Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AZ9389

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
83730 HAZA 00-836
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

n.v.t.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

83730 / HA ZA 00-836 ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA

20 november 2001 Negende Kamer

VONNIS

In de zaak van:

[de vrouw],

wonende te Dongen,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 27 april 2000,

verweerster in reconventie,

procureur: mr. P.C.H. Jansen,

advocaat: mr. A. .B. Leerkotte,

tegen:

[de man], wonende te Dongen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur: mr. J.M. Veldkamp.

1. Het verloop van de procedure.

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding;

- de conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met zes producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in recon-ventie, met zeven producties;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, met drie producties;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- een akte van de zijde van de man;

- een antwoordakte van de zijde van de vrouw.

Partijen worden ook aangeduid als de vrouw en de man.

2. Het geschil,

De vrouw vordert, in conventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw, binnen vier weken na een te dezen te wijzen vonnis, van een bedrag gelijk aan de helft van het totale vermogen van partijen, berekend naar de vermogenswaarde per 5 maart 1999, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 1999, althans vanaf de dag der huwelijksontbinding, tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw, binnen vier weken na een te dezen te wijzen vonnis, van een bedrag gelijk aan de helft van de vermogenstoename, bere-kend naar de vermogenswaarde per 5 maart 1999 van de onder punt 7 van de dag-vaarding bedoelde vermogensbestanddelen, zijnde het eindvermogen van partijen verminderd met de waarde per 15 mei 1987, van de onder genoemd punt 7 bedoelde vermogensbestanddelen, welk eindbedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 1999, althans vanaf de dag der huwelijksontbinding, tot aan de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair:

kosten rechtens.

In reconventie vordert de man, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de vrouw te veroordelen om aan de man ten titel van uitkering wegens overbedeling te voldoen een bedrag van f. 12.500,00;

subsidiair:

de wijze van verdeling van de gemeenschap van inboedel vast te stellen.

Partijen weerspreken elkaars vordering.

3. De beoordeling.

In conventie en in reconventie:

3.1 De vorderingen in conventie en reconventie worden vanwege hun nauwe samenhang gezamenlijk behandeld.

3.2 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde pro-ducties het volgende vast:

- Bij akte verleden op 14 mei 1987 zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan. Op 15 mei 1987 zijn partijen op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

- Op 5 maart 1993 werd een echtscheidingsvordering ingesteld. Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juli 1999 is de echtscheiding uitgesproken, Op 19 november 1999 is de beschikking ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

- Op grond van de huwelijkse voorwaarden is elke goederengemeenschap uitgesloten, behoudens een gemeenschap van inboedel. Voorts bevatten de huwelijkse voorwaarden onder andere navolgende bepalingen:

Artikel 7. De kosten van de huishouding en die van de verzorging en de opvoeding van de kinderen, die uit het huwelijk der echtgenoten mochten geboren worden, (...) komen (...) te hunnen laste en wel in evenredigheid van hun inkomens, en - voor zover de inkomens ontoereikend zijn - in evenredigheid van hun vermogens (...)

Artikel 8. Onder de kosten der huishouding als bedoeld in artikel 7 zullen mede zijn begrepen de lasten en de kosten van verzekering, normaal onderhoud en gebruik van zaken, waarvan de echtgenoten tezamen het genot hebben, alsmede de belastingen, welke ten laste van het inkomen plegen te worden gebracht en die niet het karakter van kapitaalheffingen hebben of betrekking hebben op een bepaalde zaak van een der echtgenoten, waarvan zij niet samen het genot hebben, alsook premies en koopsommen van door een der echtgenoten gesloten studie-, spaar-, levens- of lijfrenteverzekeringen, deze laatste echter tenzij zij door een der echtgenoten te eigen behoeve, doch op het leven van de andere echtgenoot zijn gesloten, in welk geval die premies of koopsommen voor rekening van de verzekeringnemer zijn,

Artikel 9. Bij het bepalen van het inkomen van een der echtgenoten, als bedoeld in artikel 7, worden de winsten van een door hem of haar uitgeoefend bedrijf of vrij beroep in aanmerking genomen naar de normen, die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd.(…)

Artikel 10. Het recht op verrekening van de in enig kalenderjaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7 vervalt, indien die afrekening niet binnen twaalf maanden na afloop van het kalenderjaar heeft plaatsgehad en geen der echtgenoten binnen die twaalf maanden de afrekening schriftelijk heeft gevorderd.

Artikel 11, Indien na afloop van een kalenderjaar blijkt, dat een gedeelte van de inkomsten der echtgenoten niet is besteed of alsnog moet worden besteed tot bestrijding van de in artikel 7 bedoelde kosten over dat jaar, dan zal ieder der echtgenoten kunnen vorderen, dat de afre-kening plaats heeft op zodanige wijze, dat ieder hunner de helft van de som van hun bedoelde overgespaarde inkomsten ontvangt.

Het in de artikelen 9 en 10 bepaalde is te dier zake van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de termijn bedoeld in artikel 10 in dat geval twee jaar bedraagt.

De echtgenoten zijn verplicht elkaar desverlangd volledige gegevens te verschaffen omtrent de genoten inkomsten en de daaruit betaalde in artikel 7 bedoelde kosten.

De uitkering, waartoe de ene echtgenoot krachtens deze verrekening jegens de andere gehouden is, geschiedt in geld en is onmiddellijk opeisbaar, tenzij door partijen dienaangaande bij de afrekening een andere regeling wordt getroffen.(...)

- Verrekening als bedoeld in artikel 11 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden heeft nimmer plaatsgevonden.

3.3 De vrouw grondt haar vordering op het verrekenbeding, Het gehele vermogen van partijen is in de visie van de vrouw opgebouwd uit overgespaard inkomen en de (her)beleggingen daarvan, De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen in de omstandigheden van dit geval naar het oordeel van de vrouw mee dat het hele vermogen alsnog voor verdeling in aanmerking komt. Specifieke ver-mogensbestanddelen ter zake waarvan de vrouw aanspraak op verrekening maakt betreffen de waarde van de vermogensbestanddelen welke deel uitmaken van de onderneming van de man (de eenmanszaak tandartsenpraktijkgroep P.S. van de Kletersteeg te Dongen), de waarde van de echtelijke woning en de waarde van een groot aantal verzekeringspolissen, waaronder lijfrente- en kapitaalverzekeringen.

3.4 De man stelt dat de activa ter zake waarvan de vrouw verrekening van de (over)waarde wenst alleen door hem zijn verkregen en uitsluitend aan hem in eigendom toebehoren. De man betwist dat betreffend vermogen is opgebouwd uit overgespaard inkomen en (her)beleggingen daarvan. De man stelt dat het onroerend goed (de echtelijke woning en het praktijkpand) met geleend geld is gefinancierd en dat op de hypothecaire lening geen aflossingen uit de inkomsten zijn gedaan. Koopsommen en premies van verzekeringen stelt de man te hebben voldaan uit zijn rekening-courantverhouding. Voorts wijst de man erop dat krachtens artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden de premies en de koopsommen ter zake van op naam van de man staande verzekeringen, met uitzondering van één polis met nummer 6329126, zijn begrepen onder de kosten van de huishouding. De man stelt dat nu de betaalde premies/koopsommen als vertering moeten worden beschouwd en niet als een belegging, de waarde van al deze polissen, behoudens de polis met nummer 6329126, slechts aan de man ten goede komt. De man stelt voorts dat de vrouw ter zake van de verdeling van de inboedel is overbedeeld met een bedrag van in ieder geval f. 12.500,00. De man wenst verrekening van dat bedrag en vordert in reconventie veroordeling van de vrouw om dat bedrag aan hem te betalen.

3.5 Artikel 11 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden bevat een ver-valtermijn van twee jaar. Een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel is echter met toepasselijk voor zo-ver dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 25 november 1988, NJ 1989, 529 en 5 oktober 1990, NJ 1991, 576). In zijn arrest van 19 januari 1996 (NJ 1996, 617) heeft de Hoge Raad omtrent vervalbedingen als het onderhavige het navolgende overwogen:

4.3,3. Bij beantwoording van de vraag of het onderhavige beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is in het bijzonder van betekenis dat een beding als het onderhavige naar zijn aard in belangrijke mate de werking ontneemt aan de tussen partijen overeengekomen verrekening van hetgeen jaarlijks van hun zuivere inkomsten resteert, alsmede dat om voor de hand liggende redenen partijen in het algemeen niet tot verrekening zullen overgaan zolang de huwelijkse samenleving voortduurt. Van belang is voorts dat, zoals in de literatuur is opgemerkt, partijen zich veelal niet bewust zullen zijn van de consequenties van een beding als het onderhavige en ook als gevolg daarvan jaarlijkse verrekening achterwege zullen laten. Een en ander brengt mee dat een beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht in een geval waarin een van de gewezen echtgenoten na hun echtscheiding verrekening vordert van in het verleden overgespaarde inkomsten, tenzij blijkt van, door de echtgenoot die zich op het vervalbeding beroept te stellen en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen.

3.6 Omstandigheden die in dit geval een beroep op de vervaltermijn zouden kunnen rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken. Een eventueel beroep op de vervaltermijn zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Tussen partijen zal derhalve alsnog over de gehele huwelijkse periode verrekening overeenkomstig artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden dienen plaats te vinden

3.7 Bij arrest van 3 oktober 1997 (NJ 1998, 383) heeft de Hoge Raad overwogen waartoe een verrekenbeding als het onderhavige strekt:

3.4. (...) Een beding als het onderhavige strekt naar zijn aard ertoe dat hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard periodiek tussen hen wordt verrekend. Ieder der echtgenoten is vervolgens in staat zijn aandeel in de besparingen, door belegging, te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen.

Laten partijen tijdens het bestaan van het huwelijk deling van het overgespaarde achterwege en blijft het recht om deling te vorderen bestaan, dan brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding mee dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogens-vermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard, maar ongedeeld gebleven, in de verrekening wordt betrokken.

Deze door de Hoge Raad in zijn voormeld arrest van 7 april 1995 aanvaarde - in zijn arresten van 19 januari 1996, NJ 1996, 617 en 28 maart 1997, RvdW 1997, 83 (NJ 1997, 581, m.nt. WMK; red.), herhaalde - opvatting houdt echter niet in dat, wanneer de aan de echtgenoten in privé toebehorende, buiten de verdeling blijvende goederen geen inkomsten hebben opgeleverd maar tijdens het bestaan van het huwelijk wel in waarde zijn gestegen, een beding als het onderhavige naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aldus zou moeten worden uitgelegd dat (ook) zodanige waardestijgingen moeten worden verrekend als waren zij voortgekomen uit overgespaarde inkomsten.

3.8 Gesteld noch gebleken is dat partijen voor de huwelijkssluiting reeds over in het kader van de verrekening relevante vermogensbestanddelen beschikten, behoudens een door de man reeds bij Zwitserleven afgesloten polis. Het is onder deze omstandigheden aan de man om aannemelijk te maken dat het tijdens het huwelijk door hem opgebouwde vermogen, althans dat een deel daarvan, is opgebouwd uit posten die niet onder het verrekenbeding vallen,

de eenmanszaak

3.9 Bij het bepalen van het inkomen van een der echtgenoten, als bedoeld in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden, worden krachtens artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden de winsten van een door hem of haar uitgeoefend bedrijf of vrij beroep in aanmerking genomen naar de normen, die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd.

3.10 Iedere gedurende het huwelijk van partijen in de eenmanszaak van de man opgetreden vermogensvermeerdering kan naar de normen die in het maatschap-pelijk verkeer aanvaardbaar worden geacht worden aangemerkt als winst uit het door hem uitgeoefende vrije beroep en daarmee als voor verdeling in aanmerking komend inkomen. Dat tot de eenmanszaak behorende vermogensbestanddelen, zoals het praktijkpand, mede met vreemd vermogen werden gefinancierd en dat dergelijke vermogensbestanddelen een waardevermeerdering kunnen hebben ondergaan welke niet direct samenhangt met de beroepsuitoefening doet er niet aan af dat die waardevermeerdering als winst kan worden aangemerkt In welke mate gedurende de huwelijkse periode volgens belastingaangiften en belastingaanslagen sprake is geweest van winst in fiscale zin is evenmin van belang. Het fiscale begrip winst stemt immers niet overeen met het bedrijfseconomische begrip, noch met het in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden neergelegde criterium. De vermogensvermeerdering die gedurende het huwelijk in de eenmanszaak van de man is opgetreden dient derhalve te worden verrekend.

de echtelijke woning

3.11 De echtelijke woning is in 1989 door de man aangekocht voor een koopprijs van f. 400.000,00. Financiering heeft plaatsgevonden door het op 8 december 1989 aangaan van een hypothecaire geldlening van f. 400.000,00 bij Crediet en Effectenbank NV (productie 4 bij conclusie van antwoordleis). De man stelt dat er bij de voldoening van de koopsom van de echtelijke woning niet uit in-komsten is gesuppleerd en dat op de hypothecaire lening geen aflossingen uit de inkomsten zijn gedaan. De vrouw stelt dat gedurende het huwelijk wel is afgelost op de hypothecaire leningen, alsmede dat die aflossingen ten laste zijn gekomen van het inkomen van partijen.

3.12 Als productie 2 bij conclusie van antwoord/eis heeft de man onder andere een groot aantal van verzekeringsmaatschappijen afkomstige stukken overgelegd. Daartoe behoort een polis van 2 juni 1998 van Delta Lloyd Levensverzekering NV. De polis vervangt de eerder onder hetzelfde nummer afgegeven polissen. De betreffende verzekering, met het opschrift "Hypotheek Totaal Plan", voor-ziet onder andere in de uitkering van f. 400.000,00 bij in leven zijn van de ver-zekerde op 08.12.2019. Verder vermeldt de polis, kort gezegd, dat bij akte van 08.12.1989 Crediet en Effectenbank NV als begunstigde is aangewezen en dat aan deze de rechten zijn verpand, die voor de verzekeringnemer uit de verzekering voortvloeien. De verschuldigde premie bedraagt f 591,13 per maand. De hypotheekrente op basis waarvan de premie voor deze verzekering is vastge-steld bedraagt 6,400%.

3.13 In verband met de financiering van de echtelijke woning heeft de man periodiek de over het geleende bedrag verschuldigde hypotheekrente dienen te vol-doen, alsmede de premie ter zake van de hiervoor genoemde verzekering. De man heeft klaarblijkelijk gekozen voor het aangaan van een type hypothecaire geldlening waarbij geen periodieke aflossingen plaatsvinden, doch periodiek premie wordt betaald voor een verzekering die in de toekomst een bedrag zal uitkeren waarmee de geleende hoofdsom alsdan volledig zal kunnen worden afgelost. Materieel bezien bestaat er geen verschil tussen deze situatie en de situatie waarin rechtstreekse periodieke aflossingen op de geleende hoofdsom plaatsvinden, Van de periodiek door de man verrichte betalingen moet, nu gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van een andere bron, worden aangenomen dat deze uit de onder het verrekenbeding vallende inkomsten van de man zijn gedaan.

3.14 Of door de man - zoals door hem is gesteld - voldane premies al dan niet in een rekening-courantverhouding werden geboekt is niet van belang, nu gesteld noch gebleken is dat de man die premiebetalingen op enigerlei andere wijze heeft kunnen dragen dan dankzij genoten inkomsten uit het door hem uitgeoefende vrije beroep. Dat de premiebetalingen naar de letter van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden als verteerde inkomsten moeten warden gezien, is evenmin relevant, nu die premiebetalingen materieel bezien (grotendeels) als aflossingen op de hypothecaire geldlening dienen te worden beschouwd, De echtelijke woning vormt voor de man een beleggingsobject, waarin de man op de bovenomschreven wijze overgespaard inkomen heeft belegd. De vermogensvermeerdering die is opgetreden door waardevermeerdering van de echte-lijke woning is ontstaan dankzij belegging van hetgeen uit de inkomsten van de man is gespaard, maar ongedeeld is gebleven. De waardevermeerdering van de echtelijke woning dient derhalve in de verrekening te warden betrokken.

verzekeringen

3.15 De vrouw maakt aanspraak op verrekening van de waarde van de navolgende verzekeringen:

a. de polis Din Plan bij de Zwolsche Algemeene afgesloten onder polisnummer 6329126;

b. de polis Hypotheek Totaal Plan bij Delta Lloyd afgesloten onder polisnum-mer 1762399;

c. de polis bij A.G. Leven afgesloten onder polisnummer 1537925;

d. de polis bij AXA afgesloten onder polisnummer G0918117;

e. de polis bij Robein afgesloten onder polisnummer G930750;

f. de polis bij Zwitserleven afgesloten onder polisnummer 3138210;

g. de polis bij Nationale-Nederlanden afgesloten onder polisnummer 8600842;

h. de polis bij Legal en General afgesloten onder polisnummer 78531695;

i. de polis Koersplan bij Spaarbeleg afgesloten onder certificaatnummer 1910017705;

j. de polis bij NMB afgesloten onder polisnummer G0918117;

k. de polis bij Robein afgesloten onder polisnummer K900830.

3.16 De man stelt dat de hierboven onder d en j genoemde polissen, waarvan de nummers overeenstemmen, een en dezelfde verzekeringsovereenkomst betreffen. De polis is destijds afgesloten bij NMB en later overgenomen door AXA, Nu de vrouw dit niet heeft betwist, staat dit vast.

3.17 Bij conclusie van antwoord/eis (onder 14) stelt de man dat hij bij het in het huwelijk treden met de vrouw al een aantal verzekeringen had afgesloten en dat het bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden zeer nadrukkelijk de bedoeling was dat deze verzekeringen niet bij helfte zouden worden verdeeld, maar alleen aan de man in waarde zouden toekomen. De vrouw stelt bij con-clusie van repliek/ antwoord (onder 13) dat de enige polis die de man voor het huwelijk had afgesloten de hierboven onder f genoemde bij Zwitserleven afge-sloten polis betrof, Bij conclusie van dupliek/repliek (onder 16) heeft de man dit erkend, zodat vast staat dat de man voor het huwelijk louter de hierboven onder f genoemde polis had afgesloten.

3.18 De man stelt voorts dat op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden voor de genoemde verzekeringen, met uitzondering van de hiervoor sub a ge-noemde polis Din Plan, bij de Zwolsche Algemeene afgesloten onder polisnummer 6329126, geldt dat de premies en de koopsommen zijn begrepen onder de kosten van de huishouding, dat deze derhalve als een vertering dienen te worden beschouwd en niet als een belegging, zodat de waarde van al deze verzekeringen slechts aan de man toekomt. De vrouw stelt dat reeds uit het feit dat de door de man verrichte premiebetalingen hebben geleid tot de opbouw van een aanzienlijk vermogen volgt dat er sprake is van overgespaard inkomen. Om de premiebetalingen als verteerd inkomen aan te merken is naar het oordeel van de vrouw in strijd met de realiteit en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3.19 Krachtens artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden zijn onder de kosten der huishouding als bedoeld in artikel 7 mede begrepen premies en koopsommen van door een der echtgenoten gesloten studie-, spaar-, levens- of lijfrenteverzekeringen, deze laatste echter tenzij zij door een der echtgenoten te eigen be-hoeve, doch op het leven van de andere echtgenoot zijn gesloten, in welk geval die premies of koopsommen voor rekening van de verzekeringnemer zijn. De in artikel 8 geformuleerde uitzondering doet zich slechts voor ten aanzien van de hierboven sub a genoemde polis. Met betrekking tot die verzekering bestaat tussen partijen overeenstemming dat verrekening dient plaats te vinden. Voor wat betreft de overige polissen zijn ingevolge artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden de premies en koopsommen begrepen onder de kosten der huis-houding. Ten aanzien van die verzekeringen dient te worden beoordeeld of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (onaanvaardbaar) is dat ener-zijds de premies en koopsommen worden aangemerkt als kosten der huishouding, derhalve als verteerde inkomsten, terwijl anderzijds de betaling van die premies en koopsommen heeft geleid tot de opbouw van een aanzienlijk vermogen in de vorm van louter door de man in privé aan die verzekeringen te ontlenen aanspraken.

3.20 De man heeft de stelling van de vrouw dat zij na de geboorte van het eerste kind is gestopt met werken en sedertdien vooral heeft zorggedragen voor de opvoeding en verzorging van de kinderen niet, althans niet gemotiveerd betwist. In reactie op de stelling van de vrouw dat zij vrijwel geen pensioen heeft opgebouwd stelt de man dat de vrouw voor het huwelijk ongeveer 10 jaar werkzaam is geweest in het onderwijs en dat zij derhalve bij het ABP pensi-oenrechten heeft opgebouwd, waarnaast zij een deel ontvangt van de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten, Uit de stellingen van partijen is af te leiden dat de rolverdeling tijdens het huwelijk zo was dat de vrouw met name zorg droeg voor de opvoeding en verzorging van de kinderen, terwijl de man werkzaam was in zijn tandartspraktijk. De man was dankzij die rolverdeling degene die inkomsten genereerde. Daardoor verkeerde hij in de gelegenheid om gedurende het huwelijk een aanzienlijk deel van die inkomsten zodanig aan te wenden dat betreffende uitgaven, de premie- en koopsombetalingen, krachtens de huwelijkse voorwaarden als kosten van de huishouding, dat wil zeggen verteerd inkomen, dienden te worden aangemerkt, terwijl niettemin dankzij die uitgaven louter op zijn naam vermogen werd opgebouwd, waartegenover de vrouw niet in staat was zelfstandig pensioen op te bouwen, dan wel op vergelijkbare wijze vermogen op te bouwen.

3.21 Voor wat betreft de verzekeringsovereenkomsten die de man heeft gesloten na het aangaan van het huwelijk zou het onder de hiervoor onder 3.20 aangegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien de premiebetalingen als kosten van de huishouding zouden worden aangemerkt, zonder dat voor de vrouw een recht op verrekening van het in de verzekeringen louter op naam van de man opgebouwde vermogen zou bestaan. Op grond van de redelijkheid en billijkheid dient onder deze omstandigheden ten gunste van de vrouw verrekening van het in deze verzekeringen opgebouwde vermogen plaats te vinden.

inboedel

3.22 In reconventie vordert de man ter zake van de gemeenschap van inboedel pri-mair de vrouw te veroordelen ten titel van uitkering wegens overbedeling te voldoen een bedrag van f. 12.500,00. Subsidiair vordert de man de wijze van verdeling van de gemeenschap van inboedel vast te stellen. De vrouw ontkent dat zij is overbedeeld en stelt dat de man niet heeft gereageerd op de door de vrouw voorgestelde verdeling van de inboedel. Voorts stelt de vrouw dat de man, indien hij meende dat er sprake was van overbedeling aan de zijde van de vrouw, had dienen aan te geven welke goederen hij nog toebedeeld wenste te krijgen. De man heeft in reactie daarop gesteld (bij conclusie van du-pliek/repliek onder 20) dat het geen zin heeft om "nu alsnog goederen te gaan verdelen, aangezien de man reeds nieuwe zaken heeft aangeschaft."

3.23 Bij de verdeling van een gemeenschap van inboedel is uitgangspunt dat met inachtneming van de wensen van de deelgenoten de inboedelzaken onder de deelgenoten worden verdeeld op zodanige wijze dat ieder zoveel mogelijk voor een vergelijkbare waarde krijgt toegescheiden. Voor zover verdeling op die wijze niet mogelijk of niet wenselijk is kan er reden bestaan voor toewijzing van financiële compensatie aan de deelgenoot die door een bepaalde verdeling

wordt onderbedeeld. Nu de man zich ten tijde van de feitelijke verdeling van de inboedelgoederen niet heeft uitgelaten omtrent de wijze van verdeling, noch nadien heeft aangegeven aangeeft welke zaken hij nog toegedeeld zou willen krijgen, dient zijn primaire reconventionele vordering - de vrouw te veroordelen om wegens overbedeling een bedrag van f. 12.500,00 aan de man te voldoen - te worden afgewezen. Gelet op het feit dat de man bij conclusie van du-pliek/repliek aangeeft dat hij het niet zinvol acht alsnog goederen te gaan ver-delen beschouwt de rechtbank de subsidiaire reconventionele vordering - de wijze van verdeling van de gemeenschap vast te stellen - als ingetrokken.

verrekening

3.24 De primaire vordering van de vrouw strekkende tot verrekening van het totale vermogen van partijen per 5 maart 1999 is niet toewijsbaar. Vast staat immers dat ten tijde van het aangaan van het huwelijk reeds (enig) vermogen aanwezig was dat buiten de verrekening dient te blijven, zoals de lijfrenteverzekering van de man bij Zwitserleven. De vrouw heeft subsidiair gevorderd de man te ver-oordelen tot betaling aan de vrouw, binnen vier weken na een te dezen te wijzen vonnis, van een bedrag gelijk aan de helft van de vermogenstoename, be-rekend naar de vermogenswaarde per 5 maart 1999 van de onder punt 7 van de dagvaarding bedoelde vermogensbestanddelen, zijnde het eindvermogen van partijen verminderd met de waarde per 15 mei 1987, van de onder genoemd punt 7 bedoelde vermogensbestanddelen, welk eindbedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 1999, althans vanaf de dag der huwelijksontbinding, tot aan de dag der algehele voldoening. Bij dagvaarding (onder punt 6) heeft de vrouw gesteld dat een beschrijving van het eind-vermogen noodzakelijk is.

3.25 Om inlichtingen van partijen te verkrijgen omtrent de waarde van de bij de verrekening in aanmerking te nemen vermogensvermeerdering en de meest wenselijke wijze van verrekening, onder meer met betrekking tot de lijfrente-en kapitaalverzekeringen, alsmede om een regeling in der minne te beproeven, zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten.

3.26 De man dient twee weken voor de comparitiedatum aan de comparitierechter en de wederpartij een met verificatoire bescheiden onderbouwd overzicht te verstrekken, van de vermogensvermeerdering die vanaf de aanvang van het huwelijk tot 5 maart 1999 heeft plaatsgevonden. Zonodig zal na de comparitie eventueel deskundigenonderzoek worden gelast in verband met de vaststelling van de omvang van de bij de verrekening in aanmerking te nemen vermogensvermeerdering. Ter comparitie kunnen partijen - bij voorkeur gezamenlijk en eensluidend - voorstellen doen voor het eventueel te gelasten deskundigenon-derzoek, zowel voor wat betreft de vraagstelling als de persoon of personen van de te benoemen deskundigen.

3.27 Teneinde snelle afdoening van het geschil in deze instantie te bevorderen zal worden bepaald dat hoger beroep van dit vonnis niet dan tegelijk met het eind-vonnis kan worden ingesteld. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing.

De rechtbank:

In conventie en in reconventie:

gelast partijen, in persoon, vergezeld van hun raadslieden, tot het verstrekken van inlichtingen en/of het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor het lid van deze rechtbank mr. Bouwman die daartoe zitting zal houden in een van de kamers van het gerechtsgebouw aan de Sluissingel 20 te Breda op een in overleg met partijen nader vast te stellen dag en uur;

bepaalt, dat de procureurs van partijen daartoe uiterlijk op dinsdag 4 december 2001 overeenkomstig bijlage B.1 bij het landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken, aan de griffier opgave zullen doen van hun verhinderdagen op dinsda-gen voor de periode van vijf maanden vanaf 4 december 2001;

bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep kan worden ingesteld dan tegelijk met het eindvonnis;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bouwman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 20 november 2001.