Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2002:AE6816

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-07-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
228253 \ AZ VERZ 02 - 283
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2002, 5928
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton - locatie Bergen op Zoom

B E S C H I K K I N G in de zaak van

de rechtspersoon naar burgerlijk recht STICHTING PEUTERSPEELZALEN BERGEN OP ZOOM,

gevestigd te Bergen op Zoom,

verzoekster, nader te noemen "stichting Peuterspeelzalen",

gemachtigde: mr. C. van Tongeren, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats] aan het [adres],

verweerster, nader te noemen "[verweerster]",

gemachtigde: mw. M.C.A. Geerts, juridisch medewerkster onderwijsbond CNV te Tilburg.

1. Procesgang

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met productie, ingekomen ter griffie op 26 april 2002;

- het verweerschrift met productie;

- de mondelinge behandeling van het verzoek ter terechtzitting van 11 juni 2002, waarbij aanwezig waren stichting Peuterspeelzalen, vertegenwoordigd door haar directeur de heer P.W.M. Korzilius en haar stafmedewerker de heer M.A. Draaijer, bijgestaan door mr. Van Tongeren en [verweerster], vergezeld door haar echtgenoot en bijgestaan door mw. Geerts.

De inhoud van genoemde stukken, alsmede van de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen -met productie- door mr. Van Tongeren en de overgelegde pleitnota van mw. Geerts, geldt hier als ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens te zitting is aangevoerd wordt -voor zover nodig- hierna teruggekomen.

2. Geschil

Stichting Peuterspeelzalen heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op korte termijn te ontbinden wegens gewichtige redenen, zonder toekenning aan [verweerster] van enige vergoeding; kosten rechtens.

[verweerster] heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd.

3. Beoordeling

3.1

Tussen partijen staat -als enerzijds gesteld, anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist-

het volgende vast:

- de thans 41-jarige [verweerster] is op 1 maart 1995 bij stichting Peuterspeelzalen in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;

- laatstelijk was zij werkzaam als peuterleidster in de peuterspeelzalen Olleke Bolleke en de Tuinkabouters gedurende respectievelijk 11,25 uur en 6,75 uur per week, tegen een bruto uurloon van € 13,84 exclusief 8% vakantietoeslag;

- aan het einde van schooljaar 2000/2001 is [verweerster] gevraagd na de zomerperiode Olleke Bolleke op te starten, samen met collega, waarmee [verweerster] heeft ingestemd;

- op 4 februari 2002 heeft [verweerster] aan de directeur van stichting Peuterspeelzalen gevraagd om overplaatsing van Olleke Bolleke naar een andere speelzaal, welk verzoek door de directeur tijdens dat gesprek is afgewezen;

- op 14 februari 2002 heeft [verweerster] zich ziek gemeld en tot aan de dag van de zitting is zij nog steeds arbeidsongeschikt;

- partijen zijn aan het einde van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld hun geschil voor te leggen aan een mediator, doch één der partijen heeft daar -om haar moverende redenen- vanaf gezien.

3.2

Stichting Peuterspeelzalen grondt haar verzoek op gewichtige redenen, waarbij zij stelt dat door een onoplosbaar arbeidsconflict tussen partijen voor de toekomst geen verdere vruchtbare samenwerking meer is te verwachten. Het arbeidsconflict is -kort gezegd- voortgevloeid uit de afwijzing door de directeur van het verzoek van [verweerster] tot overplaatsing. De directeur kon en wenste op basis van de aangegeven bezwaren door [verweerster], aan haar verzoek tot overplaatsing geen gehoor te geven, mede gezien het geldende personeelsbeleid en uit het oogpunt van collegialiteit. Volgens de directeur was de situatie bij de opstart van Olleke Bolleke weliswaar niet optimaal, doch door de kleine groepsgrootte van 3 à 5 kinderen -terwijl onder 'normale omstandigheden' een groepsgrootte van 14 kinderen gebruikelijk is- en gezien het vooruitzicht op verbetering, is stichting Peuterspeelzalen van mening dat de omstandigheden niet té bezwarend voor [verweerster] zouden kunnen zijn. Volgens stichting Peuterspeelzalen komen de problemen van [verweerster] eerder voort uit privé-omstandigheden.

Na afwijzing van het overplaatsingsverzoek is volgens stichting Peuterspeelzalen de verhouding tussen partijen -door toedoen van [verweerster] en haar echtgenoot- geëscaleerd. Stichting Peuterspeelzalen is van mening dat er thans duidelijk sprake is van situationele arbeidsongeschiktheid en dat van haar in de onderhavige omstandigheden in redelijkheid niet gevergd kan worden het dienstverband met [verweerster] voort te zetten. Stichting Peuterspeelzalen ziet zich gesteund door de arbo-arts die in het reïntegratieplan aangeeft "geen verwachting werkhervatting in de eigen onderneming". Nu de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding geheel, dan wel in overwegende mate aan [verweerster] is te wijten, is stichting Peuterspeelzalen -in beginsel- van mening dat [verweerster] bij beëindiging van het dienstverband geen vergoeding toekomt.

3.3

[verweerster] verweert zich en voert aan dat zij vanaf haar indiensttreding altijd goed gefunctioneerd heeft. Zij erkent dat er spanningen tussen haar directeur en haar zijn ontstaan op het moment dat hij op 4 februari 2002 terstond (zonder nader onderzoek naar de mogelijkheden) haar verzoek tot overplaatsing afwees. [verweerster] had haar directeur vanaf augustus 2001 al diverse keren aangegeven dat het werken bij Olleke Bolleke haar zwaar viel. Redenen hiervoor waren het niet voorhanden zijn van een draaiboek voor het opzetten van een nieuwe peuterspeelzaal, de lokatie die niet optimaal was, het niet aanwezig zijn van de benodigde voorzieningen, meubilair en materialen en het frequent aantal wisselende collega's die door haar ingewerkt moesten worden (vier in een half jaar tijd), wat bovendien tot gevolg had dat zij niet terug kon vallen op één vaste collega. De directeur hield [verweerster] telkens voor dat de niet optimale omstandigheden slechts van beperkte duur zouden zijn, maar tot haar ziekmelding is er nog steeds weinig tot niets veranderd. [verweerster] is verbaasd over de uitspraak van de arbo-arts ten aanzien van de reïntegratie, nu zij slechts twee maal bij deze arts is geweest in een tijdsbestek van 3 weken na haar ziekmelding, waarbij zij in een zwaar overspannen situatie verkeerde. De arbo-arts heeft zijn visie over het al dan niet mogelijk zijn van reïntegratie ook niet met haar besproken. Volgens [verweerster] is zij overspannen geworden door de werkdruk en de arbeids-omstandigheden. Zij ziet zich hierin gesteund door een verklaring van haar huisarts.

[verweerster] geeft aan erg geschrokken te zijn van het ontbindingsverzoek. Zij heeft steeds -en ook nu nog- volledige reïntegratie, bij voorkeur in een andere speelzaal dan Olleke Bolleke, voor ogen gehad. Zij zal echter eerst beter moeten worden.

Mocht de kantonrechter een ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitspreken, dan verzoekt [verweerster]

haar een vergoeding toe te kennen.

3.4

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] thans arbeidsongeschikt is. Stichting Peuterspeelzalen stelt dat er duidelijk sprake is van situationele arbeidsongeschiktheid en dat deze arbeidsongeschiktheid niet in de weg staat aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

[verweerster] geeft aan dat haar arbeidsongeschiktheid is voortgevloeid uit de werkdruk en de arbeidsomstandigheden bij Olleke Bolleke en dat zij niet situatief arbeidsongeschikt is.

De kantonrechter is voldoende gebleken dat het onderhavige ontbindingsverzoek verband houdt met het opzegverbod tijdens ziekte. In dat kader is van belang dat ontbinding tijdens ziekte wel

mogelijk is, doch dat van de ontbindingsbevoegdheid in dat geval een terughoudend gebruik dient te worden gemaakt, bijvoorbeeld in het geval zich er een bijzondere situatie voordoet.

3.5

De kantonrechter is van oordeel dat zo'n bijzondere situatie zich thans niet voordoet. De kanton-rechter overweegt daaromtrent als volgt.

Tussen partijen is vast komen te staan dat [verweerster], die laatstelijk op twee locaties werkzaam was -te weten Olleke Bolleke en de Tuinkabouters- tot haar ziekmelding goed heeft gefunctioneerd. Onweersproken is voorts komen vast te staan dat bij speelzaal Olleke Bolleke een aantal bijzondere en verzwarende omstandigheden een rol speelden, zoals de gebrekkige locatie, het niet voorhanden zijn van een draaiboek en van een aantal voorzieningen c.q. materialen, alsmede het gegeven dat [verweerster] ter plaatse de enige vast kracht was. Stichting Peuterspeelzalen geeft aan dat er bij de nieuw op te zetten speelzaal dagelijks slechts ongeveer 3 à 5 kinderen aanwezig waren, terwijl het gemiddelde bij andere speelzalen ongeveer 14 kinderen betreft, waaruit zij afleidt dat dit niet bezwarend voor [verweerster] kan zijn en tevens een compensatie vormt voor de niet geheel optimale situatie ter plaatse. Daarbij gaat zij echter voorbij aan het door haar zelf aangegeven feit dat het allen kinderen van allochtone afkomst betrof die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig zijn, hetgeen wel degelijk als verzwarende omstandigheid door [verweerster] kan worden ervaren. De kantonrechter acht het, gezien alle omstandigheden van het geval, goed voorstelbaar dat de ziekte van [verweerster] is voortgevloeid uit de bijzondere factoren verbandhoudend met de werksituatie waar zij vanaf augustus 2001 mee werd geconfronteerd. [verweerster] heeft de door haar ondervonden problemen ook bij haar directeur aangekaart, doch deze is eraan voorbij gegaan. Door op 4 februari 2002 zonder enige vorm van nader onderzoek het gemotiveerde overplaatsingsverzoek van [verweerster] af te wijzen, heeft (de directeur van) stichting Peuterspeelzalen niet als zorgvuldig werkgever gehandeld. Temeer niet nu ter zitting is gebleken dat de stichting bestaat uit 13 peuterspeelzalen met om en nabij 40 leidsters. In deze omstandigheden en gezien de problematiek die speelde zou een overplaatsing van [verweerster] naar een andere speelzaal tot de mogelijkheden moeten kunnen behoren. Deze mogelijkheden kunnen -na het herstel van [verweerster]- alsnog worden bezien.

Gezien het feit dat het functioneren van [verweerster] tot haar ziekmelding nooit ter discussie heeft gestaan en gelet op al hetgeen overigens hierboven is overwogen, leidt dit ertoe dat het verzoek van stichting Peuterspeelzalen vanwege strijd met het opzegverbod tijdens ziekte, zal worden afgewezen.

3.6

Nu het verzoek van stichting Peuterspeelzalen wordt afgewezen, wordt zij verwezen in de proceskosten.

4. Beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek van stichting Peuterspeelzalen af;

- veroordeelt stichting Peuterspeelzalen in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerster] gevallen, begroot op € 360,00 (driehonderd zestig euro) voor salaris gemachtigde van [verweerster].

Deze beschikking is gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2002 door

mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.