Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2002:AE0456

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
21-03-2002
Zaaknummer
02/004436-01 + 02/018518-01 + 02/001795-01 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0172
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT BREDA

Parketnummers: 02/004436-01 + 02/018518-01 + 02/001795-01 (tul)

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder het eerste vermelde parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda alsmede in de zaak onder parketnummer 02/001795-01 met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging, tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum/plaats],

thans gedetineerd in Huis van Grave (Unit A + B) te Grave,

heeft de vierde kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

* parketnummer 02/004436-01

1.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) op of omstreeks 03 september 2001

(in de middag en (vroege) avond) te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachto[slachtoffer] van het leven te beroven,

althans [slachto[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen (telkens)

meermalen, althans eenmaal (telkens) met dat opzet met geschoeide voet(en)

heeft geschopt/getrapt en/of met een staaf/stok en/of met de

hand(en)/vuist(en) heeft geslagen/gestompt tegen het hoofd en/of de armen

en/of benen en/of romp, althans het lichaam van die [slachtoffer] (ook terwijl die

[slachtoffer] op de grond lag) en/of heeft getrokken/geduwd aan die [slachtoffer] en/of heeft

gegooid/gesleept met die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

Sr 287/302/45/47

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) op of omstreeks 03 september 2001

(in de middag en vroege avond) te Tilburg met een ander of anderen, op of aan

de openbare weg, Kruidenlaan en/of Venkelhof en/of de op die straten

uitkomende brandgang(en), in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachto[slachtoffer], welk geweld bestond uit het

(telkens) meermalen, althans eenmaal met geschoeide voeten schoppen/trappen

en/of slaan/stompen met een staaf/stok en/of met de handen/vuisten tegen het

hoofd en/of de armen en/of benen en/of romp, althans het lichaam van die [slachtoffer]

(ook terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en/of trekken/duwen en/of

gooien/slepen aan/van die [slachtoffer], welk slaan/stompen en/of schoppen/trappen

en/of trekken/duwen en/of gooien/slepen zwaar, althans enig, lichamelijk

letsel (hersenletsel en/of hersenschudding en/of kneuzingen en/of blauwe

plekken en/of schrammen en/of een wond aan zijn lip en/of aan zijn hoofd) bij

die [slachtoffer] ten gevolge had;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 september 2001 (in de avond rond 22.00 uur) te Tilburg

(in de woning [adres]) ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk [slachto[slachtoffer] van het leven te beroven, althans M.

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in

vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met dat opzet:

- gewapend met, althans in het bezit van een mes en/of beitel en/of

breekijzer, althans (een) scherp(e) en/of hard(e) voorwerp(en) de/een woning

van die [slachtoffer] en/of diens moeder, [slachtoffer], heeft betreden en/of

(hebbende/zijnde die [slachtoffer] een (veilig) heenkomen gezocht, althans gevlucht

(op/in/naar de/een (slaap)kamer) in die woning en/of hebbende die [slachtoffer] zich

aldaar verscholen en/of verschanst althans de/een (slaap)kamerdeur

geblokkeerd, althans zijnde die [slachtoffer] aanwezig in die (slaap)kamer, althans

woning),

- die [slachtoffer] heeft gesommeerd de (slaap)kamer te verlaten, althans tevoorschijn

te komen en/of

- meermalen, althans eenmaal op de/een (slaapkamer)deur heeft

gebonkt/geklopt/geramd en/of

- meermalen, althans eenmaal met een breekijzer en/of beitel op en/of door

de/een (slaap)kamerdeur heeft gebonkt/geramd/geslagen/gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Sr 287/302/45/47

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

A.

hij op of omstreeks 03 september 2001 (circa 22.00 uur) te Tilburg, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachto[slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) (telkens) opzettelijk dreigend,

- de/een woning ([adres]) van die [slachtoffer] en/of diens moeder, [slachtoffer],

betreden en/of

(hebbende die [slachtoffer] een veilig heenkomen gezocht (op/in de/een (slaap)kamer)

in die woning en/of zich verscholen en/of verschanst althans de/een

(slaap)kamerdeur geblokkeerd, althans zijnde die [slachtoffer] aanwezig in die

(slaap)kamer, althans woning),

- meerdere, althans een ruit(en) van de woning [adres] vernield en/of

- (in de woning) lawaai gemaakt en/of

- de koelkast omver getrokken en/of

- de/een wandversiering van de muur getrokken/geslagen en/of

- meubelstuk(ken) omgegooid en/of opzij gezet/gesmeten en/of vernield en/of

- met/op (een) (voor/achter)deur(en) geslagen/gegooid en/of

- met/op een (slaapkamer)deur gebonkt/geklopt/geramd en/of

- met een breekijzer en/of beitel op en/of door de/een (slaap)kamerdeur

gebonkt/geramd/geslagen;

(Sr 285)

en/of

B.

hij op of omstreeks 03 september 2001 (circa 22.00 uur) te Tilburg tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en

wederrechtelijk een woning ([adres]), althans meerdere, althans een

ruit(en) en/of een deur(en) van die woning en/of (het) interieur van/in die

woning, althans meerdere, althans een meubelstuk(ken) en/of wandbekleding

en/of wandversiering en/of gordijnen, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachto[slachtoffer] en/of [slachtof[benadeelde partij] en/of de woningstichting, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Sr 350)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 04 september 2001 (te circa 01.00 uur) te Tilburg tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachto[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, in elk geval na een daartoe tevoren genomen

wilsbesluit,

- de woning ([adres]) van die [slachtoffer] en/of diens moeder [slachtof[benadeelde partij] betreden

(zijnde die [slachtoffer] (bewusteloos en/of slapend aanwezig in de/een (slaap)kamer

op de eerste verdieping en/of hebbende die [slachtoffer] zich aldaar verschanst en/of

ingesloten, althans een kast geschoven/gezet voor de slaapkamerdeur) en/of

- op meerdere, althans een plaats(en) in de/een (woon)kamer, althans die

woning, (een mengsel van) petroleum en/of benzine en/of dethol en/of alcohol,

althans een brandbare (vloei)stof(fen) (uit) gegoten en/of gesprenkeld op de

vloerbedekking (lynoleum) en/of een of meer meubelstukken en/of wandbekleding

en/of gordijnen en/of ruit(en)/ra(a)m(en) en/of (vervolgens)

- de/het (brand(bare)) (vloei)stof/mengsel tot ontbranding gebracht door/met

een brandende aansteker en/of lucifer en/of (open) vuur, en/of (open) vuur in

aanraking gebracht met de vloerbedekking en/of een meubel(s)(stuk) en/of

wandbekleding en/of gordijnen en/of ruit(en)/ra(a)m(en), ten gevolge waarvan

de benedenverdieping, althans de woonkamer van de woning, althans het/de

interieur/meubel(s)(stuk(ken)), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in

elk geval brand is ontstaan, althans brand gesticht in die woning, tengevolge

waarvan rookgas(sen) en/of koolmonoxide is/zijn ontstaan en/of gekomen in de

woning en/of de (slaap)kamer, waardoor, althans tengevolge van welke brand

(en/of de gevolgen daarvan) voornoemde [slachto[slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 september 2001 (te circa 01.00 uur) te Tilburg tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand

heeft gesticht in een woning ([adres]), immers heeft verdachte en/of

een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk op meerdere, althans

een plaats(en) in de/een (woon)kamer, althans die woning (een mengsel van)

petroleum en/of benzine en/of dethol en/of alcohol, althans een brandbare

stof(fen) (uit) gegoten en/of gesprenkeld op de vloerbedekking (lynoleum)

en/of een of meer meubelstuk(ken) en/of wandbekleding en/of gordijn(en) en/of

ruit(en)/ra(a)m(en) en/of (vervolgens) de/het (brand(bare)) (vloei)stof/mengsel

tot ontbranding gebracht met/door een brandende aansteker en/of lucifer,

althans (open) vuur, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met de vloerbedekking en/of een meubel(s)(stuk) en/of wandbekleding

en/of gordijn(en) en/of ruit(en)/ra(a)m(en), althans met (een) brandbare

stof(fen), ten gevolge waarvan de benedenverdieping, althans woonkamer van de

woning, althans het/de interieur/meubel(s)(stuk(ken)), geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl dit feit (door de

ontstane rookgas(sen) en/of koolmonoxide-ontwikkeling) de dood van [slachto[slachtoffer]

ten gevolge had en/of daarvan gemeen gevaar voor de woning en/of het

interieur, althans meubels(stuk(ken)), en/of belendende perce(e)l(en), in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor [bewoner J.] (en haar

dochter), althans een of meer bewoner(s) van [adres]), in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

* parketnummr 02/018518-01

1.

hij op een tijdstip in de periode van 15 september 2001 tot en met 16

september 2001 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een (personen)auto (Volkswagen Golf), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen auto onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(aangifte 2.1.1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een tijdstip in de periode van 27 juli 2001 tot en met 28 juli 2001 te

Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de Eikenbosch) heeft weggenomen

twee, althans een aantal, kratten bier, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan W.A.C.C. Verhoeven en/of Super De Boer, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming; (aangifte 2.4.1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[[mededader] en/of [me[mededader] en/of [mededa[mededader] op een tijdstip in de

periode van 27 juli 2001 tot en met 28 juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente

Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand

(gelegen aan de Eikenbosch) heeft/hebben weggenomen twee, althans een aantal,

kratten bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

W.A.C.C. Verhoeven en/of Super De Boer, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of zijn/hun mededader(s)

en/of aan verdachte, waarbij die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of

zijn/hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij

het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest door die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] (met een auto) van

en/of naar de plaats des misdrijfs te vervoeren en/of voor die [mededader]

en/of [mededader] en/of [mededader] in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats des

misdrijfs op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2001 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan De Els) heeft weggenomen

een hoeveelheid diepvriesartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (aangifte 2.5.1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[[mededader] en/of [me[mededader] en/of [mededa[mededader] op of omstreeks 28

juli 2001 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

(bedrijfs)pand (gelegen aan De Els) heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid

diepvriesartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [mededader]

en/of [mededader] en/of [mededader] en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan verdachte,

waarbij die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of zijn/hun mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het plegen van welk

misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door die

[mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] (met een auto) van en/of naar de plaats

des misdrijfs te vervoeren en/of voor die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader]

in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats des misdrijfs op de uitkijk te

staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een tijdstip in de periode van 4 augustus 2001 tot en met 5 augustus

2001 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

(bedrijfs)pand (gelegen aan De Els) heeft weggenomen een laptop, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming; (aangifte 2.10.1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[[mededader] en/of [me[mededader] en/of [mededa[mededader] op een tijdstip in de

periode van 4 augustus 2001 tot en met 5 augustus 2001 te Waalwijk, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan De Els)

heeft/hebben weggenomen een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan

verdachte, waarbij die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of zijn/hun

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij

het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest door die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] (met een auto) van en/of

naar de plaats des misdrijfs te vervoeren en/of voor die [mededader] en/of

[mededader] en/of [mededader] in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats des

misdrijfs op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 14 juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de

Eikenbosch) heeft weggenomen een aantal kratten bier, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan W.A.C.C. Verhoeven en/of Super De Boer, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming; (aangifte 2.12.1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[[mededader] en/of [me[mededader] en/of [mededa[mededader] op of omstreeks 14

juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de Eikenbosch) heeft/hebben

weggenomen een aantal kratten bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan W.A.C.C. Verhoeven en/of Super De Boer, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of

zijn/hun mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [mededader] en/of

[mededader] en/of [mededader] en/of zijn/hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats

des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar

opzettelijk behulpzaam is geweest door die [mededader] en/of [mededader] en/of

[mededader] (met een auto) van en/of naar de plaats des misdrijfs te vervoeren en/of

voor die [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] in de (onmiddellijke) nabijheid

van de plaats des misdrijfs op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op een tijdstip in de periode van 23 juli 2001 tot en met 24 juli 2001 te

Waalwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand

(gelegen aan De Els) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid rookwaren, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming; (aangifte 2.18.1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

* ten aanzien van parketnummer 02/004436-01

Verdachte is onder feit 3, primair moord c.q. doodslag ten laste gelegd. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank de moord niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet

worden afgeleid dat tussen verdachte en zijn medeverdachten een vooraf beraamd plan bestond om [slachtoffer] [slachtoffer] door brandstichting te doden. De door de verdachte en zijn medeverdachten hierover afgelegde verklaringen, inhoudende dat zij, kort samengevat, [slachtoffer] door middel van die brandstichting uit zijn woning wilden jagen danwel zijn leven in die woning in de toekomst voorgoed onmogelijk wilden maken, zijn op dat punt consistent en eenduidig.

* ten aanzien van parketnummer 02/018518-01

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 6 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Hierbij is voor de rechtbank met name leidend geweest de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij ten tijde van de inbraak gedetineerd was en de zich in het dossier bevindende fotoprints waar, anders dan door de officier van justitie is gesteld, op geen enkele wijze waarneembaar is dat verdachte zou hebben deelgenomen aan de betreffende inbraak.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

* parketnummer 02/004436-01

1, primair

op meerdere tijdstippen op 3 september 2001 in de middag en vroege avond te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderenopzettelijk [slachto[slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededaderstelkens met dat opzet met geschoeide voeten heeft geschopt/getrapt en met de vuisten heeft geslagen tegen het hoofd en de armen en benen en rompvan die [slachtoffer] (ook terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) en heeft getrokken aan die [slachtoffer] en heeft gegooid met die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2, primair

op 03 september 2001 in de avond rond 22.00 uur te Tilburg in de woning [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachto[slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met zijn mededader met dat opzet:

- gewapend met een mes en beitel en breekijzerde woning van die [slachtoffer] en diens moeder, [slachtoffer], heeft betreden en hebbende die [slachtoffer] een heenkomen gezocht kamer in die woning en hebbende die [slachtoffer] zich aldaar verscholen en verschanst

- meermalen op de slaapkamerdeur heeft geramd en

- meermalen met een breekijzer op en door de slaapkamerdeur heeft geramd/gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3, primair

op 04 september 2001 (te circa 01.00 uur) te Tilburg tezamen

en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachto[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet ,

- de woning ([adres]) van die [slachtoffer] en diens moeder [slachtof[benadeelde partij] betreden (zijnde die [slachtoffer] aanwezig in een slaapkamer op de eerste verdieping en hebbende die [slachtoffer] zich aldaar verschanst en op meerdereplaatsen in dewoonkamer een mengsel van petroleum en dethol gesprenkeld op de vloerbedekking en een meubelstuk en gordijnen en raamen en vervolgens het brandbare mengsel tot ontbranding gebracht met een brandende aansteker ten gevolge waarvan de benedenverdieping geheel is verbrand, tengevolge waarvan rookgas(sen) en koolmonoxide zijn ontstaan en gekomen in de woning en de (slaap)kamer, waardoor voornoemde [slachto[slachtoffer] is overleden;

Hetgeen onder de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

* parketnummer 02/018518-01

1.

op een tijdstip in de periode van 15 september 2001 tot en met 16 september 2001 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (Volkswagen Golf), toebehorende aan [eigenaar], waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen auto onder hun bereik

hebben gebracht door middel van braak;

2, primair

op een tijdstip in de periode van 27 juli 2001 tot en met 28 juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met anderenmet het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de Eikenbosch heeft weggenomen twee kratten bier toebehorende aan W.A.C.C. Verhoeven en/of Super De Boer,

waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak

3, primair

op 28 juli 2001 te Waalwijk tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan De Els heeft weggenomen een hoeveelheid diepvriesartikelen toebehorende aan Albert Heijn, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak

4, primair

op een tijdstip in de periode van 4 augustus 2001 tot en met 5 augustus

2001 te Waalwijk tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan De Els heeft weggenomen een laptop toebehorende aan Albert Heijn, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak

5, primair

op 14 juli 2001 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen

en in vereniging met anderen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de

Eikenbosch heeft weggenomen een aantal kratten bier toebehorende aan W.A.C.C. Verhoeven en/of Super De Boer, waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs hebben verschaft door middel van braak

Hetgeen onder de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Ten aanzien van parketnummer 02/004436-01:

* feit 1 primair - opzet

De rechtbank acht voor wat betreft het eerste feit op grond van onder meer de verklaringen van verdachte, [mededader] [mededader][mededader]edader], [mededader] [mededader], [getuige], [getuige] en [getuige], bewezen dat verdachte en zijn mededaders het slachtoffer [slachtoffer] [slachtoffer] tot tweemaal toe op buitensporige wijze hebben geschopt en geslagen tegen zijn hoofd, armen benen en romp, terwijl het slachtoffer werd vastgehouden c.q. zich in hulpeloze toestand op de grond bevond.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich aldus blootstelde aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] ten gevolge van vorenstaande handelingen van het leven zou worden beroofd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door het gedurende langere tijd met kracht slaan en schoppen op nagenoeg alle delen van het menselijk lichaam, waaronder ook het hoofd, dodelijk letsel kan worden veroorzaakt.

Verdachte heeft mitsdien steeds gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

* feit 1 primair - vrijwillige terugtred

De raadsman heeft ten aanzien van het eerste feit aangevoerd dat er sprake is van vrijwillige terugtred nu het niet intreden van het gevolg of de gevolgen zoals omschreven in de tenlastelegging slechts voortvloeit uit het besluit van verdachte en zijn mededaders de mishandeling van [slachtoffer] te staken.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank kan van vrijwillige terugtred geen sprake zijn, omdat in het onderhavige geval sprake is van een voltooide poging, waarbij verdachte en zijn mededaders alle handelingen hebben verricht die konden leiden tot de dood van het slachtoffer [slachtoffer].

* feit 2 primair - begin van uitvoering

Ten aanzien van feit 2 is door de raadsman opgemerkt dat er geen sprake is van een begin van uitvoering van het delict van poging tot doodslag dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn mededaders, gewapend met messen, breekijzers en een beitel de woning van [slachtoffer] zijn binnengedrongen. Uit onder meer de verklaringen van respectievelij[mededader]edader] en [mededader] [mededader] blijkt dat [mededader] [mededader] daarbij, kort vóór het naar binnengaan van de woning van [slachtoffer], tegen zijn mededaders heeft gezegd "Ik steek hem ([slachtoffer] [slachtoffer], de rechtbank) neer" en "Als [slachtoffer] direct weer komt dan pakken we hem weer of steken hem neer", waarbij hij, [mededader] [mededader], een stekende beweging maakte met een mes in zijn handen.

Binnengekomen in de woning van [slachtoffer], herkende [mededader] [mededader] de zich boven in het trapgat bevindende [slachtoffer], waarop [mededader] samen met verdachte e[mededader]edader] naar boven is gelopen. Op de bovenverdieping heef[mededader]edader], na kort zoeken, de slaapkamerdeur waarachter [slachtoffer] verscholen zat, gevonden. Middels hard trappen en gebruikmakend van breekijzers, waarbi[mededader]edader] met zijn koevoet een aantal malen dwars door de deur heen heeft geramd, hebben verdachte en zijn mededaders gepoogd zich toegang te verschaffen tot de slaapkamer van [slachtoffer]. Hieromtrent is doo[mededader]edader] verklaard dat hij op dat moment zo opgefokt was, dat indien hij de deur zou hebben opengekregen, de persoon die zich in de slaapkamer bevond, dood zou hebben kunnen slaan. Verdachte verklaart over het betreffende moment dat indien het gelukt zou zijn om de slaapkamerdeur van [slachtoffer] open te krijgen, [slachtoffer] op dat moment zijn hersens zouden zijn ingeslagen of [slachtoffer] aan het mes zou zijn geregen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde poging tot doodslag zich wel degelijk door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

Meer in het bijzonder neemt de rechtbank ten aanzien van verdachte hierbij nog in aanmerking dat verdachte geen afstand heeft genomen ten tijde van het inrammen van de slaapkamerdeur, maar daar zelfs, gewapend met een breekijzer, actief aan heeft deelgenomen en geen gebruik heeft gemaakt van de reële mogelijkheid om zich te distantiëren van de gedragingen va[mededader]edader] en [mededader] [mededader], ook niet nadat hij beide laatstgenoemde personen levensbedreigende uitingen in de richting van die [slachtoffer] had horen uitroepen.

Dat het misdrijf (doodslag) niet is voltooid is niet het gevolg geweest van enige omstandigheid die afhankelijk was van verdachte en zijn mededaders, maar van de omstandigheid dat [slachtoffer] er kennelijk in is geslaagd zijn slaapkamerdeur voor verdachte en zijn mededaders gesloten te houden.

* feit 3 primair - medeplegen/opzet

Namens verdachte is ter verdediging aangevoerd dat verdachte de hem onder feit 3 verweten strafbare gedragingen niet heeft medegepleegd, omdat verdachte ten aanzien van de brandstichting geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd en hem ook overigens geen directe betrokkenheid kan worden verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen kan de volgende feitelijke gang van zaken worden afgeleid:

Verdachte en zijn mededaders hebben zich op 3 september 2001, tussen 14.00 uur en 22.30 uur, in groepsverband tot driemaal toe schuldig gemaakt aan een poging doodslag jegens [slachtoffer]. De groep, waarvan in ieder telkens verdachte[mededader]edader] en [mededader] [mededader] deel uitmaakten, trok die gehele middag en avond gezamenlijk op en beïnvloedde elkaar tot het meermalen plegen van ernstig geweld jegens [slachtoffer].

Vanaf 22.30 uur bestond de groep nog slechts uit vier personen, te weten verdachte, [mededader] [mededader][mededader]edader] en [mededader]. Laatstgenoemde personen hielden zich van ongeveer 22.30 uur tot 01.00 uur tezamen op in een auto nabij de woning van [slachtoffer] alwaar, in de voortdurende aanwezigheid van verdachte, serieuze plannen werden gemaakt over het in brand steken van de woning van [slachtoffer]. Onder meer werd besproken da[mededader]edader] een brandbare stof zou regelen en dat [mededader] die stof in de woning zou aansteken. Uit de verklaringen van [mededader] e[mededader]edader] blijkt bovendien dat verdachte tijdens deze plannenmakerij een actieve rol heeft gespeeld. De rechtbank verwijst hierbij naar de omstandigheid dat verdacht[mededader]edader] en [mededader] [mededader] er expliciet op attent maakte dat de te gebruiken brandbare stof goed tegen de ramen en gordijnen gegooid moest worden, hetgeen in latere instantie ook op deze wijze doo[mededader]edader] werd uitgevoerd.

Nadat in onderling overleg besloten was de brandstichting daadwerkelijk tot uitvoer te brengen, i[mededader]edader] naar huis gelopen om aldaar drie coca-colaflesjes te vullen met petroleum. Teruggekomen bij de auto kree[mededader]edader] van onder andere verdachte te horen dat de drie flesjes in een grote plastic fles dienden te worden overgegoten. Na hieraan te hebben voldaan, zij[mededader]edader], met in zijn handen de plastic fles met brandbare vloeistof, [mededader] en verdachte gedrieën naar de achtertuin van de woning van [slachtoffer] gelopen. Aldaar aangekomen zij[mededader]edader] en [mededader] [mededader] samen de woning binnengegaan. In de woning heef[mededader]edader], zoals reeds in de auto door verdachte was opgeworpen, de brandbare vloeistof voornamelijk uitgesprenkeld over de ramen en gordijnen, waarna [mededader] [mededader] deze vloeistof vervolgens heeft aangestoken met zijn aansteker. Gelet op verdachtes positie in de achtertuin, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de handelingen va[mededader]edader] en [mededader] [mededader] moet hebben waargenomen. Bevestiging voor dit oordeel ziet de rechtbank niet alleen in de verklaringen van zowel [mededader] [mededader] e[mededader]edader], waarin zij hebben verklaard dat op het moment dat zij de woning van [slachtoffer] binnengingen verdachte in de achtertuin op hen bleef staan wachten, maar tevens in een tweetal verklaringen van [mededader] [mededader], waarin hij verklaart dat hij, nadat door hem de brandbare stof was aangestoken, tegen verdachte in de achtertuin heeft gezegd "kijk daar, dat vlammetje".

Na de brandstichting zijn verdachte[mededader]edader] en [mededader] [mededader] gevlucht naar het speeltuintje, alwaar zij van tevoren hadden afgesproken met [mededader]. Vervolgens zijn verdachte, [mededader], [mededader] en [mededader] zonder de brandweer te bellen, naar huis gegaan en gaan slapen.

Op grond van het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de reële mogelijkheid om zich te distantiëren van de gedragingen van [mededader] [mededader] e[mededader]edader], is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte[mededader]edader] en [mededader] [mededader], zodat hij, verdachte, het bewezen verklaarde heeft medegepleegd.

Vervolgens is aan de orde de vraag of verdachte en zijn mededaders opzet op het teweegbrengen van de dood van het slachtoffer [slachtoffer] hebben gehad. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen als vast komt te staan dat verdachte willens en wetens het risico heeft genomen dat als gevolg van het in brand steken van de woning [slachtoffer] [slachtoffer] zou komen te overlijden.

Blijkens de bewijsmiddelen zijn de navolgende feiten vast te stellen.

- uit de verklaringen van [mededader] [mededader] en [mededader] volgt ondubbelzinnig dat verdachte en zijn mededaders door middel van brandstichting de intentie hadden om [slachtoffer] uit zijn woning te jagen;

- bij het binnentreden van de woning van [slachtoffer] door [mededader] [mededader] e[mededader]edader], heeft eerstgenoemde - nadat [mededader] was gestruikeld over een stoel - [mededader] direct gewaarschuwd dat hij stil moest zijn en niet zoveel lawaai moest maken;

[mededader]edader] en [mededader] [mededader] hebben, nadat zij de woning hadden betreden, zich er op geen enkel moment en op geen enkele wijze van vergewist of er zich iemand in het huis bevond, hetgeen gelet op het nachtelijk tijdstip, zijnde een tijdstip waarop men gewoonlijk in bed pleegt te slapen, naar het oordeel van de rechtbank zeer zeker in de rede had gelegen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn mededaders tenminste het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] [slachtoffer] hebben gehad. Zij hielden naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het vorenstaande, terdege rekening met de mogelijkheid dat [slachtoffer] ergens in de woning aanwezig zou kunnen zijn. Hiermee hebben verdachte en zijn mededaders willens en wetens het risico genomen dat als gevolg van het in brand steken van de benedenwoning, [slachtoffer] zou komen te overlijden.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

* parketnummer 02/004436-01

Feit 1, primair

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Feit 2, primair

Medeplegen van poging tot doodslag.

Feit 3, primair

Medeplegen van doodslag.

* parketnummer 02/018518-01

Feit 1

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feiten 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair, telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 Het ad informandum gevoegde.

De rechtbank heeft in de beoordeling betrokken de door verdachte bekende, maar hem niet ten laste gelegde feiten, die zijn vermeld op de vanwege de officier van justitie aan verdachte betekende onderhavige dagvaarding, te weten:

1. 018518-01 15 september 2001 tot en met 16 september 2001, Oosterhout

Gem. Oosterhout, diefstal auto in ver. dmv braak/verbr.,

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.2.1

2. 018518-01 26 juli 2001 tot en met 29 juli 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

diefstal auto in ver. dmv braak/verbr.

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.6.1

3. 018518-01 31 juli 2001 tot en met 1 augustus 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

diefstal auto in ver. dmv braak/verbr.

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.7.1

4. 018518-01 4 augustus 2001 tot en met 5 augustus 2001, Tilburg, Gem. Tilburg

poging inbraak in vereniging,

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.8.1

5. 018518-01 4 augustus 2001 tot en met 5 augustus 2001, Rijen,

Gem. Gilze en Rijen (medepl. bij) (poging) inbraak in ver.

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.9.1

6. 0185181-01 01 september 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

inbraak- auto in vereniging,

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.11.1

7. 018518-01 23 juni 2001 tot en met 24 juni 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

diefstal auto in ver. dmv braak/verbr.

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.14.1

8. 018518-01 29 juni 2001 tot en met 30 juni 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

poging inbraak in vereniging,

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.15.1

9. 018518-01 3 augustus 2001 tot en met 4 augustus 2001, Waalwijk, Gem. Waalwijk,

(medepl. bij) inbraak,in vereniging,

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.16.1

10. 018518-01 29 juli 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

diefstal auto in ver. dmv braak/verbr.

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.18.1

11. 018518-01 01 september 2001, Tilburg, Gem. Tilburg,

inbraak auto in vereniging,

benadeelde [benadeelde partij], aangifte 2.19.1

11.2 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene en het ter informatie bij het dossier gevoegde, dat hierboven is genoemd, alsmede op grond van de omstandigheden, waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.3 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft zich in de periode van half juli tot en met half september 2001 samen met anderen schuldig gemaakt aan een zestiental inbraken danwel pogingen daartoe, waaronder zes bedrijfsinbraken en een aantal auto-inbraken c.q. autodiefstallen.

Hoewel de rechtbank de ernst van deze feiten op geen enkele wijze wenst te bagatelliseren, ligt de nadruk voor wat betreft de ernst van de door verdachte gepleegde feiten naar het oordeel van de rechtbank thans nadrukkelijk op de bewezenverklaarde feiten welke betrekking hebben op de gebeurtenissen in de Kruidenbuurt te Tilburg op 3 en 4 september 2001.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich op laatstgenoemde data, onder invloed van excessief gebruik van drugs, schuldig gemaakt aan een explosie van geweld, intimidatie en uiteindelijk brandstichting jegens hun Somalische buurtbewoner, psychiatrisch patiënt, [slachtoffer] [slachtoffer].

Bij de brandstichting, welke gepleegd werd in de woning van [slachtoffer], is deze [slachtoffer] via verstikkingsdood om het leven gekomen.

Aanleiding voor het uiterst gewelddadige gedrag zou volgens verdachte en zijn mededaders zijn gelegen in het lastige gedrag dat [slachtoffer] reeds geruime tijd jegens hen en de buurtbewoners zou vertonen en waaraan verdachte en zijn mededaders zich zodanig ergerden dat besloten werd [slachtoffer] een lesje te leren en hem uit de wijk te jagen. Dit "lesje" escaleerde vervolgens in de middag van 3 september 2001 tot twee extreem brute geweldplegingen jegens die [slachtoffer] in een brandgang. [slachtoffer] bevond zich daarbij telkens in een toestand waarin hij zich op geen enkele wijze kon verdedigen; hij werd vastgehouden c.q. lag in hulpeloze toestand op de grond. [slachtoffer] werd op die manier tot tweemaal toe op een beestachtige wijze door verdachte, [mededader] [mededader] e[mededader]edader] afgetuigd.

Dat [slachtoffer] niet reeds tijdens die mishandelingen het leven heeft gelaten, mag naar het oordeel van de rechtbank een wonder heten.

Na deze geweldplegingen zijn verdachte en zijn mededaders in de avond van 3 september 2001, gewapend met breekijzers, messen en een beitel naar de woning van [slachtoffer] gegaan, alwaar zij [slachtoffer] op de bovenverdieping, verschanst achter een slaapkamerdeur, aantroffen. Hierop hebben verdachte en zijn mededaders getracht zich met fors geweld, daarbij gebruik makende van de meegenomen breekijzers, toegang te verschaffen tot de slaapkamer van [slachtoffer], hetgeen hen echter niet lukte.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich daarna in een auto teruggetrokken om vervolgens in de avond en nacht van 3 op 4 september 2001, onder invloed van verder drugsgebruik, het plan te ontwikkelen om de woning van [slachtoffer] in brand te steken, om [slachtoffer] op die manier uit zijn huis te verjagen. Tevens zou deze brandstichting het [slachtoffer] voor de verdere toekomst onmogelijk moeten maken om nog in de woning te kunnen blijven wonen. De tenuitvoerlegging van deze plannen heeft uiteindelijk geresulteerd in de dood van [slachtoffer], die zich op het moment van de brandstichting nog steeds op zijn slaapkamer bevond. [slachtoffer] is bij deze brand omgekomen door koolmonoxidevergiftiging en rookgassen.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis van 16 jaar gevangenisstraf het standpunt ingenomen dat moord jegens [slachtoffer] bewezen kan worden. De rechtbank is in haar bewezenverklaring niet uitgegaan van dit doelbewuste handelen, hetgeen in de strafoplegging ook tot uiting zal worden gebracht. Dit neemt niet weg dat de doelbewuste brandstichting die verdachte samen met anderen pleegde, hem zwaar dient worden aangerekend. Verdachte mag dan naar het oordeel van de rechtbank niet de dood hebben beraamd van [slachtoffer], maar hij heeft door deze brandstichting wel gevolgen in het leven geroepen die voorzienbaar waren, omdat brand zich immers onbeheersbaar kan ontwikkelen. Voorts heeft verdachte zich er op geen enkele wijze van vergewist of er ten tijde van het aansteken van de brand nog bewoners in de betreffende woning aanwezig waren. Verdachte had daarmee rekening moeten houden en daarom acht de rechtbank de verwijtbaarheid zeer hoog.

Verdachte heeft geen enkele medewerking verleend aan het opstellen van voorlichtingsrapportages. Tevens heeft verdachte zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting onthouden van ieder commentaar betreffende zijn persoon, zodat de rechtbank zich van de persoonlijke omstandigheden van verdachte thans geen eenduidig beeld heeft kunnen vormen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan voor wat betreft de strafoplegging niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich meebrengt.

Daarbij is rekening gehouden met het zeer gewelddadige karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke verontrusting die mede daarvan het gevolg is, alsmede de mate waarin het bewezenverklaarde bij de Somalische gemeenschap in Tilburg in het algemeen en de nabestaanden van het slachtoffer in het bijzonder leed teweeg heeft gebracht. De rechtbank wenst in dit verband nog te overwegen dat van enige racistische motieven van de zijde van verdachte en zijn mededaders niet aannemelijk is geworden.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat verdachte terzake vermogensdelicten reeds eerder tot aanmerkelijke gevangenisstraffen is veroordeeld en thans nog in twee proeftijden loopt.

De rechtbank zal derhalve, gelet op de voorgaande overwegingen, verdachte veroordelen tot een lagere vrijheidsstraf dan de officier van justitie vorderde.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het wetboek van strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 2 augustus 2001 door de politierechter te Breda is veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van twee jaar, in verband met overtreding van de artikelen 310, 311 en 321 van het wetboek van strafrecht, en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een aantal misdrijven voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

12 De overwegingen omtrent het beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp genoemd onder nummer 6 op de aan dit vonnis gehechte lijst, te weten een blauwe agenda, aan [mededader] [mededader] omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

13 De overwegingen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging.

Verdachte is op 2 augustus 2001 veroordeeld door de politierechter te Breda tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie zal evenwel worden afgewezen, gelet op de lengte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf.

14 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [eigenaar] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 322,57 terzake van hetgeen onder feit 1 (parketnummer 02/018518-01) is bewezen verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het hiervoor onder feit 1 bewezenverklaarde, rechtstreekse schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Daarom kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Er is in deze zaak sprake van meer dan een pleger van het strafbare feit. Ieder van de plegers is naar het civiele recht hoofdelijk aansprakelijk. De verdachte is echter niet tot vergoeding gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan.

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], nu verdachte jegens deze naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die aan deze door het strafbare feit, genoemd onder feit 1 (parketnummer 02/018518-01), is toegebracht.

De benadeelde partij [slachtof[benadeelde partij] heeft schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van

€ 11.586,80 terzake van hetgeen onder feit 3 primair is bewezen verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

15 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 14g, 27, 36f, 45, 47, 57, 63, 287, 310 en 311 van het wetboek van strafrecht.

16 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart ten aanzien van feit 3 primair (parketnummer 02/004436-01) niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 6 (parketnummer 02/018518-01) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair (parketnummer 02/004436-01) en onder de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en

5 primair (parketnummer 02/018518-01) meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF JAAR.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij gelast de teruggave aan [mededader]. [mededader] van het onder 12 omschreven voorwerp.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [eigenaar] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 322,57 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro 57/100), te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering.

Zij verstaat dat verdachte niet tot vergoeding van voormeld bedrag en van de kosten is gehouden voor zover het gevorderde reeds door zijn mededaders is voldaan. (BP.20)

Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.(BP.28)

Zij legt daarnaast aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een som geld ten bedrage van € 322,57 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro 57/100), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag komt te vervallen.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij [slachtof[benadeelde partij] niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Zij verwijst de verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil. (BP.16)

De rechtbank wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie d.d. 16 oktober 2001 af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Lameijer, voorzitter, mr. Toekoen en mr. Tilman-Knoester, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Roelandt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 maart 2002.