Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2001:AD8425

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
24-01-2002
Zaaknummer
209529 OV/01-1671
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KANTONGERECHT TE BERGEN OP ZOOM

Zaaknr.: 209529 OV / 01-1671

1. Inleiding

Op 10 oktober 2001 is ter griffie van dit kantongerecht een verzoek ingekomen van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

hierna te noemen [verzoeker],

gemachtigde: mr. P.C.M. Dirven, advocaat te Etten-Leur,

waarbij [verzoeker] zich tot de kantonrechter wendt met het verzoek:

om hem te belasten met het gezag over [minderjarige] en om de afgifte van deze minderjarige aan hem te bevelen.

Op 23 oktober 2001 heeft de kantonrechter een beschikking gegeven, waarbij hij een mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft gelast. In deze beschikking is bepaald dat voor deze mondelinge behandeling -die gepland is op 20 november 2001 te 15.00 uur- worden uitgenodigd de belanghebbenden, te weten:

- verzoeker J.Th.G. [verzoeker], met diens raadsman mr. P.C.M. Dirven;

- testamentair voog[oma] (hierna: [oma]);

- de Raad voor de Kinderbescherming.

De inhoud van voornoemde tussenbeschikking geldt hier als herhaald en ingelast.

Naar aanleiding van deze beschikking heeft [oma], middels haar advocaat RA. W. Thomas, bij schrijven d.d. 5 november 2001, een bevoegdheidsincident opgeworpen.

Mr. Dirven heeft op dit opgeworpen incident gereageerd middels zijn brief d.d. 14 november 2001.

2. Beoordeling van het bevoegdheidsincident

Vaststaande feiten:

- [verzoeker] heeft vanaf 23 oktober 1996 tot 4 juli 2001 -met een onderbreking- samengewoond met [partner ] te [woonplaats];

- op 21 januari 1999 is uit deze samenleving geboren, [minderjarige] (hierna: [verzoeker] junior);

- [verzoeker] junior is op 22 januari 1999 door [verzoeker] erkend;

- tot haar overlijden -op 4 juli 2001 te [plaats] in Duitsland- heeft [partner ] ingeschreven gestaan bij de burgerlijke stand te [woonplaats];

- [partner ] heeft op 11 mei 1999 een testament gemaakt, waarin zij heeft verklaard:

"Voor het geval mijn voornoemde zoon bij mijn overlijden nog minderjarig mocht zijn, benoem ik tot voogd mijn moeder mevrouw Alida [oma] …. Ik stel het op prijs dat mijn zoon alsdan, voor zover dat voor zijn opvoeding wenselijk is, in het huisgezin van de voogd wordt opgenomen";

- [verzoeker] junior verblijft momenteel bij [oma] in Duitsland;

- bij "Beschluss" van 21 augustus 2001 heeft het "Amtsgericht [plaats]" [oma] tot voorlopig voogd benoemd.

Ten aanzien van het bevoegdheidsincident is het standpunt van [verzoeker] dat de kantonrechter te Bergen op Zoom de bevoegde rechter is om te beslissen over het door hem ingediende verzoek om belast te worden met ouderlijke gezag over [verzoeker] junior. Daarnaast stelt hij dat hierbij met de

-hiervoor genoemde- beschikking van het Amtsgericht [plaats] geen rekening gehouden hoeft te worden, aangezien dit Amtsgericht volgens hem niet de bevoegde instantie is om hierover een beslissing te nemen en hij ook niet van deze beschikking op de hoogte was. Volgens [verzoeker] is in deze kwestie de kantonrechter te Bergen op Zoom de bevoegde rechter, aangezien de gewone verblijfplaats van [verzoeker] junior [woonplaats] is, waar hij sinds zijn geboorte in het gezin van [verzoeker] en [partner ] heeft gewoond. Te [woonplaats] verblijven ook een broer en een zus van [partner ], zodat [verzoeker] junior hier meer familie heeft wonen dan in Duitsland bij zijn grootouders. [verzoeker] is van mening dat de huidige verblijfplaats van [verzoeker] junior bij zijn grootouders niet zijn gewone verblijfplaats is, omdat [oma] [verzoeker] junior, tegen de wil van [verzoeker], heeft meegenomen naar Duitsland. Volgens [verzoeker] doet het feit dat [oma] door het Amtsgericht [plaats] is belast met de voorlopige voogdij niet af aan de bevoegdheid van de kantonrechter te Bergen op Zoom, omdat de testamentaire voogdij volgens hem niet geldig is.

[oma] stelt zich op het standpunt dat zij -geheel te goeder trouw- alles in het werk heeft gesteld om de testamentaire voogdij te bekrachtigen. Zij voert aan dat zij niet tegen de wil doch juist met instemming van de vader [verzoeker] junior vanuit [woonplaats] heeft meegenomen naar Duitsland. [oma] zegt dat [verzoeker] sindsdien geen contact meer met [verzoeker] junior heeft gezocht, dat hij ook niet in de kosten van het onderhoud van [verzoeker] junior heeft voorzien en dat zij -[oma]- middels de beschikking van het Amtsgericht [plaats] voorlopig voogd is geworden. Volgens haar is deze rechterlijke instantie de bevoegde rechter in deze zaak aangezien [verzoeker] junior zijn woonplaats heeft bij zijn grootouders. Vanwege het feit dat de "Kreisjugendamtes" [verzoeker] nog niet heeft kunnen horen over deze voorlopige voogdij, is volgens [oma] de voorlopige voogdij nog niet omgezet in een definitieve voogdij.

De kernvraag waarover de kantonrechter thans dient te oordelen is of hij de bevoegde rechter is om op het verzoek van [verzoeker] d.d. 10 oktober 2001, om belast te worden met het ouderlijk gezag over [verzoeker] junior, een inhoudelijke beslissing te geven.

Gezien de internationale aspecten in deze zaak is het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (Tractaatblad 1963, 29) van toepassing. Hierin is bepaald dat in kwesties als de onderhavige de rechterlijke autoriteiten van die staat bevoegd zijn, waar de minderjarige zijn gewone verblijf heeft. Leidraad voor "zijn gewone verblijfplaats" is de plaats waarmee het kind maatschappelijk de belangrijkste banden heeft, zulks in vergelijking met andere plaatsen die eventueel daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen.

Op basis van hetgeen [verzoeker] en [oma] tot nu toe hebben aangevoerd, is het de kantonrechter voorshands nog niet gebleken dat hij onbevoegd zou zijn om te oordelen over het door [verzoeker] ingediende verzoek d.d. 10 oktober 2001.

Voorts is het de kantonrechter thans nog niet duidelijk of mogelijk naast of in plaats van het Haags Kinderbeschermingsverdrag het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (Tractaatblad 1987, 139) van toepassing is, aangezien onder kinderontvoering wordt verstaan "het ongeoorloofd overbrengen of vasthouden van kinderen in een verdragsluitende Staat".

De kantonrechter acht het in deze zinvol om alvorens te beslissen omtrent het opgeworpen bevoegdheidsincident, de reeds geplande mondelinge behandeling d.d. 20 november 2001 doorgang te laten vinden, om de -hiervoor reeds opgeroepen- belanghebbenden nader te horen hieromtrent.

Eventueel zal hierbij tevens een inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift d.d. 10 oktober 2001 plaatsvinden.

3. Beslissing

De Kantonrechter:

laat de reeds geplande mondelinge behandeling d.d. 20 november 2001 te 15.00 uur doorgang vinden teneinde zich door de reeds opgeroepen belanghebbenden nader te laten informeren omtrent het opgeworpen bevoegdheidsincident, waarbij eventueel tevens een inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift d.d. 10 oktober 2001 zal plaatsvinden.

Aan een eventuele niet-verschijning van [verzoeker] en/of [oma] kunnen de gevolgen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven te Bergen op Zoom door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en door deze op

15 november 2001 in het openbaar uitgesproken in het bijzijn van de griffier.