Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2002:AE8160

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
02/002278-01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2003:AL6195
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 02/002278-01

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en [woonplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Nieuw Vosseveld te Vught,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met beide handen de keel van die [slachtoffer] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan oornoemde [slachtoffer] (door verstikking) is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbe[slachtoffer]n rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, een of meerdere kogel(s) afgevuurd op/in het hoofd, althans op/in het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [slac[slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool, althans een vuurwapen,heeft/hebben gericht op het hoofd, althans op het lichaam, van die [slachtoffer] en/of vervolgens de trekker van dat pistool, althans van dat vuurwapen, heeft/hebben overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een pistool, althans met een vuurwapen, althans met een hard en/of zwaar voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, op het hoofd en/of

tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met beide handen de keel van die [slachtoffer] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (door verstikking) is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een

pistool, althans een vuurwapen, een of meerdere kogel(s) afgevuurd op/in het hoofd althans op/in het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

3. primair:

hij op of omstreeks 27 november 2001 te Bavel, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een pistool, althans een vuurwapen, heeft/hebben gericht op het hoofd, althans op het lichaam, van die [slachtoffer] en/of vervolgens de trekker van dat pistool althans van dat vuurwapen, heeft/hebben overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Hetgeen onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Door de raadsman is aangevoerd dat de onder 2 en 3 tenlaste gelegde feiten bij bewezenverklaring geen moord cq. poging tot moord, maar slechts doodslag c.q. poging tot doodslag opleveren.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachte, gewapend met een geladen pistool, naar het huis van de ouders van [slachtoffer] is gegaan, van plan zijnde om [slachtoffer] van het leven te beroven, terwijl hij rekening hield met de mogelijkheid dat de ouders van [slachtoffer] thuis zouden zijn. Zijn broer/mededader [verdachte] had hem van tevoren gevraagd wat hij zou doen als de vader en moeder van [slachtoffer] thuis zouden zijn. Verdachte had toen gezegd dat hij de ouders ook neer zou schieten als die er waren.

Onder deze omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank na kalm beraad en rustig overleg willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bij aankomst bij het huis van de ouders van [slachtoffer] die ouders thuis zou aantreffen en kogels op hen af zou vuren. Hij heeft aldus met voorbedachten rade gehandeld, ook al zou zijn opzet slechts voorwaardelijk zijn geweest in die zin dat hij niet zeker wist dat de ouders thuis zouden zijn.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1 en 2 telkens: Medeplegen van moord

3 primair: Poging tot moord.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

Over verdachte zijn rapporten uitgebracht door de klinisch en forensisch psycholoog drs. E.D. Wassenaar d.d. 1 juni 2002 en de psychiater A.D. Haverkamp d.d. 30 mei 2002. Beide deskundigen concluderen dat het aan verdachte tenlaste gelegde, indien bewezen, aan hem kan worden toegerekend, zij het slechts in sterk verminderde mate.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusie, gelet op de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen en voorts op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf en maatregel.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf en maatregel behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf en maatregel.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer [verdachte] schuldig gemaakt aan de moord op de echtgenote van [verdachte], [slachtoffer], en haar moeder.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging om de vader van [slachtoffer], de heer [slachtoffer], te vermoorden.

Gebleken is dat verdachte en zijn broer [verdachte] bewust, nauw en volledig hebben samengewerkt bij de totstandkoming van de moord op [slachtoffer] en haar moeder en dat verdachte moet worden aangemerkt als de feitelijke moordenaar.

Verdachte is op 27 november 2001 met een vuurwapen naar de woning van [slachtoffer]'s ouders in Bavel gegaan met het vooropgezette plan om [slachtoffer], en eventueel haar ouders, te doden.

Nadat verdachte door de vader van [slachtoffer] de toegang tot de woning was ontzegd, is hij met de vader in de hal van de woning in gevecht geraakt en heeft hij, naar eigen zeggen, het vuurwapen op het hoofd van de vader gericht en tevergeefs de trekker overgehaald. Vervolgens heeft verdachte tijdens de hierop volgende schermutselingen in de woning de moeder van [slachtoffer] van korte afstand, met de kennelijke bedoeling om haar dodelijk te raken, neergeschoten. Hierna heeft hij, tijdens een gevecht met de vader van [slachtoffer], zijn pistool andermaal gericht op het hoofd van die vader en opnieuw tevergeefs de trekker overgehaald, omdat het wapen op dat moment wederom weigerde waardoor geen kogel werd afgevuurd. Verdachte heeft vervolgens de slede van het pistool naar achteren gedaan en het pistool op [slachtoffer] gericht. Terwijl hij richtte, werd verdachte door de vader van [slachtoffer] aangevallen, waarna hij de trekker overhaalde en vuurde, maar [slachtoffer] niet raakte.

[slachtoffer] is hierna, gevolgd door verdachte, naar buiten gevlucht. Verdachte heeft, nadat hij [slachtoffer] had ingehaald, gemerkt dat zijn pistool leeg was, en heeft [slachtoffer] naar de grond gebracht en haar vervolgens gewurgd door haar keel met twee handen dicht te knijpen. Hij is, nadat hij merkte dat [slachtoffer] zich niet meer verzette, gestopt met het dichtknijpen van de keel. Toen [slachtoffer] even later begon te kokhalzen heeft verdachte wederom haar keel met beide handen en met volle kracht dichtgeknepen totdat ze niet meer reageerde.

De moorden zijn door verdachte op koelbloedige wijze voorbereid en uitgevoerd.

De dood van de slachtoffers heeft voor de nabestaanden onherstelbaar leed teweeggebracht. Het valt te verwachten dat de vader van [slachtoffer] nog geruime tijd zal lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hem is aangedaan. Zijn vrouw is immers onder zijn ogen doodgeschoten en zijn dochter is even later gewurgd.

Ook uit het door de vader als benadeelde partij ingediende voegingformulier komt naar voren dat zijn leven sinds de dramatische gebeurtenissen op 27 november 2001 totaal ontwricht is. Hij heeft zich onder behandeling van een psychotherapeut moeten stellen en is nog altijd niet in staat zijn werkzaamheden te hervatten.

Het behoeft voorts geen betoog dat dergelijke feiten de rechtsorde op buitengemeen grove wijze schokken en gevoelens van grote angst en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen.

Met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Omtrent de persoon van verdachte zijn rapporten opgemaakt door de psychiater Haverkamp en de psycholoog Wassenaar.

Beide rapporteurs komen tot de conclusie dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is te achten en dat de kans op recidive, gelet op de ziekelijke stoornissen bij verdachte, zeer aannemelijk is. Wassenaar merkt in zijn rapport op dat bij verdachte de grote mate van agressie, die plots een uitweg zoekt, en de zeer gebrekkige impulscontrole, alsmede het onvermogen van verdachte om zich in een ander in te leven, opvallend is.

Beide rapporteurs achten een gerichte behandeling vanuit een TBS met verpleging van overheidswege noodzakelijk.

De rechtbank onderschrijft de stelling van voornoemde rapporteurs dat de bewezenverklaarde feiten verdachte slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend, omdat bij hem ten tijde van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond.

De rechtbank stelt vast dat op de door verdachte begane misdrijven naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar of meer is gesteld en zij is op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en het opleggen van verpleging eisen. Uit de rapporten leidt zij af dat de kans dat verdachte zich opnieuw aan soortgelijke feiten zal schuldig maken in sterke mate aanwezig is. De rechtbank heeft tevens de grote ernst van de bewezenverklaarde feiten in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit onder meer blijkt dat hij:

- in oktober 2000 is veroordeeld terzake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en

- in mei 1998 is veroordeeld terzake van onder andere 4 straatroven tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie, inhoudende een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar en TBS met dwangverpleging, recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

De rechtbank acht het, gelet op de bijzondere ernst van de gepleegde feiten, in het belang van de door deze feiten geschokte samenleving, gewenst dat verdachte eerst tweederde van de op te leggen gevangenisstraf uitzit alvorens met de verpleging een aanvang wordt gemaakt en zal een daartoe strekkend advies uitbrengen op de voet van artikel 37b lid 2 van het wetboek van strafrecht.

12 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [slac[slachtoffer] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van

€ 9.609,43 waaronder een bedrag van € 5000,= als voorschot, terzake van smartengeld en shockschade, terzake van hetgeen onder 1, 2 en 3 is bewezen verklaard. Daarnaast heeft de benadeelde nog een Pro Memorie schadepost opgevoerd.

De vordering is niet inhoudelijk betwist.

De benadeelde partij is in beginsel ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade. De rechtbank acht de gespecificeerde vordering ad € 9.609,43 integraal toewijsbaar, nu deze niet onrechtmatig en ongegrond voorkomt.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het pro memorie-gedeelte van de vordering niet ontvankelijk verklaren, aangezien dit gedeelte van de vordering niet voldoende onderbouwd en derhalve niet eenvoudig van aard is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is echter niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan.

Naast partiële toewijzing van de vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de maatregel tot schadevergoeding ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, nu verdachte jegens [slac[slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door de strafbare feiten, genoemd onder 1, 2 en 3 is toegebracht; één en ander met dien verstande dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen.

13 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57 en 289 van het wetboek van strafrecht.

14 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN JAREN.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Zij adviseert de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eerder aan te vangen dan nadat tweederde van de hiervoor vermelde gevangenisstraf is ondergaan.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [slac[slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 9.609,43 (zegge: negenduizend zes honderd en negen euro en 43 eurocent), bij wijze van voorschot, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. (BP.23)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 9.609,43 (zegge: negen duizend zes honderd en negen euro en 43 eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededader is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Cohen-Koningsveld, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Goossens, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier De Roos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2002.