Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2002:AF3743

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
4042-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 4042-97

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord. Zij heeft in aanmerking genomen dat tegen verdachte verstek is verleend.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 10 november 1993 tot en met 16 oktober 1997, te Ulvenhout en/of te Tilburg, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland,

opzettelijk, tezamen en in vereniging met [medeverdachten], een organisatie heeft opgericht en/of in stand heeft gehouden en/of aan een organisatie heeft leiding gegeven, althans in elk geval dat hij verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (onder meer) de volgende misdrijven:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig hebben en/of het vervaardigen van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II (artikel 3 van de Opiumwet, mede in de (extensieve) betekenis van artikel 1 lid 4 en/of 5 van de Opiumwet) en/of

- het opzettelijk verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen van (omvangrijke) geldsbedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldsbedragen (telkens) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; in elk geval enig misdrijf;

(artikel 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht) art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 tot en met 26 juni 1997, in elk geval in of omstreeks de periode van 21 mei 1997 tot en met 16 oktober 1997 te Ulvenhout en/of Tilburg, althans in het arrondissement

Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans hij, verdachte,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk, een of meer hoeveelheden hashish van

a) 550 kg en/of van

b) 1020 kg, althans ongeveer 487 kg,

in ieder geval telkens een hoeveelheid, naar Engeland heeft geexporteerd, in ieder geval een hoeveelheid van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd en/of aanwezig gehad;

(artikel 3 van de Opiumwet, mede in de (extensieve) betekenis van artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) art 3 ahf/let A Opiumwet art 11 lid 3 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 17 juli 1997, in elk geval in of omstreeks de periode van 10 november 1993 tot en met 16 oktober 1997 te Ulvenhout en/of Tilburg, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, en/of Nederlander zijnde, buiten het grondgebied van Nederland en wel in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans hij, verdachte,

opzettelijk een hoeveelheid (uit Marokko afkomstige) hashish van ongeveer 2650 kg, in ieder geval een hoeveelheid van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II binnen het grondgebied van Frankrijk heeft

gebracht en/of in Frankrijk heeft afgeleverd, verstrekt of vervoerd en/of aanwezig gehad;

(artikel 3 van de Opiumwet, mede in de (extensieve) betekenis van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) art 3 ahf/let A Opiumwet

art 11 lid 3 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 15 en/of 16 oktober 1997, in elk geval in of omstreeks de periode van 10 november 1993 tot en met 16 oktober 1997 te Ulvenhout en/of Tilburg, althans in Nederland, en/of Nederlander zijnde, buiten het grondgebied van Nederland en wel in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans hij, verdachte,

opzettelijk een hoeveelheid uit Marokko afkomstige hashish van ongeveer 1685 kg, in ieder geval een hoeveelheid van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II via Spanje en Engeland binnen het grondgebied van

België heeft gebracht en/of in België heeft afgeleverd, verstrekt of vervoerd en/of aanwezig gehad;

(artikel 3 van de Opiumwet, mede in de (extensieve) betekenis van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet)

art 3 ahf/let A Opiumwet art 11 lid 3 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 16 oktober 1997 te Ulvenhout, tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans hij verdachte, een of meer wapens van categorie III, te weten

- een pistool, merk Enser, kaliber 9 mm kort en/of

- een revolver, merk Smith & Wesson, kaliber .22 Lr,

en/of munitie van categorie III, te weten

- 25, althans een of meer kogelpatronen, kaliber .9 kort en/of

- 100, althans een of meer kogelpatronen, kaliber .22 Lr en/of

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

5.1 Ambtshalve overweging met betrekking tot de ontvankelijkheid.

Ingevolge artikel 2 van het wetboek van strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

5.2 Ambtshalve overweging met betrekking tot de redelijke termijn in de zaak Slagwerk.

Volgens vaste jurisprudentie van de HR kan overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd met strafvermindering, waarbij de reductie afhankelijk is van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

Op het aan verdachte toegekende recht op berechting binnen redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de staat

jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat terzake een zeker strafbaar feit een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt daarbij heeft verder te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te

zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de termijn in deze zaak (hierna te noemen de zaak Slagwerk) een aanvang heeft genomen op 16 oktober 1997, zijnde de datum dat verdachte werd aangehouden en huiszoeking werd verricht op een van de bekende verblijfplaatsen van verdachte. De rechtbank stelt vast dat tussen 16 oktober 1997 en de behandeling ter terechtzitting op 2 december 2002 een periode ligt van ruim 5 jaar.

In die periode zijn in de zaak Slagwerk vele getuigen gehoord in binnen- en buitenland, sommigen zelfs meerdere keren. Medio 2002 werd besloten om, na een zogenaamde regie-bijeenkomst, met alle betrokkenen in de zaken Slagwerk, Terriër en de boot-zaak tot een inhoudelijke behandeling te komen in september 2002. In september 2002 bleken echter nog onderzoekswensen bij de verdediging te bestaan op grond waarvan werd besloten de inhoudelijke behandeling uit te stellen tot 2 december 2002. Te rekenen vanaf oktober 1997 zijn daarbij zijn perioden aan te wijzen waarin nauwelijks voortgang zat in het onderzoek.

De rechtbank overweegt dat met name de omvang van het onderzoek en strafdossiers, de complexiteit en het internationale karakter van de onderhavige zaak bijzondere omstandigheden zijn geweest op grond waarvan een gedeelte van de lange duur van de procedure is te verklaren. Dit geldt ook voor het min of meer vanzelfsprekende uitgangspunt om tot een gelijktijdige berechting van de genoemde zaken te komen.

Een deel van de opgetreden vertraging in de afhandeling van de zaak Slagwerk moet evenwel naar het oordeel van de rechtbank voor rekening komen van het openbaar ministerie en de rechtbank. Daarbij zij het navolgende opgemerkt.

- De verdediging is pas na ongeveer 5 maanden in het bezit gesteld van het gehele strafdossier in de zaak Slagwerk.

- De verstandhouding tussen de verdediging, de officier van justitie en de rechter-commissaris is gedurende het onderzoek niet optimaal geweest. Aangenomen mag worden dat een goede werkverhouding tot vlottere afdoening had kunnen leiden. De rechtbank meent dat de schuld dienaangaande niet alleen bij de verdediging ligt.

- De vele wisselingen van rechters-commissaris hebben zeker niet bijgedragen aan een

voortvarende en vlotte afdoening van de strafzaak.

- Achteraf blijkt het uitgangspunt van gelijktijdige afdoening geen gelukkige keus geweest

te zijn in dit opzicht.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het gehele hierboven genoemde tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat behandeling van de zaken niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en tevens dat sprake is van een forse termijnoverschrijding.

Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap, ook na overschrijding van deze termijn, behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de

verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is verstreken, is

de rechtbank van oordeel dat eerstgenoemd belang moet prevaleren. Hierbij is in het bijzonder van belang dat de aan verdachte gemaakte verwijten ernstige feiten betreffen met grote schade voor de maatschappij.

De rechtbank is gelet op het vorenbesprokene derhalve van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank verwerp dan ook in zoverre dit verweer. In geval van een bewezenverklaring zal zij evenwel bij de bepaling van de strafmaat voormelde schending van artikel 6 van het EVRM in aanmerking nemen en een strafvermindering toepassen van 40%.

5.3 De ambtshalve overweging met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zaak België.

De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding heeft te twijfelen aan de lezing van de Nederlandse opsporingsambtenaren omtrent de aanleiding, de aanvang en het verloop van de samenwerking tussen het onderzoeksteam Slagwerk in Nederland en het onderzoeksteam DU$ in België, zoals onder meer is verwoord in het - na het eind-procesverbaal opgemaakte - proces-verbaal van de verbalisanten Van Geel en Robben, de datum 21 juli 1998 onder nummer 59-137/96. Hetgeen daar is gerelateerd vindt o.m. zijn bevestiging in een van de Belgische processen-verbaal (dossier pagina 4179), waarin in verband met een op handen zijnde ontmoeting tussen de Belgische undercover [X], de Belgische verdachte [XX] en een aantal onbekende Nederlanders, aan de onderzoeksrechter toestemming wordt gevraagd een Nederlands observatieteam in te schakelen:

"de observatie van de Nederlandse verdachten, bij hun terugreis naar Nederland, te laten overnemen door een gespecialiseerde eenheid van de Nederlandse politiediensten teneinde hun juiste identiteit en/of woon- en verblijfplaats te lokaliseren en hiervoor de toelating te vragen aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten." .

Deze ontmoeting tussen [XX], [X] en naar later blijkt de verdachte [XXX] vond plaats op 4 september 1997 in een AC-restaurant te Minderhout. Een Nederlands observatieteam verrichtte in het kader van het Schengen-verdrag deze observatie met als opdracht de identiteit van de Nederlandse verdachten vast te stellen. Een van de betrokken observanten herkende de verdachte [XXX]. Dit was de aanleiding voor de Nederlandse opsporingsambtenaren navraag te doen bij de Belgen omtrent het onderzoek dat daar liep.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat onderzoeksleider Van Geel eerst op 5 september 1997 uit een Belgisch rechtshulpverzoek, dat hem via de CRI werd verstrekt, heeft vernomen dat er in het DU$ onderzoek sprake is van een infiltratietraject.

Vervolgens heeft er op 16 september 1997 op het toenmalige politiebureau aan de Markendaalseweg in Breda een bespreking plaatsgevonden tussen de Belgische en Nederlandse rechters-commissaris, Procureur des Konings/officier van justitie en teamleiding van de onderzoeksteams DU$ en Slagwerk. Tijdens die bespreking is bevestigd dat de verantwoordelijkheid van het undercovertraject een Belgische aangelegenheid was, en dat beslissingen daarin door de Belgische verantwoordelijken zouden worden genomen.

Voorts heeft de Nederlandse zaaksofficier van justitie toen gesteld dat in het Nederlandse onderzoek een zodanige voortgang was geboekt dat het op dat moment naar Nederlandse opvattingen ook niet meer te rechtvaardigen zou zijn om alsnog een Nederlands politieel infiltratietraject in gang te zetten. Op grond van hetgeen in dit proces-verbaal is gerelateerd gaat de rechtbank er verder vanuit dat het openbaar ministerie het Belgische infiltratietraject in Nederland ter kennis heeft gebracht van de Centrale Toetsingscommissie (CTC) van het College van Procureurs-generaal door het undercovertraject op 14 oktober 1997 mondeling te melden bij de CTC.

Dit betekent evenwel niet dat de resultaten die het Belgische infiltratietraject hebben opgeleverd zonder meer bruikbaar zijn tegen de ver[medeverdachte]everdachten]. Gelet op de jurisprudentie van de HR - de rechtbank verwijst hierbij naar HR 8 februari 2000, NJ 2000/538 en HR 15 oktober 2002, Nieuwsbrief Strafrecht 2002/260 - moet een rechter in gevallen, waarin sprake is van buitenlandse opsporingshandelingen, de besluitvorming en het handelen van die buitenlandse autoriteiten toetsen aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en het zogenaamde "Tallon-criterium". Daarbij moet worden bedacht dat buitenlandse autoriteiten zullen handelen volgens hun eigen voorschriften die kunnen afwijken van de Nederlandse regels en voorts dat niet aan iedere afwijking consequenties hoeven te worden verbonden.

Dit heeft tot gevolg dat ook uit het feit dat de Belgische verdachten [XX] en [XXXX] door de Belgische rechtbank in eerste aanleg te Dendermonde bij vonnis van 11 juni 2001 zijn veroordeeld, niet de conclusie kan worden verbonden dat de resultaten van het Belgische infiltratietraject zonder meer voor de Nederlandse strafrechter bruikbaar zijn. Het vergt van de rechtbank een eigen toetsing aan voornoemde beginselen.

Daarbij wordt de rechtbank gehinderd door het feit dat de richtlijnen, waar Belgische autoriteiten aan toetsen bij het gebruik en de inzet van undercovers, zijn neergelegd in een "omzendbrief ", die geheim is. De rechtbank heeft bij haar beslissing van 21 oktober 2002 nogmaals de rechter-commissaris opdracht gegeven de omzendbrief bij zijn Belgische collega op te vragen, doch de Belgische Procureur des Konings heeft dit bij faxbericht van 12 november 2002 geweigerd.

Uit het vonnis van de Belgische rechtbank te Dendermonde van 11 juni 2001 leidt de rechtbank af dat de Belgische rechter wel heeft getoetst aan de vraag of er sprake is geweest van uitlokking -hetgeen door die rechter ontkennend is beantwoord- doch niet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Uit het dossier blijkt niet op welke gronden de Belgische autoriteiten zijn overgegaan tot de inzet van de undercovers. Evenmin is uit het dossier gebleken op welke datum die beslissing is genomen. Wel blijkt dat reeds op 6 februari 1997 in België een gerechtelijk vooronderzoek is gestart tegen [verdachte] [XX] en [verdachte] [XXXX]. [XX] werd verdacht van - kort gezegd - de handel in soft-drugs en dan met name kleinere hash-transporten.

Voorts blijkt uit het dossier dat op 19 april 1997 het eerste contact heeft plaatsgevonden tussen de undercover "[X]", wiens dekmantel een transportbedrijf in Engeland is, en [XX]. Dit eerste contact heeft plaats gevonden met toestemming van de substituut procureur des Konings.

Of het bewijs tegen [XX] niet zonder de inzet van de undercovers rond zou kunnen komen wordt niet duidelijk. Blijkens de verklaring van "[X]" - op 1 juli 1998 afgelegd tijdens het verhoor door de Nederlandse rechter-commissaris - was zijn eerste opdracht vast te stellen dat een zekere [verdachte] valse dollars aanbood. Tijdens dit eerste gesprek zou van de zijde van [XX] wel te kennen zijn gegeven dat hij ook belangstellenden zocht voor drugstransporten. Na enkele contacten kwamen de valse dollars niet meer ter sprake, doch werd een mogelijk drugstransport steeds concreter. Voorts heeft "[X]" verklaard dat aanvankelijk de identiteit van [XX] niet vast stond. Dit werd pas duidelijk na een aantal ontmoetingen.

Gelet op deze verklaring van [X] en het feit dat zijn aanvankelijke opdracht lag op het aanbod van valse dollars is met name van belang hoe het eerste contact tussen "[X]" en [XX] tot stand is gebracht door ene "[Y]". Evenwel is omtrent de positie van die "[Y]"geen verdere duidelijkheid verkregen, omdat ofwel "[X]"weigerde vragen daaromtrent te beantwoorden danwel de rechter-commissaris van oordeel was dat vragen uit een oogpunt van bronbescherming en methoden en technieken niet hoefden te worden beantwoord.

Blijkens de verklaring van "[X]" was deze "[Y]" in ieder geval geen undercover. Ook in de verklaring van de getuige [getuige], rijkswacht te Dendermonde en coördinator van het onderzoek worden deze punten niet opgehelderd.

Daarnaast vinden tussen april 1997 en augustus 1997 nog talrijke contacten plaats tussen o.m. [XX] en "[X]". Weliswaar worden van die contacten processen-verbaal opgemaakt en ter kennis gebracht aan de bevoegde Procureur des Konings, doch van een tussentijdse evaluatie blijkt uit het dossier niets.

Eerst op 22 augustus 1997 -althans dat valt af te leiden uit pag. 4172 van het dossier- heeft de Belgische onderzoeksrechter toestemming gegeven "de voorgestelde kontakten te organiseren". Op dat moment zijn de contacten tussen "[X]" en [XX] al zodanig dat reeds is afgesproken dat "[X]" een hash-transport voor zijn rekening zal nemen vanuit Marokko naar België en zijn er contacten gelegd via [XX] met [YY] en [XXXX], twee in België woonachtige Marokkanen. Ook is al afgesproken dat "[X]" de vrachtwagen zelf zal ombouwen voor de drugs. Op basis waarvan en met welke afwegingen de Belgische onderzoeksrechter, die op dat moment de leiding krijgt van het infiltratietraject, toestemming geeft voor het verdere verloop van het undercovertraject wordt evenmin duidelijk.

Deze omstandigheden tezamen en in onderling verband bezien leiden de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld of aan de beginselen van proportionaliteit en

subsidiariteit is voldaan. Dit klemt te meer nu blijkens het vonnis van 11 juni 2001 [XX] ook veroordeeld is voor het feit op basis waarvan het strafrechtelijk vooronderzoek in februari 1997 is gestart.

Daarnaast bevreemdt het de rechtbank dat de aanvankelijke insteek van het infiltratietraject een heel andere was, waardoor de vraag zich rechtvaardigt of [XX] niet is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds was gericht. Daarvoor is van belang dat [XX] geen ervaring had met grote drugstransporten en weliswaar zijn intentie was een groter transport te organiseren, doch zonder de hulp van "[X]" dit niet was gelukt.

"[X]"heeft naar het oordeel van de rechtbank een allesbeslissende rol gespeeld bij (de organisatie van) het transport. De regie lag bij hem. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het transport persé via Engeland moest lopen. Gelet op het aandeel dat "[X]" hier heeft gehad is naar het oordeel van de rechtbank het "Tallon-criterium" overschreden.

Nu niet kan worden vastgesteld dat aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan en tevens het "Tallon-criterium"is overschreden, moet worden geoordeeld dat in casu geen sprake is van een rechtmatige bewijsgaring. Aangezien het Belgische infiltratietraject niet onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse openbaar ministerie heeft plaatsgevonden en het Nederlandse openbaar ministerie pas in een laat stadium wetenschap heeft gekregen van dit traject en de betrokkenheid van de Nederlandse verdachten, is er geen reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Wel moet aan de vaststelling dat er geen sprake is van een rechtmatige bewijsgaring gevolgen worden verbonden. De rechtbank zal dan ook overgaan tot bewijsuitsluiting.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Nu hiervoor is overwogen dat de vruchten van het Belgische infiltratietraject voor het bewijs moeten worden uitgesloten, kan reeds hierom niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen 1685 kilo hash heeft ingevoerd in België en/of Nederland. Verdachte zal dan ook op dit onderdeel worden vrijgesproken.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 1 januari 1995 tot en met 16 oktober

1997, in het arrondissement Breda,

opzettelijk, tezamen en in vereniging met [medeverdachten], heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de volgende misdrijven:

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en het verkopen, afleveren, vervoeren en het aanwezig hebben van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en

- het opzettelijk verwerven en voorhanden hebben en overdragen van omvangrijke geldsbedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldsbedragen telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen

betroffen;

2.

in de periode van 23 tot en met 26 juni 1997, in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, een hoeveelheid hashish van

550 kg naar Engeland heeft geexporteerd;

3.

omstreeks 17 juli 1997, in het arrondissement Breda, en Nederlander zijnde, buiten het grondgebied van Nederland en wel in Frankrijk, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een hoeveelheid uit Marokko afkomstige hashish van ongeveer 2650

kg, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II binnen het grondgebied van Frankrijk heeft gebracht en in Frankrijk heeft afgeleverd;

5.

op 16 oktober 1997 te Ulvenhout, wapens van categorie III, te weten

- een pistool, merk Enser, kaliber 9 mm kort en

- een revolver, merk Smith & Wesson, kaliber .22 Lr,

en munitie van categorie III, te weten

- 25, kogelpatronen, kaliber .9 kort en

- 100, kogelpatronen, kaliber .22 Lr

voorhanden heeft gehad;

Hetgeen onder de feiten 1, 2, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Op 26 juni 1997 is in Maidstone (Groot-Brittannië) in een loods een partij hash aangetroffen. Deze hash was verborgen in twee opleggers. In de oplegger met het Belgische kenteken [kenteken] is een hoeveelheid van 550 kilogram aangetroffen. In de andere -groene- oplegger een hoeveelheid van 487 kilogram hash. De hash werd gevonden in een kennelijk voor dit doel geconstrueerde geheime bergplaats.

Aan de verdachte is naast het transport van de 550 kilogram hash, tevens ten laste gelegd het vervoer van 1020 kilo hash subsidiair 487 kilo hash. Kennelijk gaat het openbaar ministerie er vanuit dat met de oplegger, waar de 487 kilogram in is gevonden, aanvankelijk 1020 kilogram is vervoerd. Dit laatste baseert het openbaar ministerie op transportgegevens van P&O Ferry's te Zeebrugge.

De rechtbank acht evenwel niet wettig en overtuigend bewezen dat de partij van 487 kilogram aan de verdachte kan worden toegeschreven.

Hoewel bij een onderzoek aan deze laatste oplegger gebleken is dat deze voorzien was van een soortgelijke geheime ruimte tussen de chassisbalken als bij de oplegger met het Belgische kenteken [kenteken], zijn er geen andere bewijsmiddelen die wijzen op een betrokkenheid van verdachte hierbij. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

Nu verdachte niet gelieerd kan worden aan de gevonden 487 kilo gram hash, kan hij evenmin worden gelieerd aan de 1020 kilogram, nog afgezien van de vraag of de berekening zoals door het openbaar ministerie op basis van de transportgegevens is gemaakt, juist is.

Ook van die hoeveelheid dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 Overwegingen met betrekking tot het bewijs.

Met betrekking tot de criminele organisatie

Voor het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr is vereist dat een duurzaam samenwerkingsverband tussen personen bestaat waaraan een bepaalde structuur ten grondslag ligt en dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting blijken ten aanzien van verdachte de hieronder genoemde feiten, omstandigheden en voorvallen, die in onderlinge samenhang bezien, wijzen op een gestructureerd samenwerkingsverband dat ten doel had het plegen van opiumwetdelicten en het witwassen van daarmee verworven gelden.

Op 17 juli 1997 is door de Franse autoriteiten een partij van 2650 kilo hash in beslag genomen nabij een villa, gelegen op het landgoed "Le Lys Rouge" te St. Raphaël (Frankrijk). De hash was over zee aangevoerd door een zeilboot, welke bemand werd door twee personen. Deze personen zijn aangehou[verdachte]ffen [medeverdachten]. In de villa is een vliegticket aangetroffen op naam gesteld van [m[medeverdachte]rdachte]. Voorts zijn drie dactyloscopische sporen aangetroffen en geïdentificeerd als zijnde sporen afkomstig van [medeverdachte].

De verdachte [verdachte] heeft vele verklaringen afgelegd, zowel in Frankrijk als in Nederland. Naast de afgelegde verklaringen heeft [verdachte] tijdens zijn hechtenis in Frankrijk ook brieven geschreven aan de onderzoeksrechter te Draguignan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door [verdachte] afgelegde verklaringen en door hem geschreven brieven consistent en gedetailleerd zijn. Zij ziet dan ook geen reden aan de inhoud van deze verklaringen c.q. brieven te twijfelen en zij zal deze gebruiken voor het bewijs, nu deze verklaringen en brieven door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

Uit genoemde verklaringen en brieven blijkt, buiten hetgeen hij heeft verklaard over het hash-transport dat hij in opdracht voor de Tilburgse groepering had verzorgd naar Frankrijk, tevens het volgende.

Omstreeks 1994 heeft [verdachte] [verdachte]e [medeverdachte[medeverdachte]verdachte]chte[medeverdachte] ontmoet. Bij die ontmoeting is door verdachten verteld dat zij hash uitvoerden naar Engeland. Zij transporteerden hash met een autotrailer. Ongeveer 180 kg in het begin één keer per maand, later één keer per week, in totaal ongeveer 120 leveringen in de periode eind 1991 tot de jaarwisseling 1994-1995. In 1993 zijn zij begonnen vrachtauto's in te zetten, ingericht voor het vervoer van 500 tot 2000 kg hash.

Eind 1994, begin 1995 hebben verdachten aan [verdachte] gevraagd een aanhangwagen met drugs naar Engeland te brengen. Het betrof een aanhanger met een vlakke bodem van hout waarop auto's of machines vervoerd konden worden. Die bodem bestond uit drie platen die los waren gehaald. Men had daar een dubbele bodem ingelast. De vier verdachten zijn door [verdachte] bezig gezien bij die aanhanger voor zijn vertrek naar Engeland. De naden van die platen waren gevuld met siliconenkit. Een hoeveelheid van 50 kg hash was verborgen onder de middelste plaat. Deze hash is daarop door [verdachte] naar Engeland gebracht. Drie tot vijf weken later daarna heeft hij wederom een partij van 50 kg hash naar Engeland vervoerd in een aanhanger, waarin door [medeverdachte] een dubbele bodem was gelast.

De harde kern van de Tilburgse criminele organisatie, die handelt in hash, bestaat uit [med[medeverdachte]. Een gedetailleerde omschrijving van deze personen wordt gegeven. De organisatie beschikt over een kantoor c.q. plaats van samenkomst in Tilburg aan de [adres]. De leden van de harde kern werken als eenheid, zij beslissen alles op democratische wijze en en alle financiën worden in gelijke delen verdeeld. Er zijn daarnaast ook andere personen die voor de organisatie werken. [verdachte] noemt en/of herkent onder andere [medeverdachte] en [medeverdachte] als werknemers van de organisatie. Over [medeverdachte] heeft hij verklaard dat deze als lasser full-time is aangesteld en dat deze ook transporten met hash naar Engeland deed.

Overigens verklaart hij dat ieder van de vier kernleden drie telefoons had. Eén telefoon voor familie, vrienden en "legale relaties", één telefoon voor klanten en leveranciers en één telefoon die slechts gebruikt wordt voor gesprekken met de drie anderen en met niemand anders.

Op 26 juni 1997 is in een loods in Maidstone (Groot-Brittanië) een partij hash aangetroffen. Deze hash was verborgen in een kennelijk voor dat doel geconstrueerde, geheime bergplaats van de oplegger. De oplegger was gekoppeld achter een trekker met het Belgische kenteken [kenteken]. Deze hash is opgespoord nadat deze vrachtwagen vanaf 25 juni 1997 onder voortdurende observatie stond, eerst door een Nederlands observatieteam en in Engeland door een Engels[medeverdachte]ij dit transpor[verdachte]ken [medeverdachten].

[vriendin], de vriendin van [verdachte] heeft verklaard bekend te zijn met het feit dat haar vr[medeverdachte]et [medeverdachten] bezig hield met de handel in hashish.

In het dossier bevinden zich v[verdachte]ge[getuige]a. [[getuige] met betrekking tot de door de verdachten gehanteerde witwaspraktijken.[verdachte] verklaart onder meer dat hij gedurende drie jaren, van september 1993 tot en met eind maart 1996, gelden heeft gewisseld in Gent (België) voor een groepering Tilburgse hash-handelaren. Uit tapgesprekken blijkt dat [verdachte] hierover contact onderhield met [v[XXX] en [medeverdachte[verdachte] verklaart op 29 maart 1995 dat hij [verdachten] kent als leden uit de Tilburgse groepering waarvoor hij geld wisselt.

Uit verslagen van onderzoeken van de cel voor financiële informatieverwerking te Brussel blijkt dat [medeverdachte] in 1995, 1996 en 1997 bij het wisselkantoor [X] te Poppel (België) wisseltransacties uitvoerden van voornamelijk Engelse ponden in Nederlandse guldens.

Op 9 april 1998 is de getuige [getuige] gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] regelmatig bij zijn wisselkantoor kwam om grote bedragen te wisselen. Dat liep op tot fl. 500.000,-- a fl. 600.000,-- per keer. [medeverdachten] [XXX] kwamen ook om geldbedragen te wisselen. De verklaring van de getuige [getuige] wordt bovendien ondersteund door video-observaties die hebben plaatsgevonden bij het geld[kantoor X] te Poppel.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij in 1997 een grote som geld geleend heeft van [medeverdachte]. Deze contante gelden zijn door de getuige [getuige] afgedragen aan de fabriek Sunseeker in Engeland en waren bedoeld voor de aankoop van twee boten.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het wetboek van strafrecht.

Voor wat betreft de periode overweegt de rechtbank het volgende.

[verdachte] heeft verklaard dat hij ongeveer vanaf september 1993 geld wisselde voor Tilburgse hash-handelaren, waarbij hij contacten onderhield met onder meer [v[XXX] en [medeverdachte]. [medeverdachte] blijkt vanaf 1995 bij het [kantoor X] geld te wisselen. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de criminele organisatie in ieder geval vanaf 1995 werkzaam was.

De zaak Frankrijk

Uit het dossier Slagwerk zijn met betrekking tot de zaak Frankrijk de navolgende feiten gebleken.

Op 13 januari 1997 werd door het onderzoeksteam Slagwerk een telefoongesprek (hoorn van de haakgesprek) afgeluisterd en opgenomen aan welk gesprek werd deelgenomen door de verdachten [XXX], [medeverdachte] en een man genaamd [R]. In dat gesprek werd gesproken over een locatie in Zuid-Frankrijk/Spanje en de huur van een villa. Men zocht naar een villa met een privé-strand. Voorts werd gesproken over het uitladen van dozen en dat dit niet makkelijk zou zijn omdat ze twee ton stuurden en omdat men te maken had met een zeilboot. Volgens [medeverdachte] hoefde niemand er iets van te zien als men zwarte kleding droeg, een Zodiak met electro-buitenboordmotor gebruikte, een vuilniszak gebruikte om dat "felle blauw" af te dekken en het schip ongeveer 30 à 40 meter uit de kust liet liggen. Het aan land brengen van de partij was de taak van de twee b[L]ers "[L & F]". Voorts bleek uit het gesprek dat "[medeverdachte]" pas hoefde te komen als "het" in het huis stond.

Tijdens het onderzoek bleek dat met [L] [medeverdachte] werd bedoeld.

Op 17 juli 1997, werd door de Franse autoriteiten een partij van 2650 kilo hashish inbeslag genomen op het strand, nabij een villa, gelegen op het landgoed "Le Lys Rouge" te St Raphaël. De partij hashish was over zee aangevoerd door een zeilboot, welke bemand werd door twee personen, te weten [medeverdachten]. Deze personen werden door de Franse politie aangehouden. Enkele andere personen wisten aan hun aanhouding te ontkomen. Vanaf deze zeilboot, die zich voor de kust bleef ophouden, werd de partij, die verpakt was in fel blauw plastic, met behulp van zogenaamde Zodiaks (rubberboten) naar het strand vervoerd.

Door de Franse autoriteiten werd een onderzoek ingesteld in genoemde villa.

Uit het dossier [D.] blijkt dat op een slaapkamer in genoemde villa op de begane grond een vliegticket werd aangetroffen.

Dit vliegticket was bestemd voor een vlucht van Düsseldorf (Duitsland) naar Frankfurt (Duitsland), vluchtnummer LH201, en een aansluitende vlucht van Frankfurt (Duitsland) naar Nice (Frankrijk), vluchtnummer LH4416 op 15 juli 1997 en een vlucht van Nice (Frankrijk) naar Düsseldorf (Duitsland), vluchtnummer LH4407 op 21 juli 1997.

Elders in de villa werd een tweede, soortgelijk, vliegticket aangetroffen als hierbovengenoemd. Dit ticket was op naam gesteld van [medeverdachte].

Op een tuintafel in de tuin werden twee glazen en een fles aangetroffen. Op de glazen werden dactyloscopische sporen aangetroffen.

Uit een proces-verbaal in het dossier [D.], d.d. 21 oktober 1997 van de Service Regional de Police Judiciaire Marseille, blijkt dat drie dactyloscopische sporen, welke op genoemde glazen werden aangetroffen, werden geïdentificeerd als zijnde sporen afkomstig van [medeverdachte].

Na de aanhouding van [medeverdachte] werden door hem uitgebreide verklaringen afgelegd, die later door hem in Nederland bij de rechter-commissaris werden bevestigd. Uit die verklaringen blijkt onder andere dat hij bij terugkomst voor de kust van Frankrijk, een ontmoeting heeft gehad met [medeverdachte] en [medeverdachte]. Met deze personen werden afspraken gemaakt omtrent het aan land brengen van de partij hashish. [medeverdachte] heeft voorts uitgebreide verklaringen afgelegd met betrekking tot hetgeen in Frankrijk was voorgevallen en omtrent zijn wetenschap van de organisatie in Tilburg. Deze verklaringen zijn consistent en blijken in detail aan te sluiten bij hetgeen door het onderzoeksteam Slagwerk en door het onderzoeksteam in Frankrijk werd geconstateerd.

Uit de in het onderzoek Slagwerk afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken van na 17 juli 1997 blijkt voorts dat door de groepering in Tilburg een reaktie komt op hetgeen in Frankrijk heeft plaatsg[Mw. X] [Mw. X] was met een vliegtuig naar Zuid Frankrijk gereisd om daar enkele personen, waaronder [medeverdachte], behulpzaam te zijn bij hun reis naar huis. Voorts vertelde [vriendin] in een telefoongesprek met [Dhr. X] dat zij en [medeverdachte] financieel moeilijk zaten omdat ze in Frankrijk tweemaal zoveel waren kwijtgeraakt als in Engeland. Uit het onderzoek Slagwerk -de zaak Engeland- blijkt dat in een loods in Maidstone een partij hashish inbeslaggenomen was van ongeveer 1037 kilogram.

Voorts heeft [vriendin] verklaard bekend te zijn met het feit dat haar vriend [v[XXX][medeverdachte]med[medeverdachten], bezighield met de handel in hashish. Tevens verklaarde zij dat [medeverdachte], rond de vakantieperiode, tegen haar verteld had dat er "iets" misgegaan was in Frankrijk. Daar was volgens [medeverdachte] twee maal zoveel handel gepakt als eerder in Engeland. Met betrekking tot deze uitspraak van [medeverdachte] had zij eerdergenoemd telefoongesprek gevoerd met [Dhr. X].

[Mw. X] verklaarde in juli 1997 in opdracht van haar vriend, [verdachte], een man, genaamd "[medeverdachte]" in Frankrijk te hebben opgehaald. [verdachte] gaf haar diverse instructies/opdrachten, waaronder de opdracht om kleding mee te nemen. [Mw. X] werd door [medeverdachte] naar het vliegveld in Frankfurt gebracht, van waar zij naar Nice vloog. Nadat [Mw. X] in Nice [medeverdachte] had ontmoet bleek de kleding bestemd te zijn voor twee andere personen. Met een ter plaatse gehuurde personenauto reed [Mw. X], samen met "[medeverdachte]" terug naar Nederland.

Enkele dagen later heeft [Mw. X] de gehuurde auto, samen met haar dochter teruggebracht naar Nice. De terugreis vond, in gezelschap van de reeds in Nice verblijvende [medeverdachte], per vliegtuig plaats.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande, in onderling samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

ten aanzien van feit 1:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III gepleegd, meermalen gepleegd.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf en maatregel behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie zich bezig hield met de in- en uitvoer van softdrugs en het witwassen van de daarmee verworven gelden. Deze organisatie heeft onder meer de transporten naar Engeland en Frankrijk, de bewezen verklaarde feiten 2 en 3, uitgevoerd. Uit het grote aantal wisseltransacties dat is uitgevoerd door de organisatie leidt de rechtbank af dat deze organisatie zich op grote schaal bezig hield met de bovengenoemde handel.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte een pistool, een revolver en daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

Het deelnemen aan een criminele organisatie met een dergelijk oogmerk acht de rechtbank een zeer ernstig feit. Op grond daarvan is zij van oordeel dat aan verdachte in beginsel een langdurige vrijheidsstraf dient te worden opgelegd.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met de navolgende omstandigheden:

- het gegeven dat verdachte binnen eerdergenoemde criminele organisatie kan worden gezien als één van de kernleden en

- het uittreksel uit het documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake overtreding van de Opiumwet en in dat kader nog in een poreftijd liep, in welke proeftijd hij deel heeft uitgemaakt van eerder genoemde criminele organisatie.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte is de rechtbank niets bekend geworden, zodat zij daarmee geen rekening kan houden bij de op te leggen straf.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat voor het bewezenverklaarde in beginsel een gevangenisstraf van 40 maanden op zijn plaats is.

Gelet echter op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 5 heeft overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de overschrijding van de redelijke termijn in het bijzonder, zal de rechtbank op voornoemde gevangenisstraf een strafkorting toepassen van 40%.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

12.1 De overwegingen omtrent de teruggave.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen, genoemd onder de nummers 7, 8, 18, 19, 20, 25, 27, 28, 33, 48, 49, 50, 64, 75, 101, 104, 107, 117, 118, 119, 125, 133, 139 tot en met 147, 155, 194, 196, 198, 199, 204, 205, 208, 209, 212, 213, 214, 215, 217, 218, 278, 279 en 288 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

12.2 De overwegingen omtrent de verbeurdverklaring.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, genoemd onder de nummers 10, 21, 22, 30, 35, 53, 89, 127, 165, 169 tot en met 173, 187, 189, 192 en 206 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de bewezen verklaarde feiten zijn

begaan en voorbereid met behulp van die voorwerpen.

12.3 De overwegingen omtrent de onttrekking aan het verkeer.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, genoemd onder de nummers 80, 81, 82, 85a, 85, 87, 89 en 105 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, werden aangetroffen.

Voorts behoren die voorwerpen aan verdachte toe en zijn die voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd zijn met de wet en het algemeen belang.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 91 en 140 (oud) van het wetboek van strafrecht, de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vordering.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1, 2, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Zij gelast de teruggave aan verdachte van de onder 12.1 genoemde voorwerpen .

Zij verklaart verbeurd de onder 12.2 omschreven voorwerpen.

Zij verklaart aan het verkeer onttrokken de onder 12.3 omschreven voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Janssen en mr. Toekoen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers Nouws en Van Beijsterveldt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 december 2002.