Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2002:AE8900

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
15-10-2002
Zaaknummer
101525 / HA ZA 01-1875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

101525 / HA ZA 01-1875 RECHTBANK BREDA

Sector Handelsrecht

24 september 2002 Meervoudige Kamer

V O N N I S

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaarding van 27 juli 2001,

procureur: mr. N.Th. ter Haar Romeny,

advocaat: mr. J. de Haas,

t e g e n :

1.[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

procureur: mr. M.C. de Regt,

advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. E.C.M. Wagemakers,

advocaat: mr. A.M. Kooij,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. R.A.H. Post,

advocaat: mr. B.W.G.P. Meijs.

g e d a a g d e n.

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding;

- het extract uit het audiëntieblad van de rolzitting van 16 oktober 2001;

- de conclusie van eis, tevens vermindering van eis, met beslagstukken en betekeningsexploten;

- de conclus[gedaagde 1]or[gedaagde 2]gde 1-2-3], met vijf producties;

- de conclusie van antwoord van [ge[gedaagde 4]] met vier producties;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 5], met zes producties;

- de conclusie van repliek, met negen producties;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde 1-2-3], met twee producties;

- de conclusie van dupliek van [ge[gedaagde 4]] met één productie;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde 5];

2. Het geschil.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad gedaagden te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van f. 150.000,00 en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van f. 79.085,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2001, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

Gedaagden weerspreken de vordering.

3. De beoordeling.

3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde pro-ducties het volgende vast:

a. [eiser] is op 1 mei 1999 in dienst getreden van N.V. Ebcon Holding (hierna: Ebcon). [gedaagde 1 en 3] waren destijds bestuurders van Ebcon. [gedaagde 2] was (tot medio mei 2000) lid van de raad van commissarissen. [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn op 24 oktober 2000 in functie getreden als bestuurders van Ebcon.

b. Ebcon was, via dochtermaatschappijen, actief in de tussenhandel in onderdelen van vaste telecommunicatieverbindingen, in het bijzonder glasvezelkabels, en de aanleg, zowel voor zich als voor derden, van dergelijke verbindingen.

c. In verband met een voorgenomen uitbreiding van het aandelenkapitaal met 1.000.000 aandelen tegen f. 100,00 per aandeel heeft Ebcon op 7 februari 2000 voor de bestaande aandeelhouders een "Private Placement Memorandum" uitgegeven (productie 1 bij conclusie van repliek).

d. Op 24 maart 2000 heeft [eiser] met toestemming van Ebcon ingeschreven op 1.500 gewone aandelen van Ebcon tegen de prijs van f. 100,00 per aandeel (productie 1B bij conclusie van repliek). [eiser] heeft de koopsom van f. 150.000,00 aan Ebcon betaald.

e. Bij brief van 5 mei 2000 heeft [gedaagde 1] namens Ebcon aan [eiser] medegedeeld (productie 2 bij conclusie van repliek):

"Hierdoor bevestig ik u de goede ontvangst van het door u ten titel van kapitaal gestorte bedrag groot Hfl 150.000,-. NV Ebcon Holding is thans nog in onderhandeling met een zeer grote kapitaalverschaffer die de wens uitgesproken heeft om, gezien de grootte van dat belang, te onderhandelen omtrent de instapprijs per aandeel.

Tijdens de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van 6 april jl. heeft de vergadering besloten dat een eventuele lagere instapprijs ook op u van toepassing zal zijn, reden waarom besloten is de formalisatie van uw storting tot nader order op te schorten. Zodra een en ander vaste vormen krijgt, zal ik u nader berichten."

f. Bij fax van 23 oktober 2000, welke vermeldt "Private and Confidential", aan [gedaagde 2], commissaris van Ebcon, heeft [eiser] [gedaagde 2] medegedeeld (productie 5 bij conclusie van repliek):

"In maart 2000 heb ik in het kader van een onderhandse plaatsing ingeschreven op aandelen Ebcon Holding en daarbij direct DFL 150.000,- overgemaakt op een rekeningnummer van Ebcon Holding. Destijds informeerde U mij dat de storting van het geld te zijner tijd nog zou worden omgerekend naar het definitieve aantal aandelen. Dit was afhankelijk van het toetreden van een investeerder waar op dat moment gesprekken mee waren. Later, in een telefoongesprek met U waarin ik informeerde naar de uitvoering van de aandelentransactie, meldde U mij dat het allemaal wat langer zou duren. Daarbij merkte U op dat indien ik daar de voorkeur aan gaf het ook mogelijk zou zijn om de transactie weer terug te draaien, zodat ik het geld weer terug zou ontvangen. Ook andere beleggers/investeerders zouden hier reeds de voorkeur aan hebben gegeven en hadden hun geld terug gekregen. Nu zijn er reeds zeven maanden verstreken en dat heeft er mede toe geleid dat ik tot de conclusie ben gekomen dat alles te lang heeft geduurd. Mede om deze reden geef ik er de voorkeur aan om de DFL 150.000,- weer terug te ontvangen. Mocht U vragen of opmerkingen hebben dan kunt U mij bereiken onder telefoonnummer [(nummer)].

Ik verzoek u het geld deze week over te maken op rekeningnummer [eiser]."

g. Bij brief van 3 november 2000 heeft Ebcon aan [eiser] medegedeeld (productie 4 bij conclusie van antwoord van [gedaagde 1-2-3]):

"Wij zien geen aanleiding om de gemaakte afspraken te wijzigen en over te gaan tot terugstorting aan u en/of niet aan u te emitteren.

Wij merken expliciet op dat er aan de investeerders die in maart ingeschreven en betaald hebben nooit de mogelijkheid is geboden om op hun verzoek de transactie terug te draaien en geld terug te ontvangen. De mededeling die u in uw brief maakt dat andere beleggers/investeerders al hun geld terug zouden hebben gekregen, is dan ook niet juist. Gezien bovenstaande kunnen wij dan ook niet ingaan op uw verzoek de f. 150.000,- terug te storten.

Op dit moment bekijken wij op welke wijze en termijn de plaatsing van maart 2000 kan worden geformaliseerd. Wij zullen u uiterlijk 31 december 2000 berichten op de wijze van for-maliseren van de door u gedane storting."

h. Bij brief van 1 december 2000 hebben drs. [bestuurder], sedert 24 oktober 2000 bestuurder van Ebcon, en [gedaagde 1] namens Ebcon aan [eiser] medegedeeld (productie 6 bij conclusie van repliek):

"In vervolg op ons schrijven van 5 mei jl. delen wij u mede dat de investering van de beoogde kapitaalverstrekker geen doorgang heeft gevonden. Daarom hebben wij besloten tot emissie over te gaan.

Als bijlage treft u de ontwerpakte van notaris Rademakers aan. Wij verzoeken u de ontbrekende gegevens (volledige NAW-gegevens) hierop in te vullen en tezamen met een kopie van paspoort of rijbewijs aan ons te retourneren. Eveneens wordt u verzocht, indien u niet persoonlijk aanwezig kunt zijn, een machtiging dienaangaande te completeren en ondertekend terug te zenden.

Als u de hiervoor gevraagde gegevens per ommegaande retourneert, betekent dit dat, u na het verlijden van de akte, aandeelhouder van NV Ebcon Holding bent. In dit verband merken wij op dat de eerstkomende Algemene Vergadering van Aandeelhouders wordt gehouden op 20 december a.s. om 16.00 uur ten kantore van NV Ebcon Holding. Terzake zult u nog een separate uitnodiging ontvangen.

Wat de door u betaalde emissiekoers betreft zij opgemerkt dat deze uitgiftekoers punt van nader overleg zal vormen tijdens Algemene Vergadering van Aandeelhouders op 20 december a.s. Wij zijn voornemens een voorstel in te dienen op grond waarvan u als nieuwe aandeelhouder een warrant wordt toegekend."

i. Op 10 juli 2001 is Ebcon in staat van faillissement verklaard.

j. Na verkregen presidiaal verlof heeft [eiser] op 18 juli 2001 tezamen met een derde, ter zake van gezamenlijke vorderingen welke voorlopig werden begroot op f. 3.000.000,00, conservatoir beslag doen leggen op een ten name van G. en diens echtgenote staande onroerende zaak en een ten name van [gedaagde 4] staande onroerende zaak. Ter zake van de door de derde gepretendeerde vordering zijn gedaagden wel gedagvaard, maar is de dagvaarding niet aangebracht.

3.2 [eiser] grondt zijn vordering op onrechtmatige daad. [eiser] stelt dat de bestuurders, althans feitelijk leidinggevenden, van Ebcon onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld, waardoor zij aansprakelijk zijn voor de schade die hij dientengevolge lijdt. [eiser] stelt dat die schade in hoofdsom bestaat uit door hem aan Ebcon betaalde bedrag van f. 150.000,00.

3.3 Van aansprakelijkheid van een bestuurder of feitelijk leidinggever van Ebcon voor schade die [eiser] heeft geleden kan slechts sprake zijn indien die bestuurder of feitelijk leidinggever een hem persoonlijk toerekenbare onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft gepleegd.

3.4 Bij dagvaarding stelt [eiser] dat het onzorgvuldig handelen van gedaagden erin is gelegen dat zij de aandelen waarop [eiser] heeft ingeschreven niet hebben uitgegeven op het moment waarop bekend werd dat de in de brief van 5 mei 2000 (zie 3.1 onder e) bedoelde grote investeerder niet bereid was in te schrijven op aandelen Ebcon. Uit de stellingen van [eiser] blijkt evenwel niet op grond waarvan het voor gedaagden duidelijk had moeten zijn dat eiser er belang bij had, of wenste, dat de aandelen op dat moment aan hem zouden worden uitgegeven. Uit de brief van 5 mei 2000 blijkt dat de uitgifte van de aandelen aan [eiser] werd opgeschort in verband met een eventueel vast te stellen lagere instapprijs voor de potentiële grote kapitaalverschaffer, welke lagere instapprijs in dat geval ook voor [eiser] zou gelden. Gedaagden mochten er bij gebreke van andersluidende mededelingen van [eiser] van uitgaan dat [eiser] geen bezwaar zou hebben tegen handhaving van de opschorting van de uitgifte van de aandelen zolang de mogelijkheid bestond dat in plaats van de oorspronkelijk beoogde grote kapitaalverschaffer een andere grote investeerder gevonden zou kunnen worden, waarna [eiser] alsnog van een lagere instapkoers zou kunnen profiteren.

3.5 Ook vanaf het moment dat voor gedaagden duidelijk was dat geen grote investeerder gevonden zou kunnen worden behoefden gedaagden zich niet te realiseren dat [eiser] belang had bij onmiddellijke uitgifte van de aandelen. Eiser stelt weliswaar dat hij als aandeelhouder invloed zou hebben kunnen uitoefenen in de aandeelhoudersvergadering, maar gelet op het zeer geringe promillage van het totale aandelenkapitaal dat in het bezit van [eiser] zou zijn gekomen is niet aannemelijk dat [eiser] daadwerkelijk invloed op het beleid zou hebben kunnen uitoefenen. [eiser] heeft ook niet gesteld op welke wijze hij het verloren gaan van de waarde van de aandelen als aandeelhouder had kunnen voorkomen. Dat [eiser] bij directe uitgifte van de aandelen door verkoop zijn schade had kunnen beperken en dat gedaagden het persoonlijk verwijt treft dat zij er, in verband daarmee, niet voor hebben zorggedragen dat de aandelen direct aan [eiser] werden uitgegeven, is door eiser niet voldoende gemotiveerd gesteld. De aandelen waren in het bezit van een besloten kring van aandeelhouders. Dat [eiser] de aandelen, nadat was gebleken dat Ebcon geen grote investeerder bereid kon vinden te investeren, nog aan een medeaandeelhouder had kunnen verkopen is niet aannemelijk. Dat [eiser] de aandelen aan een derde had kunnen verkopen is evenmin aannemelijk. In dat geval zou [eiser] die derde immers hebben moeten informeren omtrent de problematiek waarvoor Ebcon zich inmiddels gesteld zag. Derhalve behoefden gedaagden zich niet te realiseren dat [eiser] schade zou lijden indien de aandelen niet direct zouden worden uitgegeven. Van een persoonlijk onrechtmatig handelen of nalaten van gedaagden jegens [eiser] is dan ook geen sprake.

3.6 Bij conclusie van repliek introduceert [eiser] diverse niet in de dagvaarding genoemde argumenten op basis waarvan hij stelt dat gedaagden een hun persoonlijk toerekenbare onrechtmatige daad jegens hem hebben gepleegd, met name door het bedrag van f. 150.000,00 niet door Ebcon aan [eiser] te doen terugbetalen. [eiser] stelt echter tevens te handhaven hetgeen hij bij dagvaarding heeft gesteld.

3.7 [eiser] stelt dat Ebcon op grond van artikel 2:97 BW in juli 2000 de emissie had moeten intrekken omdat duidelijk was dat het bedrag van f. 100.000.000,00 aan additioneel kapitaal niet zou worden verworven. De rechtbank is van oordeel dat artikel 2:97 BW betrekking heeft op openbare emissies. Het openbare karakter van een dergelijke emissie maakt dat het van belang is dat potentiële inschrijvers die nog geen band met de vennootschap hebben op voorhand uit de voorwaarden blijkt of de aandelen waarop wordt in-geschreven ook zullen worden geplaatst indien de emissie niet is volgetekend. In dit geval was de emissie gericht op de besloten groep van bestaande aan-deelhouders van Ebcon. Weliswaar stelt [eiser] dat er bij de bestaande aandeelhouders onvoldoende interesse was, waardoor vervolgens ook een niet-aandeelhouder zoals [eiser] op die emissie kon inschrijven, maar [eiser] heeft niet betwist de stelling van de zijde van gedaagden dat die mogelijkheid niet aan anderen dan [eiser] is geboden. Dat na het einde van de termijn waarbinnen de aandeelhouders konden inschrijven aan [eiser] nog de mogelijkheid is geboden om in te schrijven maakt de emissie niet tot een openbare. Dat nadien met externe potentiële grote investeerders overleg is gevoerd omtrent de mogelijkheid van participatie in Ebcon impliceert niet dat dergelijke derden werd aangeboden in te schrijven op de onderhavige besloten emissie. De onderhandelingen met die derden staan los van de besloten emissie binnen de kring van aandeelhouders van Ebcon, uitgebreid met [eiser].

3.8 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [eiser] zijn vordering ook niet op artikel 2:97 BW zou hebben kunnen gronden indien het artikel wel geacht zou worden ook op een besloten emissie als de onderhavige van toepassing te zijn. [gedaagde 1-2-3] hebben gesteld dat juist omdat de toenmalige bestuurders van Ebcon [gedaagde 1 en 3] geen van beiden beschikten over bijzondere ervaring op de kapitaal-markt een derde directeur, de heer [directeur], was aangetrokken die zich spe-cifiek zou toeleggen op het begeleiden van het aantrekken van nieuwe investeerders, die dan ook het "Private Placement Memorandum" heeft opgesteld en die heeft geaccepteerd dat [eiser] op de voor de bestaande aandeelhouders be-stemde emissie heeft ingeschreven. [eiser] heeft die stellingen niet betwist. In het licht daarvan lag het op de weg van [eiser] om te stellen op grond waarvan moet worden aangenomen dat gedaagden erop bedacht hadden moeten zijn dat artikel 2:97 BW op de emissie van toepassing was. [eiser] heeft daaromtrent niets gesteld. [eiser] heeft derhalve onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat gedaagden persoonlijk is te verwijten dat de emissie niet is ingetrokken.

3.9 [eiser] verwijt gedaagden, en in het bijzonder [gedaagde 2], dat aan [eiser] reeds in maart 2000 is verzocht het bedrag van de koopsom van f. 150.000,00 te betalen, terwijl de uitgifte van de aandelen is uitgebleven. Niet is in te zien waarom de inschrijver op aandelen niet zou mogen worden verzocht de koopsom reeds te betalen voordat de aandelen worden uitgegeven. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de betreffende bestuurder of feitelijk leidinggever door het richten van een dergelijk verzoek tot [eiser] een hem persoonlijk toerekenbare onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft gepleegd. Dat het vooruitzicht dat er daadwerkelijk tot uitgifte van de aandelen over zou worden gegaan in maart 2000 niet bestond heeft [eiser] bij conclusie van repliek (onder 51) weliswaar gesuggereerd, maar niet voldoende gemotiveerd gesteld, terwijl daarvan ook niet is gebleken.

3.10 Juist is de stelling van [eiser] dat het gedaagden niet vrij stond volstrekt willekeurig een moment te kiezen waarop de uitgifte van de aandelen zou ge-schieden. Nu echter geen datum was bepaald waarop uitgifte zou geschieden, lag het op de weg van [eiser] om Ebcon desgewenst een termijn te stellen. [eiser] is daartoe niet overgegaan. Onder die omstandigheden kan [eiser] gedaagden niet verwijten dat door Ebcon de uitgifte van de aandelen langdurig is opgeschort.

3.11 De stelling van [eiser] dat gedaagden ondanks herhaalde sommaties daartoe via verschillende e-mails ten onrechte niet zijn overgegaan tot terugbetaling van het door [eiser] betaalde bedrag van f. 150.000,00 is onjuist. De e-mails waarnaar [eiser] verwijst (productie 4 bij conclusie van repliek) bevatten geen sommatie.

3.12 [eiser] stelt dat gedaagden, in de wetenschap dat Ebcon mogelijk niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, willekeurig onderscheid hebben ge-maakt tussen verschillende crediteuren van Ebcon. [eiser] wijst er ter on-derbouwing van zijn stelling op, dat twee aandeelhouders een onderhandse lening van f. 100.000.000,00 aan Ebcon hebben verstrekt. Medio oktober 2000 werd volgens [eiser] bekend dat de lening niet kon worden terugbetaald. Kort daarop verkregen deze aandeelhouders van Ebcon, zo stelt [eiser], de aandelen van twee andere aandeelhouders in Ebcon, die kennelijk als zekerheid hadden gediend voor de lening. De door [eiser] geschetste gang van zaken wijst niet op het maken van een willekeurig onderscheid tussen crediteuren. De genoemde crediteuren van Ebcon hadden, anders dan [eiser], een lening aan Ebcon verstrekt en bovendien is het bedrag van die lening kennelijk juist niet terugbetaald.

3.13 [eiser] stelt dat de informatie in het "Private Placement Memorandum" van 7 februari 2000 onvolledig en daardoor misleidend was en dat hij daardoor schade heeft geleden waarvoor gedaagden aansprakelijk zijn. [eiser] merkt het "Private Placement Memorandum" evenwel ten onrechte aan als een aan een openbare emissieprospectus gelijkwaardig stuk. Het "Private Placement Memorandum" vermeldt onder meer (productie 1 bij conclusie van repliek):

"This abbreviated Investment Memorandum is intended for existing shareholders only. This Memorandum is neither complete nor does it necessarily comply with requirements of regulatory bodies".

(…)

Till now Ebcon has financed its network construction activities from the positive cash flow of Ebcon Components and from pre-payments on sales contracts. These sources, although still available, are no longer sufficient to finance the roll-out of our business plans, hence this private placement.

(…)

Ebcon wants to close this issue of shares rapidly as focus is required on other financing operations. Ebcon also assumes that existing shareholders have enough knowledge of the business of the Company so that lengthy explanations can be skipped.

(…)

In these data no effects from the business of Ebcon Networks has been included."

3.14 Het "Private Placement Memorandum" was bestemd voor de kring van bestaande aandeelhouders. [eiser] mocht daaraan reeds om die reden niet de betekenis toekennen die hij zou hebben mogen toekennen aan een openbare emissieprospectus. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het "Private Placement Memorandum" onvolledig was stelt [eiser], dat hem achteraf bekend werd dat reeds op 31 maart 2000 een groot cash flow tekort bestond bij Ebcon. In de visie van [eiser] moet daarvan ook in februari sprake zijn geweest en had het "Private Placement Memorandum" daarover informatie moeten bevatten. [eiser] beroept zich in dit verband op een door hem overgelegde opstelling met de titel "Estimated short term cash needs Ebcon Networks SA April 29, 2000" (productie 8 bij conclusie van repliek).

3.15 Dat het "Private Placement Memorandum" onvolledig was kon [eiser] reeds uit de tekst daarvan afleiden. Het stuk waarop [eiser] zich beroept dateert echter van ruim na de datum waarop het "Private Placement Memorandum" werd opgesteld. In het licht van de stellingen van [eiser], dat hij ten tijde van het opstellen van het "Private Placement Memorandum" werkzaamheden verrichtte voor Ebcon Networks S.A. en onder meer verantwoordelijk was voor het opstellen van financiële modellen en bedrijfsplannen, mocht van hem worden verwacht dat hij zou motiveren op grond waarvan aan-genomen zou moeten worden dat gedaagden ten tijde van het opstellen van het "Private Placement Memorandum" kennis hadden van de financiële positie waarin Ebcon Networks S.A. zou komen te verkeren, welke kennis op dat moment bij [eiser] ontbrak. Nu een dergelijke motivering ontbreekt heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hij als gevolg van een aan gedaagden persoonlijk te verwijten onvolledigheid van het "Private Placement Memorandum" schade heeft geleden. In verband met eventuele persoonlijke verwijtbaarheid van gedaagden acht de rechtbank mede van belang dat gesteld noch gebleken is, dat door, of in opdracht van, gedaagden aan [eiser] is voorgesteld op de aandelen in te schrijven en/of dat gedaagden het "Private Placement Memorandum" aan [eiser] ter beschikking hebben gesteld.

3.16 De stelling van [eiser] dat hij het bedrag van f. 150.000,00 onverschuldigd heeft betaald is onjuist. De betaling vormde immers de betaling van de koopsom van de aandelen ter zake waarvan partijen overeenkwamen dat betaling direct zou plaatsvinden. Het subsidiaire standpunt van [eiser], dat sprake is van een lening van [eiser] aan Ebcon, is in strijd met de vaststaande feiten. Partijen zijn niet overeengekomen dat Ebcon een bedrag van [eiser] zou lenen. Tegenover de betaling van de koopsom stond de verplichting van Ebcon om aandelen aan [eiser] uit te geven. Dat die uitgifte werd opgeschort doet daaraan niet af. Desgewenst had [eiser] Ebcon in gebreke kunnen stellen.

3.17 Dat het "Subscription Form" bepaalt: "I am aware that the company may, in the process of allotment, reduce my subscription", verleent aan de betaling van de koopsom niet het karakter van een lening of van een onverschuldigde betaling. Slechts in geval van overschrijving van de emissie zou Ebcon het (bedongen) recht toekomen minder aandelen toe te wijzen dan waarop [eiser] had ingeschreven. Van overschrijving van de emissie was echter geen sprake.

3.18 De stelling van [eiser] dat hij het betaalde bedrag op ieder moment kon terugvorderen is onjuist. Er was immers geen sprake van een onverschuldigde betaling of van een opeisbare lening, maar van een krachtens overeenkomst betaalde koopsom. Onjuist is voorts de stelling van [eiser] dat hij Ebcon bij brief van 23 oktober 2000 heeft gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van f. 150.000,00 (zie 3.1 onder f). Betreffende fax was niet gericht aan Ebcon, maar aan een lid van de raad van commissarissen van Ebcon en bovendien bevat de fax geen sommatie, maar slechts een verzoek om terugbetaling.

3.19 De vorderingen van [eiser] zijn ongegrond en zullen worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De beslissing.

De rechtbank:

wijst de vorderingen van eiser af;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van ge-daagden sub 1, 2 en 3 gezamenlijk gevallen tot op heden begroot op € 2.836,12, voor zover aan de zijde van gedaagde sub 4 gevallen tot op heden begroot op € 2.413,65 en voor zover aan de zijde van gedaagde sub 5 gevallen tot op heden eveneens begroot op € 2.413,65, waaronder in alle drie gevallen begrepen een bedrag van € 1.542,85 aan procureurssalaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Poerink, Bouwman en Scheffers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 september 2002.