring van zijn bezwaar is bij rechterlijke uitspraak van 19 december 1997 ongegrond verklaard.

- Op 31 oktober 2000 heeft [gedaagde] een terugkeergesprek gehad met de vreemdelingen-politie te Tilburg, waarin hem is medegedeeld dat hij Nederland dient te verlaten.

- Op 21 oktober 2002 heeft [gedaagde] een terugkeergesprek gehad met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Rijswijk. Deze dienst concludeerde dat [gedaagde] weigerde om mee te werken aan het verkrijgen van de voor een terugkeer naar het land van herkomst benodigde reisdocumenten.

- Bij brief van 6 november 2002 heeft de IND het terugkeerdossier van [gedaagde] aan de gemeente toegezonden en heeft zij de gemeente verzocht om gebruik te maken van haar bevoegdheid om over te gaan tot beëindiging van de aan [gedaagde] verstrekte voorzieningen in het kader van de ROA.

- In een gesprek op 28 november 2002 heeft de gemeente [gedaagde] op de hoogte gesteld van de beëindiging van de aan hem verstrekte voorzieningen per 13 december 2002. Hem is medegedeeld dat hij ook zijn woning dient te verlaten. De inhoud van dit gesprek is schriftelijk aan hem bevestigd bij brief van 10 december 2002. Tegen dat besluit heeft [gedaagde] een bezwaarschrift ingediend. Op dat bezwaar heeft [gedaagde] nog geen beslissing ontvangen.

- Op 11 december 2002 heeft [gedaagde] een aanvraagformulier voor een paspoort ingevuld en per aangetekende post verzonden aan de Permanente Missie van de Somalische Democratische Republiek te Genève (Zwitserland), zulks ter verkrijging van een reisdocument.

- Bij aangetekende brief is [gedaagde] door de raadsman van de gemeente gesommeerd om de woning aan de [adres] te Tilburg uiterlijk 13 februari 2003 te hebben verlaten. Aan deze sommatie heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

- Bij brief van 30 januari 2003 aan de Minister van Vreemdelingenbeleid en Integratie heeft de stichting Nieuwkomers en Vluchtelingenwerk te Tilburg deze Minister aan de hand van een dossier gewezen op 31 schrijnende gevallen van mensen die te lang wachten op een verblijfsvergunning, met het verzoek deze mensen in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning, waaronder ook [gedaagde]. Bij brief van 31 januari 2003 aan de Minister heeft de voor het asielbeleid in Tilburg verantwoordelijke wethouder voornoemd verzoek ondersteund.

3.2

De vordering van de gemeente is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] thans zonder recht of titel in de woning aan de [adres] te Tilburg verblijft en mitsdien onrechtmatig handelt jegens de gemeente. De gemeente is van mening dat voormeld bezwaarschrift van [gedaagde] geen opschortende werking heeft.

3.3

Door de voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien sprake is van een spoedeisende zaak en het belang van de eisende partij, afgewogen tegen dat van de wederpartij, het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt het belang van de gemeente in dit geval niet het treffen van de gevraagde voorziening.

3.4

In dit geding stelt de gemeente zich op het standpunt dat de gevorderde ontruiming wordt gerechtvaardigd door het feit dat [gedaagde] is uitgeprocedeerd, dat zijn ROA-voorzieningen zijn beëindigd, dat het daartegen door hem ingediende bezwaar geen schorsende werking heeft en dat sprake is van toenemende krapte op de Tilburgse woningmarkt. Anderzijds heeft de gemeente jegens de Minister middels haar terzake verantwoordelijke wethouder er openlijk blijk van gegeven dat zij van mening is dat [gedaagde] door zijn langdurig verblijf in Nederland in een schrijnende situatie terecht is gekomen en dat hij om die reden in aanmerking hoort te komen voor een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Deze officiële stellingname van de gemeente kan de voorzieningenrechter niet rijmen met haar opstelling in dit geding, die hem dan ook ongeloofwaardig voorkomt. In het licht van de omstandigheid dat de gemeente zich officieel op het standpunt heeft gesteld dat [gedaagde] in een schrijnende situatie verkeert en in aanmerking behoort te komen voor een verblijfsvergunning, moet diens onmiddellijke ontruiming worden aangemerkt als inhumaan. In dat licht mag van de gemeente dan tevens worden verwacht dat zij, hoewel het maken van bezwaar de werking van een bestreden besluit niet schorst, eerst een inhoudelijke beslissing neemt op het bezwaarschrift van [gedaagde] tegen de beëindiging van diens ROA-voorzieningen en die beslissing aan hem bekend maakt. Op de zittingsdag was [gedaagde] nog niet op de hoogte van een beslissing op zijn bezwaar. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de gemeente geen te respecteren belang heeft bij toewijzing van de door haar gevorderde voorziening in kort geding. Deze voorziening zal daarom worden geweigerd.

4. De kosten.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal de gemeente worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing in kort geding.

De voorzieningenrechter:

weigert de gevorderde voorziening;

veroordeelt eisende partij in de kosten van het geding, voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen, tot op heden begroot op € 908,36, waaronder begrepen een bedrag van € 703,36 aan salaris;

bepaalt, nu die wederpartij met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening:

A aan de griffier van deze rechtbank, door middel van overschrijving op bankrekeningnummer 192325779, Rabobank Nederland N.V. ten name van DS 535 Arrondissement Breda:

- wegens het in debet gestelde deel griffierecht 153,75

- wegens procureurssalaris € 703,36

met welke bedragen de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 243 Rv;

B aan gedaagde:

- het voor rekening van die partij gekomen deel

van het griffierecht ad € 51,25

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.E. Poerink, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van vrijdag 21 maart 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.A.M. de Baar, waarnemend griffier.