Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2002:AE0807

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
189191/CV/01-1467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

sector kanton - locatie Breda

VONNIS

in de zaak van:

1. de rechtspersoonlijheid bezittende vereniging FNV

BONDGENOTEN, gevestigd te Amsterdam,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging CNV

BEDRIJVENBOND, gevestigd te Houten,

eiseressen,

gemachtigde: mr. A. Joosten, advocaat te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN MELLE NEDERLAND B.V., gevestigd en kantoorhoudende te postbus 3000, 4800 DA Breda, Zoete Inval 20,

gedaagde,

gemachtigde: mr. drs. S.O. Voogt, advocaat te Rotterdam.

1. Procesgang

Het verloop van het geding blijkt uit de volgende stukken:

- het tussenvonnis d.d. 18 april;

- de conclusie van repliek tevens houdende akte tot wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek met producties;

- de akte houdende uitlatingen producties.

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

2. Onderwerp van geschil

Eisers (verder de bonden te noemen) hebben aanvankelijk - onder punt I van het petitum van de dagvaarding - gevorderd voor recht te verklaren dat uit de (hierna nader te omschrijven) overeenkomst van 11 oktober 1990 volgt dat ook aan werknemers die op of na 1 februari 1998 in dienst zijn getreden bij Van Melle en werkzaam zijn in een drieploegentoeslag een ploegentoeslag dient te worden betaald van 22,5% (de toepasselijke CAO voor de Suikerverwerkende Industrie schrijft een toeslag van 19% voor).

De bonden vorderen thans, na wijziging van eis, (zonder directe verwijzing naar de overeenkomst van 11 oktober 1990) voor recht te verklaren dat ook aan werknemers die op of na 1 februari 1998 in dienst zijn getreden bij Van Melle en werkzaam zijn in een drieploegendienst een ploegentoeslag dient te worden betaald van 22,5% en Van Melle (gedaagde) te veroordelen binnen 2 weken na het in deze te betekenen vonnis over te gaan tot

het alsnog uitbetalen van het verschil aan ten onrechte niet genoten ploegentoeslag aan de betrokken werknemers.

3. Beoordeling

Tussen partijen staat vast dat de bonden (alsmede de Unie B.L.H.P.) in oktober 1990 met Van Melle een in een contract d.d. 11 oktober 1990 vastgelegde overeenkomst hebben gesloten ten aanzien van het werken in drie ploegen. Een kopie van het desbetreffende contract is bij dagvaarding overgelegd.

De eerste zin van artikel 1 van dat contract luidt: "Deze voorwaarden (de artikelen 1 tot en met 10; kantonrechter) zullen gelden voor werknemers, die op 5 maart 1990 bij Van Melle in dienst zijn."

In artikel 8 is bepaald dat onder meer de "ploegentoeslag boven C.A.O." onafhankelijk van de winstontwikkeling gehandhaafd blijven, "tenzij de winstontwikkeling van dien aard is, dat de continuïteit van de onderneming van Van Melle in Breda in gevaar zou komen en tenzij er zich een zodanige wijziging in de omstandigheden voordoet, dat van Van Melle niet aan deze toezegging (tot onder meer handhaving van de ploegentoeslag "boven CAO-niveau" van 22,5%; kantonrechter) kan worden gehouden, alsmede indien de toepasselijke C.A.O, ingrijpende wijzigingen ondergaat…".

Van Melle heeft erkend dat zij ook nà 5 maart 1990 bij haar in dienst getreden werknemers (van de Afdeling Bereiding Suikerwerk) een ploegentoeslag van 22,5% heeft betaald en dat zij daar per 1 februari 1998 mee is gestopt. Vanaf die datum., zo staat vast, ontvangen nieuwe werknemers die bij Van Melle in drieploegendienst werken de in de CAO bepaalde ploegentoeslag van 19%.

Bij repliek hebben de bonden aangevoerd dat Van Melle al sinds begin van de jaren '80 een hogere ploegentoeslag hanteert, dat de bonden daarmee hebben ingestemd, dat zij dat, vanwege het positieve effect voor de werknemers - in juridisch opzicht - ook wel moesten doen, dat het contract van 11 oktober 1990 dan ook in dat licht moet worden bezien, en dat artikel 8 daarvan kennelijk is te zien als een herbevestiging van de afspraken uit begin jaren '80.

"De hogere ploegentoeslag is door Van Melle aan alle werknemers toegekend tot 1 februari 1998. Door de afspraak eenzijdig te beëindigen heeft Van Melle in strijd gehandeld met het overeenkomstenrecht ….", aldus de bonden in de conclusie van repliek.

Er is echter niet meer gebleken dan een afspraak tussen partijen met betrekking tot de op 5 maart 1990 bij Van Melle in dienst zijnde medewerkers. Het niettemin door Van Melle nog toekennen van een ploegentoeslag van 22,5% aan in de periode 6 maart 1990 tot 1 februari 1998 in dienst getreden medewerkers is een eenzijdig besluit geweest van Van Melle en het stond Van Melle vrij daarop terug te komen.

Artikel 8 van het contract van 11 oktober 1990 kan, wat de bonden kennelijk wel (willen) doen, niet los worden gezien van de duidelijke beperking van de gelding van al de in dat contract genoemde arbeidsvoorwaarden in artikel 1 voor genoemde categorie werknemers.

Voorzover Van Melle, wat de bonden lijken te betogen, enkel op grond van het al sedert begin jaren '80 (jaren '70, aldus Van Melle) hanteren van een "ploegentoeslag boven CAO" en/of

een in 1981/1982 in het kader van de verhuizing van Van Melle van Rotterdam naar Breda tot stand gekomen sociaal plan gehouden zou zijn (geweest) om ongelimiteerd, afgezien van de "tenzij-clausules" in genoemd artikel 8, aan al degenen die bij haar in drieploegendienst werken en komen werken een ploegentoeslag van 22,5% te betalen, is onbegrijpelijk dat de bonden akkoord zijn gegaan met de in voormeld artikel 1 opgenomen beperking. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat die gehoudenheid niet heeft bestaan.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering van de bonden, met veroordeling van de bonden tot betaling van de proceskosten.

3. Beoordeling

De kantonrechter:

- wijst de vordering van de bonden af;

- veroordeelt de bonden tot betaling van de proceskosten, welke kosten aan de zijde van Van Melle worden begroot op € 787,50 aan salaris voor gemachtigde van gedaagde;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.A. Bouwen en uitgesproken op de openbare terecht-zitting van 13 maart 2002.